Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2012:BX3098

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
17-07-2012
Datum publicatie
31-07-2012
Zaaknummer
AWB 11/468
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Tariefbeschikkingen die niet tot een of meer belanghebbenden zijn gericht dienen overeenkomstig artikel 3:42, tweede lid, Awb te worden bekendgemaakt. Met de toezending van de tariefbeschikkingen aan de Orde van Medisch Specialisten is bereikt dat de kennisgeving daarvan heeft plaatsgevonden op een andere geschikte wijze als bedoeld in deze bepaling. Er bestond geen verplichting de op de zaak betrekking hebbende stukken ingevolge artikel 6:17 Awb aan de gemachtigde te zenden. Het bezwaarschrift is terecht niet-ontvankelijk geoordeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Vijfde enkelvoudige kamer

AWB 11/468 17 juli 2012

13950 Wet marktordening gezondheidszorg

Uitspraak in de zaak van:

de Maatschap KNO van het Martini Ziekenhuis, te Groningen, appellante,

gemachtigde: mr. A.H. Wijnberg, advocaat te Groningen,

tegen

de Nederlandse Zorgautoriteit, verweerster,

gemachtigde: mr. L. Cats.

1. Het procesverloop

Appellante heeft bij brief, bij het College binnengekomen op 9 juni 2011, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerster van 29 april 2011. Bij dit besluit heeft verweerster het bezwaarschrift van appellante tegen de tariefbeschikkingen van 17 november 2010 met de kenmerken 5600-1900-11-1 en 5600-1900-11-2 niet-ontvankelijk verklaard.

Bij brief van 9 augustus 2011 heeft verweerster een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Het College heeft het onderzoek op 22 juni 2012 gesloten. Met toestemming van partijen is een zitting achterwege gebleven.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Bij het bestreden besluit heeft verweerster het bezwaarschrift van appellante niet-ontvankelijk verklaard, aangezien dit buiten de bezwaartermijn van zes weken is ingediend en redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat appellante niet in verzuim is geweest. Verweerster merkt allereerst op dat zij als zelfstandig bestuursorgaan niet tot de centrale overheid behoort en dat zij de tariefbeschikkingen op grond van artikel 3:42, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), op een andere geschikte wijze heeft bekendgemaakt. Verweerster heeft in dit verband aangevoerd dat de betreffende tariefbeschikkingen door toezending aan de Orde van Medisch Specialisten op 17 november 2010 op de voorgeschreven wijze zijn bekendgemaakt, zodat de bezwaartermijn op 18 november 2010 is aangevangen. Daarnaast zijn de tariefbeschikkingen aan de academische en de algemene ziekenhuizen, waaronder het Martini Ziekenhuis, toegezonden en overigens ook op de website van verweerster geplaatst waardoor medisch specialisten in staat zijn gesteld deze zelf te raadplegen. Dat appellante er desondanks niet in geslaagd is de tariefbeschikkingen tijdig te achterhalen, komt voor haar risico, aldus verweerster.

2.2 Appellante heeft betoogd dat de tariefbeschikkingen niet op de voorgeschreven wijze zijn bekendgemaakt door deze toe te zenden aan de Orde van Medisch Specialisten. De bezwaartermijn is daarom niet gaan lopen en van een niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar vanwege een termijnoverschrijding kan geen sprake zijn. Voor zover het College van oordeel is dat de tariefbeschikkingen wel op de voorgeschreven wijze zijn bekendgemaakt, is de termijnoverschrijding volgens appellante verschoonbaar te achten. Er is actief geprobeerd de tariefbeschikkingen te achterhalen. De tariefbeschikkingen zijn op 15 december 2010 per e-mail onder meer bij verweerster opgevraagd. Aangezien verweerster niet op deze e-mail heeft gereageerd, behoren de gevolgen hiervan voor haar rekening te komen.

2.3 Onder verwijzing naar de uitspraak van het College van 13 juli 2011 (AWB 10/960 e.a. <www.rechtspraak.nl> LJN: BT1721), met name rechtsoverweging 4.1.3, overweegt het College dat tariefbeschikkingen zoals de onderhavige die niet tot een of meer belanghebbenden zijn gericht overeenkomstig artikel 3:42, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dienen te worden bekendgemaakt. Met de toezending van de tariefbeschikkingen aan de Orde van Medisch Specialisten op 17 november 2010 heeft verweerster bereikt dat de kennisgeving daarvan heeft plaatsgevonden op een andere geschikte wijze als bedoeld in deze bepaling. Gelet hierop is de bezwaartermijn ingevolge artikel 6:8, eerste lid, Awb aangevangen op 18 november 2010 en geƫindigd op 29 december 2010. Het bezwaarschrift van appellante is na afloop van deze termijn bij brief van 18 januari 2011 bij verweerster ingediend.

Hetgeen appellante over het opvragen van de tariefbeschikkingen bij verweerster heeft betoogd biedt geen aanknopingspunt voor het oordeel dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat zij in verzuim is geweest. Voorop moet worden gesteld dat de tariefbeschikkingen zoals hiervoor is overwogen op de voorgeschreven wijze zijn bekendgemaakt. Voor zover het betoog van appellante aldus moet worden begrepen dat verweerster in haar optiek op voet van artikel 6:17 Awb een afschrift van de tariefbeschikkingen aan haar gemachtigde had moeten zenden, overweegt het College het volgende. Op 15 december 2010 heeft de gemachtigde van appellante een e-mail aan verweerster gestuurd. De e-mail betrof een algemeen verzoek om informatie aan verweerster en gaf er geen blijk van dat de afzender, de gemachtigde in deze, destijds als vertegenwoordiger van appellante optrad in een specifieke procedure. Reeds hierom bestond er geen verplichting voor verweerster om ingevolge artikel 6:17 Awb de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de gemachtigde te zenden. Dat appellante en haar gemachtigde kennelijk niet binnen de bezwaartermijn in staat zijn geweest om bij de Orde van Medisch Specialisten, intern binnen het Martini Ziekenhuis of via de website van verweerster de tariefbeschikkingen te achterhalen, betreft een omstandigheid die tot de risicosfeer van appellante behoort en niet kan leiden tot een verschoonbare termijnoverschrijding.

2.4 Gezien het vorenstaande heeft verweerster het bezwaarschrift van appellante terecht niet-ontvankelijk geoordeeld. Het beroep dient ongegrond te worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir, in tegenwoordigheid van mr. B.S. Jansen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2012.

w.g. H.A.B. van Dorst-Tatomir w.g. B.S. Jansen