Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2012:BX3208

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
06-07-2012
Datum publicatie
01-08-2012
Zaaknummer
AWB 10/459 A
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

ontbreken deugdelijke grondslag goedkeurende accountantsverklaring, art. 22 lid 1 Wtra is niet van toepassing, verjarings-/bewaringstermijn van 7 jaar, geen uitzondering om een langere bewaringstermijn aan te houden, oplegging zwaardere maatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 10/459 6 juli 2012

20010 Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Amsterdam

Uitspraak in de zaak van:

1. A B.V.,

2. B B.V.,

3. C,

4. D, allen te Volendam, appellanten van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam (hierna: de raad van tucht), in de zaak met de nummers R 582 en R 588, gewezen op 25 maart 2010,

gemachtigde: mr. A.J. van Raalte, advocaat te Amsterdam.

1. De procedure

Bij brief, verzonden op 25 maart 2010, heeft de raad van tucht appellanten afschrift toegezonden van evenvermelde beslissing, gegeven op twee klachten, ingediend door appellanten op respectievelijk 19 oktober 2006 tegen E RA (hierna: E) en 17 november 2006 tegen F RA (hierna: F).

Bij een op 17 mei 2010 ingediend beroepschrift hebben appellanten tegen die beslissing beroep bij het College ingesteld.

Bij brief van 25 mei 2010 hebben appellanten de gronden van beroep ingediend.

De secretaris van de accountantskamer heeft bij brief van 26 mei 2010 op de zaak betrekking hebbende stukken doen toekomen aan de griffier van het College.

Bij brief van 5 juli 2010 hebben E en F een verweerschrift ingediend.

Bij beslissing van 8 november 2010 (LJN: BP3874) ex artikel 54f van de Wet op de Registeraccountants (hierna: Wet RA), heeft het College geoordeeld dat de gronden van beroep tijdig zijn ingediend en bepaald dat de behandeling van deze zaak wordt hervat.

Op 15 december 2011 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Aldaar waren aanwezig van de zijde van appellanten hun gemachtigde en D, en van de zijde van E en F, E in persoon, alsmede hun gemachtigden mr. A.F.J.A. Leijten en mr. D.F. Berkhout.

2. De beslissing van de raad van tucht

Bij de bestreden tuchtbeslissing heeft de raad van tucht:

- appellanten in hun klacht voor zover deze betrekking heeft op het handelen en/of nalaten van E en F dat vóór november van het jaar 2000 heeft plaatsgevonden, niet-ontvankelijk verklaard;

- de klacht jegens E voor zover deze betrekking heeft op werkzaamheden inzake de controle van de jaarrekeningen van KIVO over de jaren 2000 tot en met 2002 ongegrond verklaard;

- het eerste en vierde klachtonderdeel, als weergegeven onder 3.2 en 3.5 van de tuchtbeslissing, ongegrond verklaard;

- het tweede en derde klachtonderdeel, als weergegeven onder 3.3 en 3.4 van de tuchtbeslissing, jegens E en F gegrond verklaard;

- aan E en F ter zake de maatregel van schriftelijke waarschuwing opgelegd.

Ter zake van de formulering van de klacht door de raad van tucht, de beoordeling van deze klacht en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden tuchtbeslissing, die in afschrift aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd.

3. De beoordeling van het beroep

3.1 Ter zitting hebben appellanten te kennen gegeven dat het beroep niet langer wordt gehandhaafd voor zover het is gericht tegen de onderdelen van de beslissing van de raad van tucht die betrekking hebben op E.

3.2 Appellanten keren zich in hun brief van 25 mei 2010, bevattende de gronden van beroep, in een grief tegen het oordeel van de raad van tucht dat zij in hun klacht, voor zover deze betrekking heeft op het handelen en/of nalaten van F dat vóór november van het jaar 2000 heeft plaatsgevonden, niet-ontvankelijk zijn verklaard. Daartoe hebben appellanten allereerst betoogd dat de raad van tucht ten onrechte op grond van artikel 22, eerste lid, van de Wet tuchtrechtrechtspraak accountants (hierna: Wtra) een verjaringstermijn van zes jaar heeft toegepast. Voorts hebben appellanten in deze brief gesteld dat F bij de bespreking van de jaarrekeningen van de commanditaire vennootschap Kunststoffen Industrie ‘Volendam’ (hierna: KIVO) van 1994 tot en met 2000 een hem bekende lawyers letter van 29 mei 1995 welbewust aan appellanten heeft onthouden en dat zij daardoor eerst in 2005, naar aanleiding van een eigen onderzoek, op de hoogte raakten van deze brief. Bedoelde termijn is volgens appellanten pas op dat moment gaan lopen.

Aangezien in deze stellingname, nu daarin uitdrukkelijk ook de jaarrekening van 2000 aan de orde is gesteld, ook een tuchtrechtelijk verwijt is vervat dat in het eerste klachtonderdeel, zoals geformuleerd onder 3.2 van de beslissing van de raad van tucht, aan de orde is gesteld, verstaat het College de beroepsgronden aldus, mede gelet op het verhandelde ter zitting, dat appellanten in zoverre met een tweede grief opkomen tegen de ongegrondverklaring van de raad van tucht van dat eerste klachtonderdeel. Deze grief komt er op neer dat de raad van tucht bij dit oordeel ten onrechte voorbij is gegaan aan genoemde lawyers letter. F is hierdoor niet in zijn verdediging is geschaad, nu hij in het verweerschrift van 5 juli 2010 inhoudelijk heeft gereageerd op dit klachtonderdeel en hetgeen daarover door appellanten in beroep is aangevoerd. Ook in zijn pleitnota en bij de verdere behandeling van de zaak ter zitting van het College, is F inhoudelijk op deze kwestie ingegaan.

3.3 Het College zal de tweede grief van appellanten, inhoudende dat de raad van tucht ten onrechte voorbij is gegaan aan genoemde lawyers letter, eerst behandelen en overweegt dienaangaande als volgt.

3.3.1 Ingevolge artikel 11 van de Gedrags- en beroepsregels registeraccountants 1994 (hierna: GBR-1994) doet de registeraccountant slechts mededelingen omtrent de uitkomst van zijn arbeid voor zover zijn deskundigheid en de door hem verrichte werkzaamheden daarvoor een deugdelijke grondslag vormen, en draagt hij er zorg voor dat zijn mededelingen een duidelijk beeld geven van de uitkomsten van zijn arbeid.

3.3.2 In de jaarrekening van KIVO van 2000 staat op bladzijde 30 onder het kopje “NIET UIT DE BALANS BLIJKENDE VERPLICHTINGEN”, de volgende passage vermeld:

"KIVO is in 1994 aangesproken door een aantal buitenlandse bankiers, die allen één of meerdere wissels hebben verzilverd, die in de periode vanaf 1 juli 1993 door KIVO zouden zijn getrokken. De echtheid van deze wissels wordt door de directie van KlVO ten stelligste ontkend. Omdat de verwachting bestaat dat ook de rechter van oordeel zal zijn dat deze

wissels gefalsificeerd zijn, is voor het totaal van deze wissels (een bedrag van circa DM 11.421.000, te vermeerderen met rente en kosten) in de jaarrekening 2000 géén voorziening getroffen."

F heeft voor deze jaarrekening op pagina 37 een goedkeurende accountantsverklaring, gedateerd op 21 augustus 2001, afgegeven waarin, voor zover hier van belang, het volgende staat vermeld:

"Oordeel

Wij zijn van oordeel dat deze jaarrekening een getrouw beeld geeft van de grootte en de samenstelling van het vermogen van de vennootschap op 31 december 2000 en van het resultaat over 2000 in overeenstemming met in Nederland algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving.

Toelichting

Zonder afbreuk te doen aan ons oordeel, vestigen wij de aandacht op de op bladzijde 32 [lees: bladzijde 30] opgenomen niet uit de balans blijkende verplichtingen, waaruit blijkt dat een aantal bankiers in 1994 bij de vennootschap vorderingen heeft ingediend ter zake van door hen verzilverde wissels. De echtheid van deze wissels wordt door de directie ten stelligste ontkend. De aangeboden wissels bedragen totaal DM 11.421.000, te vermeerderen met rente en kosten. Hiervoor is in de balans per 31 december 2000 geen voorziening opgenomen."

3.3.3 Meergenoemde lawyers letter van 29 mei 1995 betreft een, in opdracht van KIVO en haar enig beherend vennoot Exploitatiemaatschappij G B.V. (hierna: G), opgestelde schriftelijke verklaring van advocaat mr. A.R.J. Croiset van Uchelen. Blijkens deze brief heeft deze advocaat onderzocht in hoeverre KIVO, ondanks de verklaring van G dat hij de betreffende wissels niet heeft ondertekend en dat de handtekeningen hierop zijn vervalst, het risico loopt dat de Duitse banken niettemin in rechte betaling van de wissels kunnen afdwingen. De brief vermeldt dat een aantal handschriftkundige onderzoeken die, zowel op verzoek van de betrokken banken als op verzoek van KIVO, hebben plaatsgevonden, uitwijzen dat de handtekeningen niet of nauwelijks van echt zijn te onderscheiden. Slechts in één geval is de deskundige tot het oordeel gekomen dat de handtekeningen waarschijnlijk vervalst zijn. De advocaat wijst er in meergenoemde lawyers letter op dat, gezien de belangrijke rol die de handschriftkundige expertises in de voor de rechtbank Haarlem aanhangig procedures waarschijnlijk zullen spelen en het feit dat deze (tot dan toe) merendeels in het nadeel van KIVO zijn uitgevallen, de Duitse banken in die procedures de beste kansen lijken te hebben. Daartegenover staat, aldus de advocaat, dat KIVO een aantal aanvullende argumenten heeft waarmee zij haar stelling dat de handtekeningen vervalst zijn zou kunnen onderbouwen. Op grond van een en ander schat hij de kans dat KIVO er in slaagt de vorderingen van de Duitse banken afgewezen te krijgen op 50%.

Naar het oordeel van het College is deze lawyers letter op te vatten als een inschatting door een deskundige van een reeël bestaande mogelijkheid dat de claims van de Duitse banken ter zake van de betaling van de wissels in rechte kunnen slagen.

3.3.4 Niet in geschil is dat F van meet af aan van het bestaan van deze lawyers letter op de hoogte was. Daardoor is hij, door (genoemde inschatting in) deze brief niet en de stellige ontkenning van de directie van KIVO ter zake van de echtheid van de wissels wél te vermelden, niet volledig geweest in zijn vorenvermelde toelichting op ‘niet uit de balans blijkende verplichtingen’, voor zover het betreft de kansrijkheid van het in rechte slagen van voornoemde claims van de Duitse banken en de reden waarom te dien aanzien geen voorziening op de (eind)balans van KIVO is opgenomen. De stellige ontkenning van de directie van KIVO (de beherend vennoot G) van de echtheid van de betreffende wissels acht het College reeds in voormelde inschatting van mr. Croiset van Uchelen betrokken, nu laatstgenoemde in zijn brief van die ontkenning melding heeft gemaakt. Gesteld noch gebleken is dat F ten tijde van belang – 21 augustus 2001 – op de hoogte was van het bestaan van andere gegevens die mogelijk een ander licht op die inschatting zouden hebben geworpen. Hij had de inschatting van mr. Croiset van Uchelen dan ook in vorenvermelde toelichting op ‘niet uit de balans blijkende verplichtingen’ moeten vermelden en heeft er – op basis van de motivering dat de echtheid daarvan door de directie van KIVO ten stelligste wordt ontkend en de door deze directie daarbij uitgesproken verwachting dat ook de rechter van oordeel zal zijn dat de wissels gefalsificeerd zijn – ten onrechte mee ingestemd dat in de jaarrekening is vermeld dat voor de wissels geen voorziening is getroffen.

Het vorenstaande wordt niet anders door het door F ingeroepen oordeel van de arbiters in hun vonnis van 27 november 2008 – in een geding tussen appellanten onder 1 en 2 enerzijds en KIVO en beherend vennoot G anderzijds – dat de handtekeningen op de betreffende wissels waarschijnlijk vervalst zijn. Dit arbitrale vonnis, wat daar overigens van zij, is van latere datum dan de hier aan de orde zijnde accountantsverklaring en is dan ook niet van belang voor het oordeel dat F in die verklaring had moeten opnemen.

Op grond van het voorgaande en gelet op de grootte van de potentiële claims van de Duitse banken is het College van oordeel, in het midden gelaten of F een andersoortige accountantsverklaring had moeten afgeven dan zijn goedkeurende accountantsverklaring van 21 augustus 2001, dat deze accountantsverklaring een deugdelijke grondslag ontbeert. Met de aan de ongegrondverklaring van het eerste klachtonderdeel ten grondslag gelegde overweging dat de toelichting in de accountantsverklaring van 21 augustus 2001 bij de jaarrekening 2000 van KIVO adequaat is en aan duidelijkheid niets te wensen overlaat, heeft de raad van tucht aan de lawyers letter kennelijk niet de juiste waarde toegekend.

De tweede grief slaagt derhalve.

3.4 Met betrekking tot de eerste grief ziet het College zich geplaatst voor de beantwoording van de vraag of de raad van tucht terecht toepassing heeft gegeven aan artikel 22, eerste lid, Wtra, waarin, voor zover hier van belang, is bepaald dat een klacht niet in behandeling wordt genomen indien tussen het moment van handelen of nalaten en het moment van indiening van de klacht een periode van zes jaar is verstreken. Het College beantwoordt die vraag ontkennend gelet op het volgende.

In artikel 52, eerste lid, Wtra is, voor zover hier van belang, bepaald dat de raden van tucht gedurende een jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet de zaken afhandelen die op het tijdstip van inwerktreding van deze wet bij hen aanhangig zijn. Zij nemen daarbij de Wet op de Accountants- Administratieconsulenten en de Wet RA in acht zoals deze luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wtra.

Aangezien de onderhavige klacht is ingediend voor de inwerkingtreding van de Wtra – op 1 mei 2009 – volgt uit artikel 52 Wtra dat bij de behandeling daarvan de Wet RA in acht wordt genomen zoals deze voor die datum luidde. Naar het oorde4el van het College verdraagt zich met deze in de Wtra getroffen overgangsregeling niet dat de raad van tucht ten aanzien van deze klacht de in artikel 22 Wtra neergelegde verjaringsregeling toepast. In zoverre slaagt de eerste grief.

Onder de werking van de Wet RA, zoals deze luidde tot 1 mei 2009, geldt volgens vaste jurisprudentie van het College (zie onder meer de uitspraak van 24 juni 2004, AWB 03/700, LJN: AP5962) als uitgangspunt dat een klacht die is ingediend binnen zeven jaar, inhoudelijk moet worden behandeld. Een klacht die is ingediend na zeven jaar kan in afwijking van het vorenstaande uitgangspunt worden behandeld in geval sprake is van een gedraging die een zeer ernstige inbreuk vormt op de eer van de stand der accountants, in het bijzonder indien deze misslag welbewust verborgen wordt gehouden.

Vast staat dat appellanten op 17 november 2006 de klacht tegen F hebben ingediend. Voorts is niet in geschil dat in zowel de jaarrekeningen tot en met het jaar 1999 van KIVO als de daarop betrekking hebbende accountantsverklaringen van F, met betrekking tot genoemde claims van de Duitse bankiers geen melding is gemaakt van de lawyers letter van 29 mei 1995.

Op grond van het vorenstaande heeft de raad van tucht het eerste klachtonderdeel jegens F naar het oordeel van het College ten onrechte niet inhoudelijk behandeld wat betreft de hem verweten gedragingen in de periode 17 november 1999 tot november 2000, in het bijzonder de goedkeurende accountantsverklaring van 21 september 2000 op de jaarrekening 1999 van KIVO.

Derhalve slaagt de eerste grief in zoverre.

Voorts is het College van oordeel dat de aan F verweten gedragingen die hebben plaatsgevonden vóór 17 november 1999 niet, gelet op hetgeen in 3.3.2 tot en met 3.3.4 is overwogen over de goedkeurende accountantsverklaring van 21 augustus 2001 van F, een zodanige ernstige inbreuk op de eer van de stand der accountants vormen dat deze bij wijze van uitzondering ook inhoudelijk moeten worden behandeld. Het College neemt hierbij in aanmerking dat niet aannemelijk is geworden dat F de lawyers letter van 29 mei 1995 welbewust heeft verzwegen.

Derhalve faalt de eerste grief in zoverre.

3.5 Gelet op al het voorgaande en de grieven voorts in samenhang beoordelend, komt het College tot de volgende conclusies wat betreft de klacht van appellanten, voor zover in beroep aan de orde.

Allereerst dienen appellanten in hun klacht, voor zover die betrekking heeft op gedragingen van F die hebben plaatsgevonden vóór 17 november 1999, niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Voorts dient bij de inhoudelijke beoordeling van het eerste klachtonderdeel te worden betrokken de goedkeurende accountantsverklaring van F van 21 september 2000, afgegeven op de jaarrekening 1999 van KIVO. Aangezien in die stukken ter zake de claims van de Duitse bankiers dezelfde passages zijn opgenomen, als hiervoor in 3.3.2 geciteerd, zij het betrekking hebbend op een boekjaar eerder, dient met betrekking tot de accountantsverklaring van 21 september 2000, overeenkomstig hetgeen hiervoor in 3.3.2 tot en met 3.3.4 is overwogen, te worden geoordeeld dat deze evenzeer een deugdelijke grondslag ontbeert.

Derhalve dient het eerste klachtonderdeel gegrond te worden verklaard voor wat betreft het ontbreken van een deugdelijke grondslag van de goedkeurende accountantsverklaringen van F van 21 september 2000 en 21 augustus 2001.

3.6 Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat het beroep van appellanten gegrond is. Dit betekent dat de bestreden tuchtbeslissing, voor zover in beroep aan de orde, moet worden vernietigd. Het College ziet aanleiding de zaak zelf af te doen en verklaart appellanten in hun klacht niet-ontvankelijk en verklaart het eerste klachtonderdeel gegrond in voege als hiervoor in 3.5 is overwogen.

3.7 Ten aanzien van de op te leggen maatregel overweegt het College als volgt. Het College acht de handelwijze die heeft geleid tot de gegrondverklaring van het eerste klachtonderdeel ernstig. F heeft in zijn accountantsverklaringen van 21 september 2000 en 21 augustus 2001 een onvolledig beeld geschetst, hetgeen te meer klemt gelet op de aanzienlijke hoogte van de claims van de Duitse banken en de mogelijke gevolgen van toewijzing daarvan ten tijde van die verklaringen voor KIVO. De raad van tucht heeft reeds het tweede en derde klachtonderdeel jegens F gegrond verklaard met oplegging van de maatregel van schriftelijke waarschuwing. Alles in aanmerking nemend acht het College oplegging van de maatregel van schriftelijke berisping passend en geboden.

3.9 De hierna te melden beslissing berust op Titel II van de Wet RA zoals deze gold vóór 1 mei 2009 en artikel 11 GBR-1994.

4. De beslissing

Het College

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden beslissing van de raad van tucht voor zover in beroep aan de orde;

- verklaart appellanten in hun klacht niet-ontvankelijk voor wat betreft gedragingen van F die vóór 17 november 1999

hebben plaatsgevonden;

- verklaart het eerste klachtonderdeel gegrond voor wat betreft het ontbreken van een deugdelijke grondslag van de

goedkeurende accountantsverklaringen van F van respectievelijk 21 september 2000 en 21 augustus 2001;

- legt F de maatregel van schriftelijke berisping op.

Aldus gewezen door mr. B. Verwayen, mr. E. Dijt en mr. drs. P. Fortuin, in tegenwoordigheid van mr. S.D.M. Michael, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2012.

w.g. B. Verwayen w.g. S.D.M. Michael