Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2012:BX4889

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
12-07-2012
Datum publicatie
17-08-2012
Zaaknummer
AWB 10/247
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Wva, speur- en ontwikkelingswerk

technische nieuwheid

voorgenomen aantal S&O-uren

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 10/247 12 juli 2012

27000 Wet vermindering afdracht loonbelasting

en premie volksverzekeringen

Uitspraak in de zaak van:

V.O.F. Tiparo, te Leeuwarden, appellante,

gemachtigde: M.J. Zeinstra, werkzaam bij Zeinstra Management,

tegen

de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, verweerder,

gemachtigde: mr. C.H.J. Lam-Tjabbes, werkzaam bij Agentschap NL (voorheen: SenterNovem).

1. De procedure

Appellante heeft op 16 maart 2010 beroep ingesteld bij het College tegen een besluit van verweerder van 19 februari 2010.

Bij dit besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante tegen het besluit van 30 oktober 2009 op de aanvraag van appellante voor een S&O-verklaring als bedoeld in de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, ongegrond verklaard.

Bij brief van 12 mei 2010 heeft appellante de gronden van beroep ingediend.

Bij brief van 16 juni 2010 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 5 april 2012 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigden van partijen zijn verschenen. Voor verweerder zijn tevens mr. M. Reuvekamp en ing. B.J. Dijkink verschenen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (hierna: Wva) bepaalde, ten tijde en voor zover hier van belang:

"Artikel 1

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(...)

n. speur- en ontwikkelingswerk: door een S&O-inhoudingsplichtige, dan wel een S&O-belastingplichtige, systematisch georganiseerde en in een lidstaat van de Europese Unie verrichte werkzaamheden, direct en uitsluitend gericht op:

1° technisch-wetenschappelijk onderzoek;

2° de ontwikkeling van voor de S&O-inhoudingsplichtige of de S&O-belastingplichtige technisch nieuwe (onderdelen van) fysieke producten, (onderdelen van) fysieke productieprocessen, of (onderdelen van) programmatuur;

3° het uitvoeren van een systematisch opgezette analyse van de technische haalbaarheid van het zelf verrichten van het speur- en ontwikkelingswerk, bedoeld onder 1° of 2°, of

4° het uitvoeren van een technisch onderzoek naar een substantiële wijziging van een productiemethode, indien de wijziging kan leiden tot een significante verbetering van het fysieke productieproces dat reeds wordt toegepast in de onderneming van de S&O-inhoudingsplichtige of S&O-belastingplichtige, dan wel naar modellering van processen, indien deze kan leiden tot een significante verbetering van programmatuur die reeds wordt toegepast in de onderneming van de S&O-inhoudingsplichtige of S&O-belastingplichtige;

(...)

Artikel 27

1. Aan een S&O-belastingplichtige die voornemens is in een kalenderjaar ten minste 500 uren van zijn voor werkzaamheden beschikbare tijd te besteden aan speur- en ontwikkelingswerk geeft Onze Minister van Economische Zaken op aanvraag een S&O-verklaring af.

2. Aanvragen kunnen voor het laatst worden ingediend drie kalendermaanden voor het einde van het kalenderjaar. De beslissing op de aanvraag wordt gegeven binnen drie kalendermaanden na indiening van de aanvraag.

(...)"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 31 mei 2009 heeft appellante een aanvraag voor een S&O-verklaring voor het jaar 2009 ingediend voor de ontwikkelingsprojecten "Hybride straatverlichting", "Windmolens zonder slagschaduw" en "Nieuwe techniek verwerking duurzame bamboe meubelen". Voor dit laatste project zijn 50 S&O-uren voor A en 225 S&O-uren voor B aangevraagd.

- Bij besluit van 30 oktober 2009 heeft verweerder voor de projecten "Hybride straatverlichting" en "Windmolens zonder slagschaduw" geen S&O-uren toegekend omdat de technische nieuwheid van deze projecten niet is aangetoond. Voor het project "Nieuwe techniek verwerking duurzame bamboe meubelen" heeft verweerder conform de aanvraag 50 S&O-uren voor A en 225 S&O-uren voor B toegekend. Omdat de aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk geldt voor ondernemers die in een kalenderjaar ten minste 500 uur besteden aan speur- en ontwikkelingswerk, heeft verweerder in de S&O-verklaringen voor 2009 voor dit laatste project het bedrag aan afdrachtvermindering vastgesteld op nihil.

- Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 11 december 2009, aangevuld bij brief van 15 januari 2010, bezwaar gemaakt.

- Op 4 februari 2010 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en het nadere standpunt van verweerder

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante ongegrond verklaard en daartoe het volgende overwogen. Bij de beoordeling of een project een ontwikkelingsproject is in de zin van de Wva, wordt bekeken of sprake is van de ontwikkeling van een technisch nieuw fysiek product, een technisch nieuw fysiek productieproces, technisch nieuwe programmatuur, of technisch nieuwe onderdelen daarvan. Uit de door appellante verstrekte informatie is niet gebleken wat de technische knelpunten, oplossingsrichtingen en de technische nieuwheid zijn voor de projecten "Hybride straatverlichting" en "Windmolens zonder slagschaduw". Het project "Hybride straatverlichting" is vooral gericht op het vinden van de juiste verhouding tussen wind- en zonne-energie en de batterij, zodat verschillende producten kunnen werken zonder extra toevoer van energie. De omschrijving van de werkzaamheden voor het project "Windmolens zonder slagschaduw" is zeer algemeen en gericht op functionele vereisten. Bij beide projecten is volgens verweerder geen sprake van speur- en ontwikkelingswerk.

Voor het project "Nieuwe techniek verwerking duurzame bamboe meubelen" (hierna ook: bamboeproject) acht verweerder aannemelijk dat er speur- en ontwikkelingswerk wordt verricht. Over de stelling van appellante dat de uren voor het bamboeproject per vergissing zijn verwisseld met de uren voor het project "Hybride straatverlichting", overweegt verweerder als volgt. Tijdens de hoorzitting heeft de gemachtigde van appellante gesteld dat A voornemens was 420 S&O-uren aan het bamboeproject te besteden. Tevens bleek tijdens de hoorzitting dat de gemachtigde van appellante A heeft aangeraden 600 uren voor genoemd project aan te vragen, zonder dat de gemachtigde specifiek inzicht had in de aard van het project. Naar aanleiding van deze mededelingen tijdens de hoorzitting acht verweerder het onaannemelijk dat bij A het voornemen bestond om meer dan 420 S&O-uren aan het bamboeproject te besteden. Ter zitting bij het College heeft verweerder opgemerkt dat bij de positieve beoordeling van het project het totaal van 275 S&O-uren dat voor het project is aangevraagd, is meegewogen. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd aangegeven dat indien 760 S&O-uren voor dit project zouden zijn aangevraagd, hij dit aantal uren niet redelijk en aannemelijk zou hebben geacht, gelet op de inhoud van het project.

In het verweerschrift heeft verweerder opgemerkt dat, omdat de S&O-verklaring wordt afgegeven op basis van het voorgenomen aantal uren, het werkelijk bestede aantal uren in de periode niet relevant is voor de beslissing om een S&O-verklaring af te geven, zodat hij het gerealiseerde aantal uren niet bij appellante hoefde na te vragen.

Over de lange doorlooptijd van de beoordeling van de aanvraag merkt verweerder op dat deze hoofdzakelijk is te wijten aan appellante, nu de aanvraag pas op 24 juli 2009 aan alle formele eisen voldeed en appellante op 18 september 2009 wist dat van een deel van de aangevraagde werkzaamheden nog niet aannemelijk was gemaakt dat het speur- en ontwikkelingswerk betrof.

4. Het standpunt van appellante

Appellante betoogt dat voor de projecten "Hybride straatverlichting" en "Windmolens zonder slagschaduw" aannemelijk is gemaakt dat sprake is van speur- en ontwikkelingswerk. Appellante stelt dat zij in de aanvraag en met de door haar verstrekte aanvullende informatie de technische knelpunten, de oplossingsrichtingen en de technische nieuwheid voor de projecten heeft aangetoond. Dat appellante gebruik maakt van algemeen elektronische en werktuigbouwkundige kennis en algemeen toegankelijke informatie over weer en klimaat, is geen reden om de projecten niet als technisch nieuw te beschouwen.

Daarnaast merkt appellante op dat zij niet verwacht had dat zij tijdens de hoorzitting zou moeten aangegeven welke werkzaamheden concreet zijn verricht. Appellante is bovendien niet in de gelegenheid gesteld om de vragen na afloop van de hoorzitting te beantwoorden.

Voor het project "Nieuwe techniek verwerking duurzame bamboe meubelen" merkt appellante op dat zij per ongeluk de uren heeft verwisseld met de uren van het project "Hybride straatverlichting". Verweerder is bij de beoordeling van het project "Nieuwe techniek verwerking duurzame bamboe meubelen" ten onrechte uitgegaan van 420 S&O-uren voor A, dit had 600 S&O-uren moeten zijn. Appellante heeft niet kunnen reageren op het voornemen van verweerder om uit te gaan van 420 S&O-uren, in plaats van het geschatte aantal van 600 S&O-uren. Indien de beslissing op de aanvraag tijdig, binnen acht weken na het indienen van de aanvraag, zou zijn genomen had appellante nog de gelegenheid gehad om een aanvullende S&O-verklaring aan te vragen voor de resterende maanden in het jaar.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Aan de orde is de vraag of verweerder terecht heeft geoordeeld dat bij de projecten "Hybride straatverlichting" en "Windmolens zonder slagschaduw" geen sprake is van speur- en ontwikkelingswerk en dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat A voornemens was om meer dan 420 S&O-uren te besteden aan het project "Nieuwe techniek verwerking duurzame bamboe meubelen".

5.2 Ten aanzien van de projecten "Hybride straatverlichting" en "Windmolens zonder slagschaduw" overweegt het College als volgt. Om te kunnen beoordelen of de werkzaamheden waarvoor een S&O-verklaring wordt aangevraagd onder de werkingssfeer van de Wva vallen, is het voor verweerder noodzakelijk om van de aanvrager voldoende gegevens te verkrijgen met betrekking tot deze werkzaamheden. Zoals het College al eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van 21 december 2004, AWB 03/1197, LJN AS2016) is bij de beoordeling van een aanvraag allereerst van belang of uit hetgeen in de aanvraag beschreven is, kan worden afgeleid welke speur- en ontwikkelingswerkzaamheden de aanvrager voornemens is te gaan verrichten. Daarnaast kan in voorkomende gevallen acht worden geslagen op informatie die in de beoordelingsfase door verweerder bij appellante is verkregen.

In dit geval heeft verweerder herhaaldelijk aanvullende informatie ingewonnen over de aard van de werkzaamheden van appellante, onder meer op 5 juni 2009 en 18 september 2009. Daarnaast heeft appellante in de bezwaarfase nadere gegevens over haar aanvraag kunnen verstrekken. Het College is van oordeel dat appellante door verweerder voldoende in de gelegenheid is gesteld om aan te tonen dat in deze projecten speur- en ontwikkelingswerk wordt verricht. Het College stelt vast dat appellante ook in beroep geen gegevens heeft overgelegd waaruit zou kunnen blijken dat bij deze projecten sprake is van speur- en ontwikkelingswerk. Naar het oordeel van het College heeft verweerder terecht geoordeeld dat bij de projecten "Windmolens zonder slagschaduw" en "Hybride straatverlichting" geen sprake is van speur- en ontwikkelingswerk.

5.3 Ten aanzien van het project "Nieuwe techniek verwerking duurzame bamboe meubelen" overweegt het College het volgende. Het College stelt voorop dat op grond van artikel 27, eerste lid, Wva, verweerder een S&O-verklaring afgeeft op basis van het voorgenomen aantal S&O-uren en niet op basis van het gerealiseerde aantal S&O-uren. Een S&O-verklaring wordt pas afgegeven als een S&O-belastingplichtige voornemens is ten minste 500 uren van zijn voor werkzaamheden beschikbare tijd te besteden aan speur- en ontwikkelingswerk. De daadwerkelijke urenbesteding van appellante (achteraf) is derhalve niet relevant voor de beslissing op de aanvraag en derhalve evenmin voor de beoordeling van het voorliggende beroep.

Appellante heeft op 6 juli 2009 aangegeven dat A voornemens was om 50 S&O-uren aan het project "Nieuwe techniek verwerking duurzame bamboe meubelen" te besteden. Op 29 oktober 2009 heeft appellante in een telefoongesprek met verweerder, waarbij, waarbij zij op voorhand in kennis werd gesteld van de voorgenomen beslissing op de aanvraag, aangegeven dat de uren voor het bamboeproject per ongeluk zijn verwisseld met de uren voor het project "Hybride straatverlichting" en gesteld dat A voornemens was om 600 uur aan het bamboeproject te besteden.

Het College overweegt dat appellante in bezwaar, noch in beroep informatie heeft overgelegd ter onderbouwing van haar stelling. Dit klemt te meer nu in een e-mail van 5 juli 2009 van B aan de gemachtigde van appellante is vermeld dat A 420 S&O-uren aan het bamboeproject zou besteden. Tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft de gemachtigde van appellante verklaard dat hij appellante heeft geadviseerd tenminste 500 S&O-uren voor A voor dit project aan te vragen, vanwege de drempel van 500 uur in artikel 27, eerste lid, Wva. Een nadere onderbouwing van de gestelde ophoging van het aantal te besteden uren van 420 naar 600 ontbreekt.

Het College is gelet op het voorgaande van oordeel dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat A voornemens was om in 2009 meer dan 420 uur S&O-uren aan het project "Nieuwe techniek verwerking duurzame bamboe meubelen" te besteden. Reeds hierom kan ook het betoog van appellante dat zij, ten einde de vergissing te compenseren, een aanvullende S&O-verklaring zou hebben kunnen aanvragen indien verweerder tijdig op de aanvraag zou hebben beslist, niet slagen.

5.4 Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Het College ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. J.L.W. Aerts, mr. H.A.B. Dorst-Tatomir en mr. M. van Duuren, in tegenwoordigheid van mr. F.E. Mulder als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2012.

w.g. J.L.W. Aerts w.g. F.E. Mulder