Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2012:BX3430

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
19-07-2012
Datum publicatie
02-08-2012
Zaaknummer
AWB 11/727
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Bedrijfstoeslag 2010. Randvoorwaardenkorting van 1% wegens niet tijdig melden van destructie van een rund aan I&R-systeem.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 11/727 19 juli 2012

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A, te B, appellante,

gemachtigde: ir. S. Boonstra, werkzaam bij LTO Noord Advies te Drachten,

tegen

de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, verweerder,

gemachtigde: mr. H.V. Qualm, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. Het procesverloop

Bij besluit van 8 juni 2011 heeft verweerder appellante een randvoorwaardenkorting van 1% opgelegd op de op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (hierna: Regeling GLB) aan haar voor 2010 te verlenen rechtstreekse betalingen.

Bij besluit van 25 augustus 2011 heeft verweerder het hiertegen gerichte bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 14 september 2011, bij het College per fax binnengekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld.

Bij brief van 19 december 2011 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken toegezonden.

Verweerder heeft desverzocht een nader stuk ingediend.

Op 7 juni 2012 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen door hun gemachtigden werden vertegenwoordigd.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Aan de bij het bestreden besluit gehandhaafde randvoorwaardenkorting van 1% heeft verweerder - kort gezegd - het volgende ten grondslag gelegd.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1760/2000 bestaat ten aanzien van runderen de verplichting tot het binnen zeven werkdagen melden van mutaties aan het I&R-systeem. Inspecteurs van de Algemene Inspectiedienst (AID; inmiddels NVWA) hebben op 16 april 2010 geconstateerd dat appellante één mutatie niet binnen de wettelijke termijn aan het I&R-systeem heeft gemeld. Het rund met identificatiecode NL 5843 7501 9 is op 16 maart 2010 afgemeld, terwijl er een destructiemelding had moeten plaatsvinden. Waarschijnlijk is er sprake geweest van een vergissing. De destructiemelding is op 23 april 2010 alsnog - maar niet tijdig - aan het I&R-systeem gemeld. Dat de korting van 1% voor appellante hoger uitpakt dan voor een landbouwer die minder steunbetalingen ontvangt, neemt niet weg dat iedereen die toeslagrechten heeft en niet aan de randvoorwaarden voldoet, op dezelfde wijze wordt gekort. De betrokken regelgeving laat voorts geen ruimte voor een belangenafweging als bedoeld in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2.2 Appellante heeft het volgende aangevoerd.

Appellante is van mening dat zij het rund met identificatiecode NL 5843 7501 9 wel tijdig heeft gemeld. Op 16 maart 2010 heeft er immers een mutatie van het onderhavige rund richting het I&R-systeem plaatsgehad. Dat dit abusievelijk een verkeerde melding is geweest doet aan de tijdigheid van de melding niet af. Naar de mening van appellante is de foutieve melding er tussendoor geslipt; gelet op het jaarlijks aantal meldingen dat het bedrijf doet is het ook niet zo heel vreemd dat het een keer fout gaat. Gelet op deze omstandigheden begrijpt appellante niet dat de onderhavige kennelijke fout niet is afgedaan onder het mom van “klein akkoord”, net als de overtredingen die op 22 februari 2010 zijn geconstateerd. Duidelijk is dat er sprake is van een vergissing.

Op grond van artikel 54 van Verordening (EG) nr. 1122/2009 dient door de bevoegde controleautoriteit een controleverslag te worden opgesteld. Het verslag dient uit de in artikel 54, eerste lid, onder a, b en c bedoelde gedeelten te bestaan. Appellante vraagt zich af of in het onderhavige geval er wel een evaluatie is gevolgd door de AID. Zij krijgt de indruk dat de evaluatie pas weken later door verweerder heeft plaatsgevonden.

Bovendien suggereert de korting van 1% een zekere belangenafweging. De thans opgelegde korting is buitenproportioneel. Verweerder kan daarbij besluiten in het geheel geen korting op te leggen in de in artikel 54, eerste lid, onder c, van Verordening (EG) nr. 1122/2009 bedoelde gevallen.

2.3.1 Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder appellante terecht een randvoorwaardenkorting van 1% heeft opgelegd wegens het te laat melding maken van de destructie van het rund met identificatiecode

NL 5843 7501 9.

2.3.2 Op grond van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 73/2009 dient de landbouwer die rechtstreekse betalingen ontvangt de in bijlage II bij die verordening genoemde uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen (randvoorwaarden) in acht te nemen. Bijlage II vermeldt bij punt 7 de artikelen 4 en 7 van Verordening (EG) nr. 1760/2000. Artikel 7, eerste lid, tweede gedachtestreepje, van Verordening (EG) nr. 1760/2000 bepaalt - kort gezegd - dat de houder van runderen verplicht is de bevoegde autoriteit van gebeurtenissen ten aanzien van zijn runderen (geboortes, sterftes, verplaatsingen) binnen een door de lidstaat vastgestelde termijn van drie tot zeven dagen in kennis te stellen. Ingevolge artikel 20, eerste lid, van de Regeling identificatie en registratie van dieren (Regeling I&R) bedraagt deze termijn 3 werkdagen. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat hij inzake de randvoorwaardenkortingen voor deze termijn uitgaat van zeven dagen.

Appellante betwist niet dat het door haar gehouden rund met identificatiecode NL 5843 7501 9 op 16 maart 2010 is afgemeld als afgevoerd (naar een ander bedrijf), terwijl er - nu het rund was gestorven - een destructiemelding had moeten plaatsvinden. Naar verweerder stelt en appellante niet betwist is de destructiemelding eerst op 23 april 2010 aan het I&R-systeem doorgegeven. Daaruit volgt dat appellante verweerder niet tijdig in kennis heeft gesteld van het feit dat het betrokken rund was gestorven en ter destructie was aangeboden. Daarmee staat voor het College vast dat appellante een niet-naleving heeft begaan. Niet valt in te zien dat dit anders wordt doordat appellante ten aanzien van dit rund wel tijdig een andere - onjuiste - melding heeft gedaan.

2.3.3 Gelet op het voorgaande bestond er voor verweerder aanleiding appellante op grond van artikel 71 van Verordening (EG) nr. 1122/2009 een korting op te leggen.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet het College geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet overeenkomstig de hier toepasselijke Beleidsregels normenkader randvoorwaarden GLB op het standpunt heeft kunnen stellen dat de niet-naleving zoals hier in geschil, geen niet-naleving van gering belang is in de zin van artikel 24, tweede lid, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 73/2009. Dat eerder - zoals appellante stelt - soortgelijke overtredingen niet hebben geleid tot het opleggen van een korting, noopt niet tot de conclusie dat verweerder ook in het onderhavige geval van het opleggen van een korting diende af te zien. Immers ook als sprake zou zijn van soortgelijke overtredingen die niet hebben geleid tot een korting - het College laat uitdrukkelijk in het midden of dat het geval is - kan dit er niet toe leiden dat verweerder gelet op het vertrouwens- of het gelijkheidsbeginsel in weerwil van de in deze zaak toepasselijke beleidsregels en artikel 71 van Verordening (EG) nr. 1122/2009 diende af te zien van het opleggen van een korting. Voor zover appellante bedoeld heeft te betogen dat verweerder in het licht van artikel 54, eerste lid, onder c, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1122/2009 had moeten afzien van het opleggen van een korting, volgt het College dit betoog niet: gesteld noch gebleken is dat appellante onder de daar bedoelde gevallen geschaard kan worden.

Met juistheid heeft verweerder voorts opgemerkt dat bij de vaststelling van het percentage van de verlaging geen ruimte is voor een belangenafweging op grond van artikel 3:4, tweede lid, Awb (zie onder meer de uitspraak van het College van 22 februari 2012, AWB 11/143; www.rechtspraak.nl, LJN: BV8353). De stelling van appellante dat landbouwers die minder steun ontvangen voor dezelfde niet-naleving een lagere korting krijgen, is gelet op het procentuele karakter van de korting op zichzelf juist, maar betekent niet dat een dergelijke kortingssystematiek reeds daarom onrechtmatig is (zie de uitspraak van het College van 1 juni 2011, AWB 10/299; www.rechtspraak.nl, LJN: BQ7285).

2.3.4 Ten aanzien van haar beroepsgrond inzake het controleverslag van de AID heeft appellante ter zitting verduidelijkt dat zij zich afvraagt of er wel sprake is geweest van een evaluatie van de niet-naleving door AID. Het College overweegt dat op grond van artikel 54, eerste lid, onder c, eerst alinea, van Verordening (EG) nr. 1122/2009 het controleverslag een evaluatiegedeelte dient te bevatten. Dit evaluatiegedeelte dient er blijkens artikel 71, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1122/2009 (uitsluitend) toe om het betaalorgaan in de gelegenheid te stellen te beoordelen of er aanleiding is om het reguliere kortingspercentage van 3% te verlagen (tot minimaal 1%) of te verhogen (tot maximaal 5%). Het College stelt op basis van de door verweerder overgelegde 'Checklist Toepassen randvoorwaarden voor handmatig beoordelen AID rapporten 2010' met zaaknummer 1219640 vast dat verweerder de korting op het laagst mogelijke percentage (1%) heeft bepaald naar aanleiding van een evaluatie door de AID van de niet-naleving. Het College ziet dus geen grond voor de veronderstelling dat de AID heeft nagelaten de niet-naleving van een evaluatie te voorzien.

2.3.5 Appellantes - overigens eerst ter zitting ingenomen - stelling dat zij de onderhavige controle door de AID zelf heeft geïnitieerd, is gespecificeerd noch onderbouwd en door verweerder uitdrukkelijk weersproken. Het College ziet derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder op de voet van artikel 74 in verbinding met artikel 73, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 1122/2009 van een korting had moeten afzien.

2.4 Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M. Munsterman, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van Veen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2012.

w.g. M. Munsterman w.g. M.J. van Veen