Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2012:BX4909

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-07-2012
Datum publicatie
17-08-2012
Zaaknummer
AWB 11/86
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

niet-ontvankelijkverklaring bezwaar

aannemelijk maken van verzending door bestuursorgaan

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 11/86 18 juli 2012

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak in de zaak van:

A., te B., appellant,

gemachtigde: ing. P.J. Houtsma, werkzaam bij Houtsma Bedrijfsadvies v.o.f. te Deventer,

tegen

De Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, verweerder,

gemachtigde: mr. F.S. Feenstra-Cooke, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. Het procesverloop

Bij besluit van 16 juni 2010 heeft verweerder appellant op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 een randvoorwaardenkorting opgelegd voor het subsidiejaar 2009.

Het hiertegen gerichte bezwaar van 17 augustus 2010 heeft verweerder bij besluit van 21 december 2010 niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 21 januari 2011, bij het College binnengekomen op 24 januari 2011, beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 6 juni 2012 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant is verschenen, evenals zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Tussen partijen is in geschil of verweerder het bezwaar van appellant terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2.2 Ingevolge artikel 6:7 en artikel 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken en vangt deze aan met ingang van de dag na die waarop een besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Een bezwaarschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen, ingevolge artikel 6:9, eerste lid, Awb.

Artikel 6:11 van de Awb bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2.3 Verweerder heeft bij het bestreden besluit het bezwaar van appellant, gericht tegen een opgelegde subsidiekorting voor het jaar 2009, niet-ontvankelijk verklaard en daartoe als volgt overwogen. Uit onderzoek van verweerder is gebleken dat het betreffende besluit van 16 juni 2010 op dezelfde dag is verzonden naar het opgegeven adres. De termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is dan ook de dag na 16 juni 2010 aangevangen. Het bezwaarschrift gericht tegen het besluit van 16 juni 2010 is op 17 augustus 2010 ontvangen en dus niet binnen de termijn van zes weken ingediend. Er is niet gebleken dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is.

Desgevraagd heeft verweerder toegelicht dat de verzending op 16 juni 2010 blijkt uit het digitale administratiesysteem van verweerder, Hummingbird. De medewerkers die bij het verzend- en archiveringsproces betrokken zijn geweest, hebben, zo blijkt uit de ter zitting overgelegde stukken, geregistreerd dat het besluit is verzonden.

Daarnaast heeft verweerder een telefoonnotitie overgelegd van 21 juni 2010 van een gesprek met appellant over de factuur van verweerder over 2009. In de notitie staat vermeld dat appellant heeft aangegeven gekort te zijn ?in diverse toelagen?. Volgens verweerder blijkt daaruit dat appellant op die datum al op de hoogte was van het kortingsbesluit van 16 juni 2010.

2.4 Appellant heeft in beroep aangevoerd dat hij pas bekend raakte met het besluit nadat hij over een andere kwestie contact had opgenomen met verweerder. Het besluit is hem toen op 16 augustus 2010 alsnog ter hand gesteld. Op 17 augustus 2010 heeft hij bezwaar gemaakt. Appellant stelt zich daarom op het standpunt dat tijdig, namelijk (ruim) binnen de termijn van zes weken, bezwaar is gemaakt. Dat verweerder het besluit niet aangetekend heeft verzonden kan niet voor het risico van appellant komen. Verweerder had overigens ook niet tot deze beslissing kunnen komen, nu dit in strijd is met eerdere toezeggingen om de uitspraak in een andere procedure mee te nemen in de beoordeling van het bezwaar in deze kwestie.

2.5 Ter beoordeling staat of verweerder appellant terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het College hanteert de uitgangspunten zoals verwoord in de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 mei 2011, www.rechtspraak.nl, LJN: BQ4617. In het geval van niet-aangetekende verzending van een besluit dient het bestuursorgaan aannemelijk te maken dat het is verzonden. Ook een per gewone post verzonden stuk wordt in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde bezorgd. Dat rechtvaardigt het vermoeden dat zo’n stuk op het adres is ontvangen, zodat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van de verzending naar het juiste adres.

Het College gaat er van uit dat het besluit van 16 juni 2010 op die dag is verzonden naar appellant en dus op die datum op de juiste wijze is bekendgemaakt. Uit de door verweerder ter zitting verstrekte informatie blijkt dat dit besluit is ingeboekt en dat in de kolom "V12_DAT_DAGTEKENING" als datum ?16-6-2010? is weergegeven. In de legenda is als omschrijving van de kolom "V12_DAT_DAGTEKENING" gegeven: ?verzenddatum?. Derhalve gaat het College er van uit dat het besluit op correcte wijze is bekendgemaakt.

Indien het bestuursorgaan de verzending naar het juiste adres aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde voormeld vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe dient de geadresseerde feiten te stellen op grond waarvan de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld. De stelling van appellant dat de postbezorging in de omgeving te wensen overlaat, is te algemeen en biedt daarom geen aanknopingspunten voor twijfel omtrent de ontvangst van het besluit. Hetzelfde geldt voor de onjuiste adreswikkel van een omroepblad waarop de naam van appellant onjuist is vermeld (C in plaats van A). Dit zegt immers niets over postbezorging op een verkeerd adres.

2.6 Nu de juiste verzending van het besluit vaststaat en appellant geen feiten heeft gesteld op grond waarvan de ontvangst ervan redelijkerwijs kan worden betwijfeld, moet het er voor worden gehouden dat appellant het besluit kort na 16 juni 2010 heeft ontvangen. Verweerder heeft het op 17 augustus 2010 gemaakte bezwaar wegens overschrijding van de termijn derhalve terecht niet-ontvankelijk verklaard, in aanmerking genomen dat appellant zich niet heeft beroepen op feiten of omstandigheden die zouden kunnen meebrengen dat de overschrijding van de bezwaartermijn hem niet valt toe te rekenen.

2.7 Daarbij neemt het College eveneens in aanmerking dat in de brief van 24 juni 2010 over de voorschotbetaling wordt verwezen naar de brief van 16 juni 2010, en dat de ontvangst van de brief van 24 juni 2010 onweersproken is gebleven, zodat appellant kort na 24 juni 2010 reeds geacht kon worden op de hoogte te zijn van het besluit van 16 juni 2010. Ook als de brief van 16 juni 2010 niet zou zijn ontvangen heeft appellant niet zo spoedig mogelijk nadat het besluit hem bekend werd (dan wel bekend kon zijn) bezwaar gemaakt.

2.8 Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. C.J. Waterbolk, in tegenwoordigheid van mr. J.A. de Koning als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2012.

w.g. C.J. Waterbolk w.g. J.A. de Koning