Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2012:BX3606

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
26-07-2012
Datum publicatie
06-08-2012
Zaaknummer
AWB 10/522
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Opzegging van de opdracht door accountant, rauwelijks en zonder aankondiging, accountant heeft geen inzicht verschaft in de met de verrichte werkzaamheden gemoeide gefactureerde voorschotten, schending van het fundamentele beginsel van professioneel gedrag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 10/522 26 juli 2012

20010 Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Amsterdam

Uitspraak in de zaak van:

A RA, te B, appellante van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam (hierna: de raad van tucht), gewezen op 28 april 2010 in de zaak met nummer R 672.

1. De procedure

Bij brief, verzonden op 28 april 2010, heeft de raad van tucht appellante afschrift toegezonden van evenvermelde beslissing, gegeven op een klacht, bij brief van 3 februari 2009 door C B.V. en D B.V. (hierna: klaagsters) ingediend tegen appellante.

Bij een op 2 juni 2010 ingekomen beroepschrift heeft appellante tegen die beslissing beroep bij het College ingesteld.

De secretaris van de accountantskamer heeft bij brief van 7 juni 2010 op de zaak betrekking hebbende stukken doen toekomen aan de griffier van het College.

Bij brief van 8 juli 2010 hebben klaagsters een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 21 juli 2010 heeft appellante een reactie naar aanleiding van het verweerschrift ingediend.

Bij brieven van 3 en 19 augustus 2010 hebben klaagsters een reactie naar aanleiding van de brief van appellante van 21 juli 2010 ingediend.

Op 20 maart 2012 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij zijn verschenen appellante, bijgestaan door A.H. van Engelen, en, van de zijde van klaagsters, mr. J.H. Brouwer, advocaat te Apeldoorn en E, bestuurder van klaagster C B.V..

2. De beslissing van de raad van tucht

Bij de bestreden tuchtbeslissing heeft de raad van tucht de klacht gegrond verklaard en appellante ter zake de maatregel van schriftelijke berisping opgelegd.

Ter zake van de formulering van de klacht door de raad van tucht, de beoordeling van deze klacht en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden tuchtbeslissing, die in afschrift aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd. Voor de integrale inhoud van de onder rubriek 3 van deze uitspraak vermelde correspondentie van partijen wordt verwezen naar rubriek 2 van de bestreden tuchtbeslissing.

3. De beoordeling van het beroep

3.1 Het College zal eerst ingaan op de grief van appellante die is gericht tegen de vaststelling van de raad van tucht dat de opdracht voor het verrichten van werkzaamheden (nog eens) is vastgelegd in een opdrachtbevestiging van 5 december 2007. Appellante wijst er op dat zij de naar klaagsters afzonderlijk verzonden opdrachtbevestigingen van 5 december 2007 niet van hen ondertekend retour heeft ontvangen. Om die reden was van een opdracht tussen klaagsters en appellante geen sprake en is de raad van tucht bij de beoordeling van de klacht hieraan ten onrechte voorbijgegaan, aldus appellante.

Appellante heeft niet weersproken de vaststelling van de raad van tucht dat zij in 2003 met het verrichten van werkzaamheden voor klaagsters is begonnen. Zij heeft voorts zelf genoemde opdrachtbevestigingen opgesteld en naar klaagsters verzonden met het verzoek deze ondertekend te retourneren. Ook nadat ontvangst van genoemde ontvangstbevestigingen is uitgebleven, heeft appellante haar werkzaamheden voor klaagsters voortgezet en hebben klaagsters – op hun beurt – hiervoor betalingen verricht. Verder heeft appellante in een brief van 14 maart 2008 aan klaagsters medegedeeld de aan haar verleende opdracht terug te geven.

Onder deze omstandigheden dient het naar het oordeel van het College er voor te worden gehouden dat tussen appellante en klaagsters wel degelijk een opdrachtrelatie heeft bestaan tot aan de opzegging ervan door appellante, waarop genoemde brief van 14 maart 2008 betrekking heeft. De raad van tucht heeft dan ook terecht deze opdrachtrelatie aan de beoordeling van de klacht (mede) ten grondslag gelegd.

Derhalve faalt deze grief.

3.2 Aan de gegrondverklaring van het eerste klachtonderdeel heeft de raad van tucht allereerst ten grondslag gelegd dat appellante de aan haar verleende opdracht van klaagsters rauwelijks en zonder opgaaf van een goede reden heeft opgezegd en in dat verband overwogen dat algemene voorwaarden een accountant niet kunnen ontslaan van de verplichting zich te houden aan de voor hem of haar geldende beroepsregels. Ten aanzien van de hierop betrekking hebbende grieven overweegt het College als volgt.

3.2.1 Het College gaat eerst in op appellantes grief dat zij met inachtneming van de toepasselijke algemene voorwaarden de opdracht heeft opgezegd en om die reden, anders dan de raad van tucht heeft geoordeeld, geen geldende gedrags- en beroepsregels heeft geschonden.

Voorop wordt gesteld dat, aangezien de gedragingen, waarop de klacht betrekking heeft, hebben plaatsgevonden na 1 januari 2007, het handelen van appellante dient te worden beoordeeld aan de hand van de Verordening gedragscode (VGC). Naar het oordeel van het College kunnen tussen partijen – op basis van opdrachtbevestigingen – overeengekomen algemene voorwaarden, ook al zou in artikel 12 lid 1 van de hier van toepassing zijnde algemene voorwaarden zijn bepaald dat de overeenkomst te allen tijde kan worden opgezegd en daarvoor geen reden hoeft te worden gegeven, niet afdoen aan de ingevolge de VGC geldende gedrags- en beroepsregels en gedragingen die een inbreuk op of schending van die regels vormen, legitimeren. Daarom faalt ook deze grief.

3.2.2 Appellante heeft voorts in een grief uiteengezet dat de raad van tucht ten onrechte voorbij is gegaan aan de omstandigheden die, naar het College begrijpt, hebben geleid tot haar opzegging van de onderhavige opdracht. In dat verband stelt appellante dat zij op 19 september 2007, en nogmaals op 11 december 2007, aan klaagsters conceptstukken van F VOF, de rechtsvoorgangster van klaagster B B.V., en B B.V. van 2004 en 2005 heeft gemaild. In een bespreking van 17 december 2007 zouden klaagsters vervolgens hun instemming aan deze stukken hebben onthouden. Volgens appellante werd in de korte periode die haar nog resteerde om de stukken te finaliseren haar het werken door klaagsters bemoeilijkt door het niet tijdig verstrekken van de benodigde informatie, ondanks de vele herhaalde verzoeken daartoe.

Dienaangaande is het College van oordeel dat, zelfs indien moet worden aangenomen dat als gevolg van het gebrek aan medewerking van de zijde van klaagsters destijds de planning van appellantes werkzaamheden onder onaanvaardbare druk kwam te staan, dit niet wegneemt dat het op de weg van appellante had gelegen om klaagsters tijdig duidelijk te maken dat, indien zij niet binnen een redelijke termijn alsnog de verlangde medewerking zou verlenen, zij de opdracht niet meer zou kunnen uitvoeren en zou kunnen overgaan tot opzegging ervan. Appellante heeft dit echter nagelaten. Gelet hierop is het College met de raad van tucht van oordeel dat appellante tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door op 14 maart 2008 rauwelijks en zonder opgaaf van reden de opdracht terug te geven. Derhalve treft deze grief geen doel.

3.3 Aan de gegrondverklaring van het eerste klachtonderdeel heeft de raad van tucht voorts ten grondslag gelegd dat appellante niet behoorlijk heeft gereageerd op de brief van klaagsters van 2 april 2008, houdende het protest tegen de opzegging. Ten aanzien van de hiertegen gerichte grief van appellante overweegt het College als volgt.

In laatstgenoemde brief hebben klaagsters appellante voorgehouden dat de verwerking van de administratie van klaagster B B.V. over de jaren 2005 en 2006 nog onder haar verantwoordelijkheid valt, om de reden dat zij voor die werkzaamheden facturen heeft verstuurd die klaagsters hebben betaald. Het College is van oordeel dat het aan appellante was, aangezien, gelet op hetgeen hiervoor in 3.2.2 is overwogen, zij de aan haar verleende opdracht van klaagsters rauwelijks en zonder opgaaf van reden heeft opgezegd, om ten minste klaagsters duidelijk te maken dat en waarom de verwerking van genoemde administratie niet meer onder haar verantwoordelijkheid viel. Gelet hierop is het uit klaagsters’ brief van 1 april 2008 blijkende en niet door appellante weersproken antwoord van appellante, niet te kunnen overgaan tot het afwikkelen van deze administratie, volstrekt ontoereikend. Aan de omstandigheden, naar appellante stelt, dat zij op verzoek van klaagsters de boekhouding heeft afgegeven en de logincode ter hand heeft gesteld en dat zij voorts klaagsters op hun verantwoordelijkheid heeft gewezen tijdig hun belastingaangifte te verzorgen en stukken bij de Kamer van Koophandel te deponeren, en aldus, volgens appellante, zij wel degelijk behoorlijk heeft gereageerd, gaat het College voorbij, reeds omdat geen van deze aangevoerde omstandigheden kunnen worden beschouwd als een op voornoemde brief van 2 april 2008 toegespitste reactie.

Wat betreft de stelling van appellante dat volgens de algemene voorwaarden bij opzegging geen reden behoeft te worden vermeld, volstaat het College te verwijzen naar hetgeen hieromtrent is overwogen onder 3.2.1.

Deze grief faalt.

3.4 Voorts heeft appellante in een grief aangevoerd dat de raad van tucht ten onrechte er aan voorbij is gegaan dat G B.V., de opvolger van appellante in haar werkzaamheden voor klaagsters, geen contact heeft gezocht met appellante. Naar het College appellante begrijpt hadden klaagsters, ondanks de opzegging van appellante van de opdracht, hiermee kunnen voorkomen extra kosten te moeten maken ter zake de afwikkeling van hun administratie over de jaren 2005 en 2006. Naar het oordeel van het College gaat appellante echter met deze grief voorbij aan het laakbare van haar eigen handelen met betrekking tot haar opzegging van de opdracht, zoals hiervoor is overwogen. Reeds hierom treft deze grief geen doel.

3.5 Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen heeft de raad van tucht terecht het eerste klachtonderdeel gegrond verklaard.

3.6 Appellante keert zich voorts tegen de gegrondverklaring van het tweede klachtonderdeel, inhoudende dat appellante – ondanks een herhaald verzoek – bestede tijd en verrichte werkzaamheden gebrekkig heeft verantwoord, met de stelling dat de urenspecificatie destijds is besproken met de toenmalige aandeelhouder H, die geen klachten had over de wijze waarop de facturen werden verantwoord. In geschil is of appellante behoorlijk op het verzoek van klaagsters om specificatie van de facturen aan klaagsters heeft gereageerd.

Het College stelt voorop dat uit genoemde opdrachtbevestigingen van appellante van 5 december 2007 blijkt dat het honorarium wordt berekend op basis van de werkelijke bestede tijd. Voorts hebben klaagsters in hun brief van 6 juni 2008 appellante, naar aanleiding van haar opzegging van de opdracht en onder verwijzing naar deze opdrachtbevestigingen, gemotiveerd verzocht de tijdsbesteding te verantwoorden die is gemoeid met de verrichte werkzaamheden waarvoor klaagsters twee gefactureerde voorschotten hebben betaald. Naar het oordeel van het College was appellante onder deze omstandigheden, ongeacht of H zich in andere zin heeft uitgelaten, gehouden om klaagsters inzicht te verstrekken in de tijdsbesteding van op de gefactureerde voorschotten betrekking hebbende, verrichte, werkzaamheden. Uit de gedingstukken blijkt echter niet dat appellante heeft gereageerd op klaagsters’ brief van 6 juni 2008. Anders dan appellante stelt blijkt het vereiste inzicht niet – reeds – uit haar e-mail van 26 mei 2008, waarbij het College in aanmerking neemt dat appellante weliswaar hierin uiteenzet dat er meer werkzaamheden zouden zijn verricht dan waarvoor is gefactureerd, maar niet ingaat op de hiermee gemoeide tijdsbesteding. Gelet op het voorgaande onderschrijft het College het oordeel van de raad van tucht dat appellante niet behoorlijk heeft gereageerd op het verzoek van klaagsters om specificatie van de facturen. Ook deze grief faalt.

3.8 Op grond van al het voorgaande heeft de raad van tucht terecht de klacht in beide onderdelen gegrond verklaard en onderschrijft het College het oordeel van de raad van tucht dat appellante met haar handelwijze het accountantsberoep in diskrediet heeft gebracht en aldus het in artikel A-100.4 onder e. VGC vermelde fundamentele beginsel van professioneel gedrag heeft geschonden. Het College acht met de raad van tucht in dit geval de maatregel van schriftelijke berisping geval passend en geboden. Het College zal het beroep verwerpen.

3.9 De hierna te melden beslissing berust op Titel II van de Wet RA, zoals deze wet luidde tot 1 mei 2009, en het hiervoor genoemde artikel van de VGC.

4. De beslissing

Het College verwerpt het beroep.

Aldus gewezen door mr. B. Verwayen, mr. E. Dijt en mr. P.M. van der Zanden, in tegenwoordigheid van mr. S.D.M. Michael, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2012.

w.g. B. Verwayen w.g. S.D.M. Michael