Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2012:BX4913

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
06-07-2012
Datum publicatie
17-08-2012
Zaaknummer
AWB 10/302
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

dubbelclaim perceel

feitelijk gebruik

tot bedrijf behorende subsidiabele hectaren

zorgvuldigheidsbeginsel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 10/302 6 juli 2012

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: ir. S. Boonstra, werkzaam bij LTO Noord Advies te Drachten,

tegen

de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, verweerder,

gemachtigden: mr. M. Prijs en mr. H. Ipenburg, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen,

aan welk geding voorts als partij deelneemt:

Maatschap C, te D (hierna: C),

gemachtigde E.

1. Het procesverloop

Appellant heeft bij brief van 29 maart 2010, bij het College binnengekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 19 februari 2010.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 31 juli 2008, waarbij verweerder de bedrijfstoeslag van appellant voor het jaar 2007 heeft vastgesteld op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (hierna: de Regeling).

Appellant heeft de gronden van zijn beroep ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 28 oktober 2011 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden waar appellant en verweerder hun standpunten nader hebben toegelicht. De enkelvoudige kamer heeft het onderzoek vervolgens geschorst en de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

Desgevraagd heeft verweerder nadere stukken overgelegd en zijn standpunt ten aanzien van het beheer van het betreffende perceel nader toegelicht.

C heeft desgevraagd te kennen gegeven dat zij van de geboden gelegenheid gebruik wenst te maken om als partij aan het geding deel te nemen.

Appellant heeft nadere stukken overgelegd.

Op 11 juni 2012 is het onderzoek ter zitting voortgezet waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader hebben toegelicht en namens appellant tevens aanwezig was F. Voorts was E hierbij aanwezig en is G als getuige gehoord.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Appellant heeft op de Gecombineerde opgave 2007 onder meer het perceel met nummer 11 opgegeven voor uitbetaling van zijn toeslagrechten.

In geschil is of verweerder de oppervlakte van dit perceel terecht niet subsidiabel heeft beschouwd, omdat het niet tot het bedrijf van appellant behoorde in 2007.

2.2 Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 luidde ten tijde en voor zover van belang:

" Artikel 2 - Begripsomschrijvingen

(…)

b) onder "bedrijf" wordt verstaan: het geheel van de productie-eenheden dat door de landbouwer wordt beheerd (…)

Artikel 44 - Gebruik van de toeslagrechten

1. Elk toeslagrecht dat gepaard gaat met een subsidiabele hectare geeft recht op uitbetaling van het in het kader van het toeslagrecht vastgestelde bedrag.

2. Onder "subsidiabele hectare" wordt verstaan welke landbouwgrond ook van het bedrijf in de vorm van bouwland en blijvend grasland met uitzondering van de grond die voor blijvende teelten, als bosgrond of voor niet-landbouwactiviteiten in gebruik was.

(...) "

2.3 Verweerder wijst erop dat perceel 11 zowel door appellant als door C - de eigenaar van het perceel - is opgegeven voor de uitbetaling van toeslagrechten in 2007. Onder verwijzing naar het arrest van 14 oktober 2010 (Landkreis Bad Dürkheim, C-61/09) van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) stelt verweerder dat appellant niet heeft voldaan aan de in dit arrest genoemde voor beheer geldende voorwaarden. In de eerste plaats heeft appellant geen geldige titel voor het gebruik van het betreffende perceel aangetoond; C ontkent dat zij dit perceel in gebruik heeft gegeven aan appellant. Uit de door appellant overgelegde stukken blijkt onvoldoende dat hij de betreffende grond daadwerkelijk in beheer heeft gehad. Dit geldt ook voor het stuk dat is opgemaakt door G waaruit de gemaakte afspraken over de door appellant gestelde grondruil zouden moeten blijken. C heeft dit stuk niet getekend, het is niet gedateerd en de periode waarin appellant het perceel in gebruik zou hebben staat er niet in vermeld. Uit de overgelegde facturen blijkt niet eenduidig dat deze betrekking hebben op het bewerken van dit perceel. Voorts blijkt uit de verklaringen van C en G dat G en appellant hebben afgesproken dat er maïs op het perceel geteeld zou worden voor C en dat G het inzaaien, oogsten en hakselen van maïs zou verzorgen. Hieruit concludeert verweerder dat appellant het perceel niet voldoende autonoom en evenmin voor eigen rekening en risico heeft gebruikt voor zijn landbouwactiviteiten.

2.4 Appellant betoogt dat hij perceel 11 in 2007 in gebruik heeft gehad op basis van een grondruil tussen hem en C, zodat dit perceel tot zijn bedrijf behoorde. Hij heeft dit perceel bemest en heeft hierop voor eigen rekening en risico maïs gezaaid. Het feitelijke gebruik van het perceel is leidend voor de vraag wie het perceel ten tijde van belang in beheer had. Dat de notitie van G - de loonwerker die bemiddelde bij de grondruil - niet is ondertekend of gedateerd, zoals verweerder stelt, levert geen grond op om het feitelijk gebruik door appellant van het perceel te ontkennen.

2.5 C erkent dat zij door tussenkomst van G een afspraak heeft gemaakt met appellant over een grondruil, waardoor appellant perceel 11 mocht gebruiken in 2007. Hierbij is echter overeengekomen dat appellant het perceel mocht bemesten, maar dat de mest op naam van C zou worden gesteld. Dit betekent dat C - en niet appellant - dit perceel moet kunnen opgeven in de Gecombineerde Opgave, aangezien de voor de meitelling opgegeven oppervlakte bepalend is voor de mestplaatsingsruimte.

2.6.1 Het College overweegt als volgt. Voor de vraag of perceel 11 in 2007 tot het bedrijf van appellant behoorde dient te worden beoordeeld of appellant hiervan het feitelijk gebruik had en of hij beschikte over een gebruikstitel ten aanzien van dit perceel. Anders dan C aanvoert is hierbij niet van belang welke afspraken partijen onderling maken over de bemesting van het perceel. C verbouwt aardappelen en is aangewezen op wisselteelt. Het betreffende perceel is in eigendom van C, maar het is in 2007 in een grondruil betrokken na bemiddeling van G. G trad daarbij op als gemachtigde van C. G heeft ter zitting verklaard dat C en appellant zijn overeengekomen dat appellant op dit perceel mest mocht uitrijden en voor eigen rekening maïs mocht verbouwen. C heeft het perceel voorbewerkt, appellant heeft zelf de maïs gezaaid en G heeft voor rekening van appellant de maïs geoogst en gehakseld. Appellant en C hebben deze verklaringen bevestigd, zodat het College hiervan uit gaat.

2.6.2 In het bestreden besluit stelt verweerder dat appellant niet beschikte over een gebruikstitel en dat hij het perceel niet in beheer had. Dit is echter in tegenspraak met de onder 2.6.1. vastgestelde feiten

Dat deze volgens verweerder onvoldoende blijken uit de door appellant overgelegde stukken doet hieraan niet af, nu het Hof in het eerdergenoemde arrest heeft geoordeeld dat een dergelijke gebruikstitel vrij mag worden vormgegeven.

Het standpunt van verweerder dat appellant het perceel niet in beheer had is naar het oordeel van het College niet te rijmen met de vastgestelde feiten: appellant heeft op het perceel werkzaamheden verricht en doen verrichten en aldus hierop voor eigen rekening en risico maïs verbouwd. C en G hebben op het perceel in 2007 geen eigen landbouwactiviteiten ontplooid.

2.6.3 Het bestreden besluit is derhalve onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd en daarmee in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en komt voor vernietiging in aanmerking. Verweerder zal opnieuw op het bezwaar dienen te beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Het College kan niet zelf in de zaak voorzien, nu het College op basis van de voorliggende stukken niet kan vaststellen of appellant overigens aan alle voorwaarden voldoet voor de uitbetaling van zijn toeslagrechten in 2007 op dit perceel.

2.6.4 Het College ziet tot slot aanleiding verweerder op grond van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep gemaakte kosten. Op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1092,50 op basis van 2,5 punten voor het indienen van het beroepschrift, het verschijnen ter zitting en ter nadere zitting tegen een waarde van € 437,-- per punt. Voor de honorering van het door C ingediende verzoek om vergoeding van zijn proceskosten ziet het College geen aanleiding.

3. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 19 februari 2010;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1092,50 (zegge: duizendtweeënnegentig

euro en vijftig cent);

- bepaalt dat verweerder het door appellant betaalde griffierecht van € 150,-- (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, mr. R.C. Stam en mr. C.J. Waterbolk, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Leliveld als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2012.

w.g. W.E. Doolaard w.g. C.M. Leliveld