Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2012:BX5078

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-07-2012
Datum publicatie
21-08-2012
Zaaknummer
AWB 11/1051
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

overheidsinterventie

nationale reserve

later aangekochte toeslagrechten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 11/1051 18 juli 2012

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

tegen

de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, verweerder,

gemachtigde: mr. S.M. Oude Lage Venterink, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. Het procesverloop

Appellant heeft op 25 november 2011 beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 20 oktober 2011.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar gericht tegen de beschikking van 15 februari 2011 op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (de Regeling), waarbij verweerder een deel van de door appellant gevraagde toeslagrechten uit de nationale reserve 2010 niet heeft toegewezen.

Verweerder heeft een verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

Op 27 april 2012 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant is verschenen en verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Vast staat dat appellant geconfronteerd is met een overheidsinterventie en dat om die reden zijn landbouwgrond is verminderd. Met ingang van 1 januari 2010 is het gebruik door appellant van percelen met een totale oppervlakte van 69,03 hectare, vanwege een waterberging, beëindigd.

2.2 Artikel 41, derde lid, van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 luidde, ten tijde en voor zover hier van belang, als volgt:

"Lidstaten (…) kunnen de nationale reserve gebruiken om (…) toeslagrechten vast te stellen voor landbouwers in gebieden waar aan een of andere vorm van overheidssteun gekoppelde herstructurerings-en ontwikkelingsprogramma’s lopen om te voorkomen dat het land wordt verlaten en/of om landbouwers te compenseren voor specifieke nadelen in die gebieden. (…) "

In artikel 18, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1120/2009 van de Commissie van 29 oktober 2009 is de volgende uitvoeringsbepaling opgenomen:

" Lidstaten die gebruik maken van de bij artikel 41, lid 3, van Verordening (EG) nr. 73/2009 geboden mogelijkheid, mogen op verzoek (…) toeslagrechten toewijzen aan landbouwers die minder hectaren aangeven dan het aantal dat overeenstemt met de toeslagrechten die zij in het kader van de artikelen 43 en 59 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 hadden gekregen. (…)

Voor de toepassing van het onderhavige artikel worden met “toeslagrechten” alleen de toeslagrechten bedoeld die de lidstaat in het eerste jaar van toepassing van de bedrijfstoeslagregeling heeft toegewezen, met inbegrip van het jaar van integratie van gekoppelde steun. "

In de Regeling is in artikel 19 opgenomen:

" Indien als gevolg van overheidsinterventie de omvang van een bedrijf is verkleind, waardoor een landbouwer over minder hectaren subsidiabele grond beschikt dan het aantal dat overeenstemt met de toeslagrechten die hij in het kader van artikel 41, derde lid, van verordening 73/2009 zou krijgen, of heeft gekregen, komt de betrokken landbouwer overeenkomstig artikel 18 van verordening 1120/2009 in aanmerking voor toewijzing van toeslagrechten uit de nationale reserve."

2.3 Appellant heeft op 11 mei 2010 een aanvraag ingediend met een beroep op de genoemde overheidsinterventie. Verweerder heeft op basis van die aanvraag in totaal 47,56 toeslagrechten toegekend aan appellant uit de Nationale Reserve. Deze toeslagrechten hebben een waarde van € 2900,69 per toeslagrecht. Voor 29,45 toeslagrechten, met een waarde van € 465,05 per toeslagrecht, heeft verweerder toewijzing uit de Nationale Reserve afgewezen, omdat deze toeslagrechten niet in het eerste jaar van de bedrijfstoeslag aan appellant zijn toegewezen maar later door hem zijn aangekocht.

2.4 In geschil is of appellant voor deze 29,45 toeslagrechten ook compensatie uit de nationale reserve had moeten krijgen.

In de toelichting bij de aanvraag is volgens appellant niet gewezen op uitzonderingen op of beperkingen van de compensatieregeling en ook telefonisch heeft verweerder desgevraagd geen volledige en juiste toelichting gegeven op de compensatieregeling. Uiteindelijk bleek hem pas bij de beslissing op de aanvraag dat de compensatieregeling beperkt is. Appellant miste daardoor de kans om het nadeel te beperken door de toeslagrechten te verkopen. Hij meent dan ook voor het totaal aantal hectaren te moeten worden gecompenseerd.

Verweerder heeft de bezwaren van appellant afgewezen met het argument dat van de (Europese) regelgeving niet afgeweken kan worden. Daarin is expliciet bepaald dat alleen toeslagrechten die zijn toegekend in het eerste jaar van toepassing van de bedrijfstoeslagregeling voor toewijzing uit de nationale reserve in aanmerking komen.

2.5 Gelet op de tekst van artikel 18 van Verordening (EG) nr. 1120/2009, en de verwijzing daarin naar de artikelen 43 en 59 van Verordening (EG) nr. 1782/2003, kan er geen misverstand over bestaan dat de landbouwer alleen die rechten kan krijgen die hij minder kan opgeven dan het aantal dat overeenstemt met de toeslagrechten die hij in het eerste toepassingsjaar van de bedrijfstoeslagregeling heeft gekregen. Appellant bestrijdt niet dat hij de 29,45 toeslagrechten later heeft aangekocht

2.6 Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. R.C. Stam, mr. H.O. Kerkmeester en mr. H.L. van der Beek, in tegenwoordigheid van mr. A.G.J. van Ouwerkerk als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2012.

w.g. R.C. Stam w.g. A.G.J. van Ouwerkerk