Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2012:BX1256

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
10-07-2012
Datum publicatie
12-07-2012
Zaaknummer
AWB 11/699
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wet tuchtrechtspraak accountants

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 11/699 10 juli 2012

20150 Wet tuchtrechtspraak accountants

Uitspraak op het hoger beroep van:

A, te X, appellant van een uitspraak van de accountantskamer van 15 augustus 2011, met nummer 10/1581 Wtra AK.

gemachtigde: mr. G. van Atten, advocaat te Amsterdam.

1. Het procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft bij brief van 30 augustus 2011, bij het College binnengekomen op diezelfde datum, hoger beroep ingesteld tegen bovenvermelde uitspraak van de accountantskamer, gegeven op een klacht, op 14 september 2010 door B (hierna: klager) ingediend tegen appellant.

De accountantskamer heeft bij brief van 4 oktober 2011 de stukken doen toekomen aan de griffier van het College.

Appellant heeft bij brief van 14 november 2011 de gronden van het beroep ingediend.

Bij brief van 15 november 2011 heeft de voorzitter van het Koninklijk Nederlands Instituut van Registeraccountants (hierna: NIVRA), met toepassing van het bepaalde in artikel 44, eerste lid, onder c, van de Wet tuchtrechtspraak accountants (hierna: Wtra) het College verzocht bij wijze van voorziening de inschrijving van appellant in het register, bedoeld in artikel 1, onder j, Wtra tijdelijk door te halen in afwachting van de uitspraak op het hoger beroep.

Bij brief van 19 januari 2012 heeft klager een reactie op het beroepschrift ingediend.

Bij brief van 9 februari 2012 heeft klager een stuk ingediend.

Bij brief van 10 februari 2012 heeft appellant nadere stukken toegezonden.

Bij brief van 15 februari 2012 heeft appellant aanvullende stukken toegezonden.

Bij faxbericht van 16 februari 2012 is appellant vanwege het College te kennen gegeven dat de door hem bij brief van 15 februari 2012 ingediende stukken zijn ingediend binnen de daarvoor gestelde termijn van tien dagen voor de zitting en zelfs binnen de termijn voor het ter inzage leggen van stukken. Daarbij is appellant medegedeeld dat, aangezien hij niet duidelijk maakt waarom deze stukken van belang zijn voor de behandeling van het beroep ter zitting en hij evenmin toelicht waarom deze stukken pas zo kort voor de zitting zijn toegezonden, het College uit een oogpunt van een goede procesorde geen aanleiding ziet de stukken aan het dossier toe te voegen en dat deze ter zitting aan hem zullen worden geretourneerd.

Op 21 februari 2012 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad ter zake van zowel het verzoek om voorziening van de voorzitter van het NIVRA als het hoger beroep van appellant.

Appellant is daar verschenen, bijgestaan door zijn hierboven genoemde gemachtigde. Klager is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. M. Rebel, advocaat te Renswoude.

In verband met de behandeling van het verzoek om voorziening is namens de voorzitter van het NIVRA verschenen mr. A.M. Manshande-Nonhof, werkzaam bij het NIVRA.

De brief van 15 februari 2012 en de bijbehorende producties zijn ter zitting aan appellant geretourneerd.

Bij uitspraak van 13 maart 2012 (AWB 11/1002; www.rechtspraak.nl, LJN: BV8615) heeft het College het verzoek om voorziening afgewezen.

2. De uitspraak van de accountantskamer

Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klacht gedeeltelijk niet-ontvankelijk, gedeeltelijk ongegrond en gedeeltelijk gegrond verklaard en aan appellant de maatregel van doorhaling van de inschrijving in het register, bedoeld in artikel 1, onder j, Wtra opgelegd. Daarbij heeft de accountantskamer bepaald dat appellant niet binnen tien jaren opnieuw in het register kan worden ingeschreven.

Ter zake van de formulering van de klacht door de accountantskamer, de beoordeling van deze klacht en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak (www.tuchtrecht.nl, LJN: YH0190), die als hier ingelast wordt beschouwd.

3. De beoordeling van het hoger beroep

3.1 Appellant heeft in de periode van 1998 tot 2009 accountantswerkzaamheden verricht voor het bedrijf van klager, bestaande uit het samenstellen van de jaarrekeningen en het verzorgen van de aangifte inkomstenbelasting (hierna ook: IB).

In 2002 zijn appellant en klager een samenwerking aangegaan met als doel het gezamenlijk aankopen en verhuren van panden aan studenten. In de periode 2002 tot en met 2008 hebben zij zesentwintig panden aangekocht, waarvan één - het pand Samuel Mullerplein - samen met C.

Appellant en klager hebben in oktober 2007 de vennootschap “Zeer Goed Beheer Nederland B.V.” opgericht (in de stukken ook wel aangeduid als “de gezamenlijkheid”, hierna: ZGB), waarvan zij beiden bestuurder waren en ieder voor 50% de aandelen in bezit hadden. Door ZGB werden onderhouds- en verbouwingswerkzaamheden aan de panden uitgevoerd. In 2009 is tussen appellant en klager onenigheid ontstaan. Appellant heeft medio maart 2011 surseance van betaling aangevraagd voor ZGB. Per 7 april 2011 is het faillissement van ZGB uitgesproken.

3.2 Appellant bestrijdt niet de weergave van de klachtonderdelen door de accountantskamer, zodat deze weergave voor het College als uitgangspunt geldt voor de beoordeling van het hoger beroep.

De klachtonderdelen, voor zover deze door de accountantskamer gegrond zijn verklaard en appellant daartegen hoger beroep heeft ingesteld, houden in dat appellant:

- klager onjuist en onvolledig heeft geïnformeerd en geadviseerd over beleggingen

die zij samen zouden gaan doen en ook daadwerkelijk hebben gedaan

(klachtonderdeel I);

- heeft nagelaten de afspraken, de wijze van inbreng en verdeling en dergelijke op

schrift te stellen en dit, ondanks herhaald verzoek daartoe, weigert alsnog te doen

(klachtonderdeel II);

- de ondernemingsactiviteiten van klager ten onrechte heeft verwerkt in box 3 in

plaats van in box 1 in de IB-aangiftes van klager, omdat klager veel

werkzaamheden heeft verricht aan de panden om ze rendabel te krijgen;

(klachtonderdeel III);

- klager onheus, onprofessioneel en belastend bejegent (klachtonderdeel VII)

- klager schade heeft berokkend doordat hij zijn verplichtingen uit de samenwerking

niet nakomt (klachtonderdeel VIII);

- aan degene die werkzaamheden had verricht inzake de verbouwing van een pand

van klager en appellant aan de Berkelstraat in Utrecht, heeft verzocht facturen op te

stellen waarbij de BTW is verlegd en opdracht heeft gegeven om bij bestellingen

van materialen voor de verbouwing van dat pand in de Berkelstraat, bij de

leveranciers de referenties op te geven van panden in de Adelboldstraat en de

Bernard de Waalstraat (één van de nadere klachtonderdelen in de brief van de

raadsman van klager van 29 december 2010 aan de accountantskamer; hierna ook

wel aangeduid als: het nadere klachtonderdeel).

3.3 Het College stelt vast dat de accountantskamer onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 22, eerste lid, Wtra, de klacht niet-ontvankelijk heeft verklaard voor zover het aan appellant verweten gedrag heeft plaatsgehad meer dan zes jaar voor het indienen van het klaagschrift - 16 september 2010 - dan wel meer dan drie jaren voor die datum door klager als tuchtrechtelijk verwijtbaar is geconstateerd. De accountantskamer heeft 16 september 2007 aangemerkt als datum vanaf wanneer het handelen van appellant inhoudelijk wordt beoordeeld.

Aangezien klager geen hoger beroep heeft ingesteld en appellant dit oordeel van de accountantskamer in zijn hoger beroep niet bestrijdt, is in de procedure bij het College alleen het handelen van appellant aan de orde voor zover dat heeft plaatsgevonden vanaf 16 september 2007.

3.4 Appellant heeft aangevoerd dat bij de beoordeling van de gronden van het hoger beroep als uitgangspunt dient te gelden dat de klachten niet gaan over zijn handelen of nalaten in zijn hoedanigheid van accountant, maar juist gaan over de samenwerking tussen partijen en de overeengekomen wederzijdse verplichtingen, welke verplichtingen hij is aangegaan als privé-persoon. Ter zitting heeft appellant in dit verband betoogd dat geen sprake is van beroepsmatig handelen zoals bedoeld in artikel 33 van de Wet op de Registeraccountants (hierna: Wet RA).

Het College overweegt hieromtrent als volgt.

3.4.1 Vooropgesteld dient te worden dat de samenwerking tussen appellant en klager ter zake van het gezamenlijk aankopen en verhuren van panden plaatsvond in de periode dat appellant voor het bedrijf van klager de jaarrekening samenstelde en de aangifte inkomstenbelasting verzorgde. Van de hiervoor onder 3.2 genoemde klachtonderdelen hebben de klachtonderdelen I en III betrekking op handelen dan wel nalaten van appellant in zijn hoedanigheid van (openbaar) accountant. De overige daar genoemde klachtonderdelen betreffen de samenwerking tussen klager en appellant.

Het College is van oordeel dat de in het kader van deze samenwerking door appellant verrichte werkzaamheden zodanig zijn verweven met zijn werkzaamheden als accountant, dat ook de werkzaamheden in het kader van de samenwerking, mede gelet op het karakter daarvan, moeten worden aangemerkt als beroepsmatig handelen als bedoeld in artikel 33 Wet RA.

3.4.2 Met betrekking tot het toetsingskader voor de beoordeling van het hoger beroep overweegt het College het volgende.

Aangezien het handelen dan wel nalaten van appellant waarop de hier in geding zijnde klachtonderdelen betrekking hebben, heeft plaatsgevonden ná 1 januari 2007, dient dit te worden beoordeeld aan de hand van de met ingang van deze datum geldende Verordening gedragscode (hierna: VGC). Het handelen dan wel nalaten van appellant dat onderwerp is van de klachtonderdelen I en III betreft het handelen van appellant als openbaar accountant, zodat hierop deel A en deel B van de VGC van toepassing zijn. Voor de overige klachtonderdelen, die zien op de werkzaamheden van appellant in het kader van de samenwerking tussen klager en appellant, wordt appellant aangemerkt als accountant in business. Hierop zijn deel A en deel C van de VGC van toepassing.

3.5 Ten aanzien van de door appellant naar voren gebrachte grieven overweegt het College als volgt.

3.6 Appellant bestrijdt met zijn eerste grief het oordeel van de accountantskamer in het kader van klachtonderdeel I dat hij in zijn hoedanigheid van openbaar accountant het fundamentele beginsel van objectiviteit als bedoeld in artikel A-100.4, onder b, VGC niet heeft nageleefd.

Appellant betoogt dat hij, anders dan de accountantskamer heeft geoordeeld, wel degelijk heeft gehandeld volgens artikel B1-210.6 VGC en zich ieder jaar heeft afgevraagd of de klantrelatie met de eenmanszaak van klager kon worden doorgezet. Hij stelt dat de accountantswerkzaamheden voor de eenmanszaak en zijn samenwerking met klager strikt gescheiden zijn en altijd gescheiden zijn gehouden en dat hij nooit enige aanleiding heeft gehad om aan te nemen dat sprake was van een bedreiging door belangenverstrengeling.

Ter zitting heeft appellant verklaard dat het ‘niet handig was’ om met zijn cliënt op substantiële schaal investeringen te doen en dat het niet juist is om, als er dan een geschil ontstaat, tegelijkertijd een jaarrekening te moeten vaststellen of een belastingaangifte te moeten doen.

3.6.1 Het College is evenals de accountantskamer van oordeel dat uit hetgeen appellant heeft aangevoerd niet blijkt dat hij zich rekenschap heeft gegeven van het feit dat - door naast het verrichten van accountantswerkzaamheden voor de eenmanszaak van klager, tevens samen met klager te beleggen in onroerend goed - sprake was van een mogelijke aantasting van zijn professioneel of zakelijk oordeel vanwege belangentegenstelling, hetgeen een bedreiging van de naleving van het fundamentele beginsel van objectiviteit oplevert. Niet is gebleken of aannemelijk geworden dat appellant tegen die bedreiging – die van niet te verwaarlozen betekenis was – enige waarborg heeft getroffen. Appellant heeft weliswaar in 2009 aan klager gemeld dat hij hem niet kon adviseren over de aankoop van een huis, maar appellant had naar het oordeel van het College al eerder, en wel reeds vanaf de start van de samenwerking, waarborgen moeten treffen, bijvoorbeeld door klager voor wat betreft de accountantswerkzaamheden voor diens eenmanszaak te verwijzen naar een andere accountant.

Het College is gelet op het vorenstaande met de accountantskamer van oordeel dat appellant het fundamentele beginsel van objectiviteit als bedoeld in artikel A-100.4, onder b, VGC niet in acht heeft genomen.

De eerste grief faalt.

3.7 De derde en vijfde grief lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Met betrekking tot die grieven overweegt het College het volgende.

3.7.1 De derde grief van appellant stelt dat de accountantskamer in het kader van klachtonderdeel I ten onrechte heeft overwogen dat hij, door niet te zorgen voor een behoorlijke (schriftelijke) vastlegging van zijn samenwerkingsverband met klager, het fundamentele beginsel van professioneel gedrag als bedoeld in artikel A-100.4, onder e, VGC heeft geschonden en overigens ook in strijd met artikel C-320.3 van de VGC heeft gehandeld.

Appellant bestrijdt dat niets schriftelijk is vastgelegd. Hij voert aan dat op zijn verzoek bij de aankoop van de eerste vijf panden een voorkeursrecht tot overname is vastgelegd in de leveringsakten, inhoudende dat als één van beide partijen panden wil verkopen de ander het deel moet overnemen ofwel moet meewerken aan de verkoop. Na de aankoop van de eerste vijf panden is deze regeling niet meer opgenomen omdat, zo stelt appellant, de panden op dat moment niet verkoopbaar waren in verband met de hoge boeterentes. Appellant verwijst verder naar door hem bijgehouden overzichten van de wijze van financiering van de aangekochte panden, overzichten van de resultaten van de panden en overzichten van de gezamenlijke bankrekeningen en (hypothecaire) geldleningen.

Subsidiair betwist appellant dat uitsluitend hij gehouden zou zijn iets op schrift te stellen en klager niet. Volgens hem zijn zij beiden debet aan het ontbreken van een schriftelijke vastlegging van de afspraken van het samenwerkingsverband. Daarbij had geen van beiden de eerste jaren behoefte aan schriftelijke vastlegging omdat alles op basis van goed vertrouwen ging.

Met zijn vijfde grief komt appellant op tegen de gegrondverklaring van klachtonderdeel II, inhoudende dat hij heeft nagelaten de afspraken, de wijze van inbreng en verdeling en dergelijke op schrift te stellen, en weigert dit desgevraagd alsnog te doen.

Appellant stelt dat hij niet heeft nagelaten de noodzakelijke punten betreffende de samenwerking op schrift te stellen. Hij verwijst daartoe onder meer naar hetgeen hij bij de derde grief heeft aangevoerd. Appellant merkt op dat op het moment dat personeel in dienst kwam ervoor is gekozen een besloten vennootschap op te richten (ZGB) en dat in de statuten daarvan een en ander is geregeld.

3.7.2 Het College is van oordeel dat, wat er ook zij van de stelling van klager dat er al personeel in dienst was voordat ZGB werd opgericht, er in ieder geval bij de oprichting van ZGB een deugdelijke schriftelijke vastlegging van de samenwerking tussen klager en appellant had moeten zijn. Daarvan is niet gebleken.

Gezien de achtergrond van appellant als registeraccountant en als degene die – naar hij stelt – administratieve taken zou vervullen binnen de samenwerking, had het naar het oordeel van het College op de weg van appellant gelegen zorg te dragen voor een schriftelijke vastlegging daarvan. De verwijzing van appellant naar de statuten van ZGB is in dit verband onvoldoende, en ook de door appellant overgelegde overzichten bieden in dit opzicht geen duidelijkheid, nog daargelaten dat de overzichten zijn opgesteld in 2010. Appellant heeft ter zitting desgevraagd erkend dat over de taken en verantwoordelijkheden van klager en hemzelf binnen de samenwerking, niets op schrift is gesteld.

Gelet op het vorenstaande is het College van oordeel dat appellant, door niet te zorgen voor een behoorlijke (schriftelijke) vastlegging van zijn samenwerkingsverband met klager, het fundamentele beginsel van professioneel gedrag als bedoeld in artikel A-100.4, onder e, VGC heeft geschonden.

De derde en vijfde grief slagen niet.

3.8 De tweede en vierde grief lenen zich eveneens voor gezamenlijke behandeling. Met betrekking tot die grieven overweegt het College het volgende.

3.8.1 Met zijn tweede grief voert appellant aan dat de accountantskamer in het kader van de beoordeling van klachtonderdeel I ten onrechte heeft overwogen dat hij onvoldoende inzicht heeft gegeven in de administratie van de samenwerking alsmede dat hij onvoldoende verantwoording hieromtrent heeft afgelegd. Appellant voert in dit verband aan dat tussen partijen nooit is overeengekomen dat hij de (volledige) boekhouding zou bijhouden en dat hij klager altijd op de hoogte heeft gehouden van de administratie van de samenwerking. Hij betwist dat hij op een andere wijze rekening en verantwoording had moeten afleggen.

Met zijn vierde grief stelt appellant dat de accountantskamer in het kader van de beoordeling van klachtonderdeel I ten onrechte heeft overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat hij periodiek een financieel overzicht heeft vervaardigd en aan zijn zakenpartner heeft doen toekomen. Appellant stelt dat hij klager wel degelijk periodiek op de hoogte hield van de financiën met betrekking tot de samenwerking. Appellant stelt in dit verband dat het bijhouden van de administratie werd bemoeilijkt door het handelen van klager.

3.8.2 Het College stelt voorop dat het ontbreken van een expliciete afspraak tussen partijen omtrent de wijze waarop appellant de administratie van de samenwerking zou inrichten, onverlet laat dat van appellant, die – naar hij stelt – administratieve taken binnen de samenwerking zou vervullen, als accountant mag worden verwacht dat hij zorgdraagt voor een toereikende administratie van de samenwerking. De stukken die door appellant zijn overgelegd geven daar geen blijk van. De informatie die door appellant is verstrekt is fragmentarisch en niet compleet.

Dat het bijhouden van de administratie werd bemoeilijkt door het handelen van klager, zoals appellant aanvoert, is door appellant niet aannemelijk gemaakt. De stelling dat hij vaak lang moest wachten op een urenverantwoording van de werknemers, waarbij appellant verwijst naar e-mailcorrespondentie van november 2009 omtrent urenlijsten die zien op het pand Samuel Mullerplein, verklaart – wat daar ook van zij – niet waarom de administratie ter zake van de andere panden binnen de samenwerking niet toereikend is.

3.8.3 Appellant heeft aangevoerd dat hij klager altijd op de hoogte heeft gehouden van de administratie met betrekking tot de samenwerking door – aanvankelijk in papier en later via e-mail – het verstrekken van door hem bijgehouden overzichten. Appellant heeft in dit verband gewezen op zijn e-mail van 13 oktober 2009 waarbij hij overzichten heeft toegezonden aan klager. Voorts heeft hij aangevoerd dat hij klager in november 2009 de volledige administratie over de jaren 2002 tot en met 2008, bestaande uit dertig ordners, heeft meegegeven nadat klager daarom had gevraagd.

Klager heeft in reactie hierop aangevoerd dat hij voor oktober 2009 dergelijke overzichten niet heeft ontvangen en dat de informatie die appellant verstrekte onvoldoende was om een goed beeld van de gezamenlijkheid, de kosten en de rendementen te verkrijgen.

3.8.4 Het College stelt vast dat appellant geen stukken heeft overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat hij klager al vóór oktober 2009 overzichten heeft verstrekt van de samenwerking. De door appellant overgelegde stukken geven voorts volstrekt onvoldoende inzicht in de financiële situatie van de samenwerking.

Het College is gelet op het vorenstaande van oordeel dat appellant onvoldoende inzicht heeft gegeven in de administratie van de samenwerking en onvoldoende verantwoording hieromtrent heeft afgelegd. Gelet hierop heeft appellant gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van deskundigheid en zorgvuldigheid als bedoeld in artikel A-100.4, onder c, VGC.

De tweede en vierde grief slagen niet.

3.9 Met zijn zesde grief voert appellant aan dat de accountantskamer – bij de beoordeling van klachtonderdeel III – ten onrechte heeft overwogen dat in het midden kan blijven of de (inkomsten uit) de werkzaamheden van klager in diens aangifte inkomstenbelasting in

box 1 of in box 3 moesten worden verantwoord, reeds omdat appellant heeft nagelaten bij de fiscus te rade te gaan en/of gedegen (schriftelijk) advies van een ter zake deskundige in te winnen en daardoor het fundamentele beginsel van deskundigheid en zorgvuldigheid als bedoeld in artikel A-100.4 onder c. juncto B1-210.7, 210.8 en 210.9 van de VGC heeft geschonden.

Appellant bestrijdt dat hij niet deskundig en zorgvuldig zou hebben gehandeld. Hij betoogt dat de artikelen B1-210.7, 210.8 en 210.9 VGC betrekking hebben op het aanvaarden van een opdracht, en deze in dit geval, waar geen sprake is van een opdracht, buiten beschouwing dienen te worden gelaten. De verantwoording van de panden in box 3 is volgens appellant niet onjuist en al sinds 2002 door de Belastingdienst geaccepteerd. De overweging van de accountantskamer dat het aan hem is toe te rekenen dat hij geen deskundige heeft geraadpleegd acht appellant onbegrijpelijk daar hij zelf deskundig is op dit gebied.

3.9.1 Het College is van oordeel dat niet zonder meer duidelijk is dat de keuze van appellant om de resultaten uit de exploitatie van de panden in de aangifte inkomstenbelasting van klager steeds te verantwoorden in box 3 juist is. Gelet hierop had het op de weg van appellant gelegen om op dit punt te rade te gaan bij de Belastingdienst dan wel advies in te winnen van een ter zake deskundige, te meer nu de verantwoording in box 3 een belangrijke rol speelde in de samenwerking met klager en deze keuze van aanzienlijk belang was voor de financiële positie van klager. Door dit na te laten heeft appellant gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van deskundigheid en zorgvuldigheid als bedoeld in artikel A-100.4, onder c, VGC.

De zesde grief faalt.

3.10 De zevende grief van appellant is gericht tegen het oordeel van de accountantskamer ter zake van klachtonderdeel VII, inhoudende dat het betrekken van andere cliënten bij zijn zakelijke activiteiten, waarover hij met klager (ook een cliënt van hem) in conflict was, een onaanvaardbare aantasting van het fundamentele beginsel van objectiviteit als bedoeld in artikel A-100.4, onder b, VGC vormt, en dat het voorts als zeer onprofessioneel en schadelijk voor de goede naam van het accountantsberoep – en aldus in strijd met het fundamentele beginsel van professioneel gedrag als bedoeld in artikel A-100.4, onder e, VGC – moet worden aangemerkt dat appellant die andere cliënten heeft ingelicht over de problemen die hij met klager had, nog daargelaten de bewoordingen waarin hij dat heeft gedaan, en dat appellant met zijn e-mail van 4 december 2009 aan de advocaat van klager heeft gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van integriteit als bedoeld in artikel A-100.4, onder a, VGC.

Appellant erkent dat hij C en D op de hoogte heeft gesteld van het geschil met klager, maar acht dit niet onbegrijpelijk, omdat klager en hij met C panden in gezamenlijk eigendom hadden en zij geld hadden geleend van zowel C als D. Klager had volgens appellant laten weten op geen enkele wijze een oplossing te willen zoeken voor de aflossing van de schulden en dit aan appellant overgelaten. Volgens appellant was ook D een van de geldschieters van de samenwerking en heeft hij hen een onderhandse geldlening verstrekt. Klager betwist in zijn reactie op het beroepschrift dat partijen geld hebben geleend van D.

3.10.1 Het College is met de accountantskamer van oordeel dat appellant, door – in elk geval – C die eveneens een cliënt van hem was, te betrekken bij de zakelijke activiteiten die hij reeds samen met klager ontplooide, heeft gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van objectiviteit als bedoeld in artikel A-100.4, onder b, VGC.

Het College overweegt voorts dat de reden die appellant aangeeft voor het informeren van C en D over zijn geschil met klager, namelijk dat hij zich vanwege de samenwerking met C en, naar is gesteld, D, genoodzaakt zag hen te informeren over de ontstane situatie, onverlet laat dat hij deze personen – die beiden ook cliënten van hem waren – niet op de hoogte had mogen stellen van zijn geschil met klager.

Met de accountantskamer is het College van oordeel dat appellant daarmee heeft gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van professioneel gedrag als bedoeld in artikel

A-100.4, onder e, VGC.

3.10.2 Ten aanzien van de e-mail van appellant van 4 december 2009 aan de advocaat van klager

overweegt het College als volgt.

In deze e-mail, die in kopie aan klager is gestuurd, heeft appellant onder meer het volgende medegedeeld:

“ Door C is aan B en mijzelf een hypothecaire geldlening verstrekt groot Euro 200.000,-. Deze lening loopt af op 4 januari 2010. Ikzelf ben bereid mijn gedeelte (Euro 100.000,-) af te lossen door een nieuwe lening aan te gaan met een cliënt van mij. Gaarne verneem ik hoe B zijn gedeelte denkt af te lossen.”

Deze e-mail is geschreven in reactie op een brief van de advocaat van klager van 3 december 2009 naar aanleiding van de mededeling van appellant dat de samenwerking zou moeten worden beëindigd en de gezamenlijke onroerend goed portefeuille zou moeten worden gesplitst. In deze brief wordt appellant gesommeerd administratieve stukken – met name de volledige kasadministratie – af te geven, bij het uitblijven waarvan rechtsmaatregelen worden aangekondigd.

Tegen deze achtergrond en in aanmerking nemende de verdere inhoud van de e-mail heeft de hierboven weergegeven passage naar het oordeel van het College niet slechts de betekenis van een voorstel, zoals appellant stelt, maar heeft appellant met deze tekst duidelijk gemaakt dat klager zelf zijn deel van het probleem diende op te lossen. Het College is met de accountantskamer van oordeel dat dit optreden van appellant in strijd is met het fundamentele beginsel van integriteit als bedoeld in artikel A-100.4, onder a, VGC.

De zevende grief faalt.

3.11 Met zijn achtste grief stelt appellant dat de accountantskamer in het kader van de beoordeling van klachtonderdeel VIII ten onrechte heeft geoordeeld dat hij door het zenden van facturen aan klager niet eerlijk en oprecht zaken heeft gedaan en daarmee in strijd heeft gehandeld met het fundamentele beginsel van integriteit als bedoeld in artikel A-100.4, onder a, VGC.

Appellant stelt dat sprake was een stilzwijgende afspraak tussen hem en klager die zag op het over en weer niet sturen van facturen voor werkzaamheden ten behoeve van de gezamenlijkheid. De accountantskamer is er volgens appellant ten onrechte van uitgegaan dat de door hem uitgereikte facturen betrekking hebben op de gezamenlijkheid. Deze facturen hebben volgens appellant alleen betrekking op zijn werkzaamheden voor de onderneming van klager.

Volgens appellant was er een stilzwijgende afspraak dat klager het gehele woonhuis van appellant zou schilderen en dat appellant pas facturen zou gaan sturen voor zijn werkzaamheden als accountant ten behoeve van de eenmanszaak van klager nadat zijn woonhuis zou zijn geschilderd. Omdat de schilderwerkzaamheden uiteindelijk zijn uitgebleven is hij met terugwerkende kracht facturen gaan verzenden.

3.11.1 Het College stelt vast dat klager en appellant ter zitting hebben erkend dat is afgesproken dat zij voor hun werkzaamheden voor de gezamenlijkheid niet zouden factureren. De facturen die appellant heeft gestuurd zien op de aangiften IB voor klager en het opstellen van de jaarrekeningen voor diens eenmanszaak. Aangezien appellant pas na zeer lange tijd een factuur heeft gestuurd voor deze werkzaamheden heeft het er de schijn van dat ook ten aanzien van deze werkzaamheden een afspraak bestond om geen facturen te sturen. Appellant is hier kennelijk later van teruggekomen en heeft klager alsnog facturen gestuurd voor aangiften IB voor klager en voor het opstellen van jaarrekeningen voor diens eenmanszaak.

Naar het oordeel van het College valt niet zonder meer in te zien dat de hierboven omschreven handelwijze van appellant, gelet op de conflictueuze situatie die inmiddels tussen hem en klager was ontstaan – mede in aanmerking genomen dat omtrent de gang van zaken destijds geen volledige duidelijkheid bestaat – als niet eerlijk en oprecht dient te worden gekwalificeerd in een mate die leidt tot schending van het fundamentele beginsel van integriteit. Naar het oordeel van het College is dit klachtonderdeel dan ook ten onrechte gegrond verklaard.

De achtste grief slaagt.

3.12 Met zijn negende grief bestrijdt appellant het oordeel van de accountantskamer bij de beoordeling van het nadere klachtonderdeel dat appellant aan degene die werkzaamheden had verricht inzake de verbouwing van een pand aan de Berkelstraat in Utrecht, heeft verzocht facturen op te stellen waarbij de BTW is verlegd, en opdracht heeft gegeven om bij bestellingen van materialen voor de verbouwing van dat pand in de Berkelstraat bij de leveranciers de referenties op te geven van panden in de Adelboldstraat en de Bernard de Waalstraat, en dat hij aldus niet eerlijk zaken heeft gedaan en zich niet heeft gehouden aan de voor hem relevante wet- en regelgeving en daarmee de fundamentele beginselen van integriteit en professioneel gedrag als bedoeld in artikel A-100.4, onder a en e, VGC heeft geschonden.

Appellant stelt dat de overweging van de accountantskamer is gebaseerd op een verklaring E, die een vriend is van klager en werkzaamheden verrichtte voor zowel de eenmanszaak als de gezamenlijkheid. Appellant betwist de inhoud van de verklaring van E. Hij stelt dat hij E heeft uitgelegd dat deze BTW zou kunnen verleggen als deze werkzaamheden zou verrichtten voor de eenmanszaak van klager. Hij ontkent dat hij E heeft gezegd dat deze ook BTW zou kunnen verleggen als hij werkzaamheden zou verrichtten voor de gezamenlijkheid.

Appellant onderschrijft het oordeel van de accountantskamer dat de fiscus met een bedrag van € 3.895,-- is benadeeld, maar ontkent dat dit op zijn verzoek is gedaan.

Hij stelt dat dit hem in eerste instantie niet is opgevallen en dat hij, zodra hij dit ontdekte, klager heeft verzocht hem de facturen van E te doen toekomen.

3.12.1 Het College is van oordeel dat op basis van hetgeen partijen hebben verklaard niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat appellant heeft verzocht facturen op te stellen waarbij de BTW is verlegd dan wel dat hij opdracht heeft gegeven om bij bestellingen onjuiste referenties van panden op te geven, zoals hiervoor onder 3.12 is beschreven.

Mitsdien wordt geoordeeld dat de accountantskamer ten onrechte tot gegrondverklaring van dit nadere klachtonderdeel is gekomen.

De negende grief slaagt.

3.13 Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat het hoger beroep gegrond is. Het College vernietigt de bestreden uitspraak voor zover deze ziet op de klachtonderdelen die hiervoor zijn besproken in de overwegingen 3.11.1 en 3.12.1.

Het College zal met toepassing van artikel 43 Wtra, in samenhang met artikel 40 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 (hierna: Wet turbo 2004), de zaak zelf afdoen.

3.13.1 Het College verklaart klachtonderdeel VIII voor zover dat betrekking heeft op het door appellant zenden van facturen aan klager, ongegrond.

3.13.2 Ten aanzien van het nadere klachtonderdeel dat appellant heeft verzocht facturen op te stellen waarbij de BTW is verlegd, en opdracht heeft gegeven bij leveringen van materialen referenties van andere panden op te geven, overweegt het College als volgt.

In deze klacht ligt tevens het minder vergaande verwijt besloten dat appellant had moeten opmerken dat ten onrechte BTW werd verlegd en dat verkeerde referenties werden opgegeven, en hij daartegen niet is opgetreden. Dit verwijt is terecht gemaakt. Appellant had de administratie zo moeten inrichten dat deze onjuistheden hem aanstonds duidelijk hadden kunnen zijn. Door dit na te laten heeft appellant gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van deskundigheid en zorgvuldigheid als bedoeld in artikel A-100.4, onder c, VGC. Dit klachtonderdeel is dan ook in zoverre gegrond.

3.14 Ten aanzien van de op te leggen maatregel overweegt het College als volgt.

Het College is van oordeel dat het opleggen van de maatregel van doorhaling in het register, bedoeld in artikel bedoeld in artikel 1, onder j, Wtra, in dit geval passend en geboden is, gelet op de aard en ernst van de hiervoor omschreven schendingen van de fundamentele beginselen van integriteit, objectiviteit, deskundigheid en zorgvuldigheid en professioneel gedrag. Bovendien is niet gebleken dat appellant inzicht heeft in de laakbaarheid van zijn gedrag.

Het College bepaalt de termijn waarbinnen appellant niet opnieuw in het register mag worden ingeschreven worden op 5 jaar. Weliswaar heeft appellant gehandeld in strijd met een groot aantal van de fundamentele beginselen bedoeld in artikel A-100.4 VGC maar uitsluiting van de mogelijkheid van wederinschrijving voor de duur van 10 jaar, zoals de accountantskamer heeft gedaan, acht het College in dit geval niet proportioneel. Hierbij heeft het College mede in aanmerking genomen dat de hier – op zichzelf ernstige – verwijten zich hebben voorgedaan in een specifiek conflict tussen appellant en een voormalige cliënt annex zakenpartner en dat het gevaar voor herhaling daarvan niet als zeer groot kan worden ingeschat.

De bestreden uitspraak zal derhalve ook worden vernietigd ter zake van de opgelegde maatregel.

3.15 Zowel appellant als klager hebben het College verzocht de andere partij te veroordelen in de kosten van de door hen gevoerde procedures. De Wtra noch de Wet turbo 2004 biedt daartoe evenwel een mogelijkheid.

3.16 Na te melden beslissing op het hoger beroep berust op artikel 43, eerste lid, Wtra, en artikel 40 van de Wet turbo 2004.

4. De beslissing

Het College

- verklaart het hoger beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden tuchtuitspraak, voor zover deze ziet op de klachtonderdelen die zijn besproken in de

overwegingen 3.11.1 en 3.12.1 van de onderhavige uitspraak en ter zake van de opgelegde maatregel;

- verklaart klachtonderdeel VIII, voor zover dat betrekking heeft op het door appellant zenden van facturen aan klager,

ongegrond;

- verklaart het nadere klachtonderdeel als omschreven in overweging 3.13.2 van de onderhavige uitspraak gegrond;

- legt appellant de maatregel op van doorhaling van de inschrijving in het register bedoeld in artikel 1, onder j, Wtra;

- bepaalt de termijn waarbinnen appellant niet opnieuw in het register kan worden ingeschreven op vijf jaren.

Aldus gewezen door mr. J.L.W. Aerts, mr. M. van Duuren en mr. E. Dijt, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Voskamp, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2012.

w.g. J.L.W. Aerts w.g. M.A. Voskamp