Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2012:BX0569

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
03-07-2012
Datum publicatie
06-07-2012
Zaaknummer
AWB 09/330 AWB 09/1016
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Vaststelling van het budget in 2007 en 2008 voor een AWBZ-instelling. Het systeem van macrobudgettering kan niet onrechtmatig of anderszins onaanvaardbaar worden geacht. Een eenmalige vergoeding in het kader van de herschikking 2006 werkt niet door in tariefbeschikkingen voor opvolgende jaren. De in onderdeel 3.2 van beleidsregel Indieningstermijnen opgenomen uiterste inzenddatum verzet zich tegen het indienen van aanvullende budgetverzoeken na 15 oktober 2007. Nacalculatie op het budget op grond van de beleidsregel Aanvaardbare kosten. Vervallen procesbelang bij elkaar opgevolgende tariefbeschikkingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 09/330 en 09/1016 3 juli 2012

13950 Wet marktordening gezondheidszorg

Uitspraak in de zaken van:

Privazorg AWBZ B.V., te Amersfoort, appellante,

gemachtigde: mr. J.H. van der Velden, advocaat te Utrecht,

tegen

de Nederlandse Zorgautoriteit, verweerster,

gemachtigden: mr. drs. J.J. Rijken, advocaat te Den Haag.

1. De procedures

AWB 09/330

Appellante heeft bij brief, bij het College binnengekomen op 4 maart 2009, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerster van 3 februari 2009. Bij dit besluit heeft verweerster het bezwaar van appellante tegen de tariefbeschikking van 19 december 2007 primair niet-ontvankelijk en subsidiair ongegrond verklaard. Voorts heeft verweerster het bezwaar van appellante tegen het besluit van 27 december 2007 ongegrond verklaard.

Bij brief van 29 april 2009 heeft appellante de gronden van haar beroep aangevuld.

Bij brief van 10 augustus 2009 heeft verweerster een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

AWB 09/1016

Appellante heeft bij brief, bij het College binnengekomen op 30 juli 2009, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerster van 22 juni 2009. Bij dit besluit heeft verweerster het bezwaar van appellante tegen de tariefbeschikkingen van 5 september 2008 en 5 december 2008 niet-ontvankelijk verklaard. Voorts heeft verweerster het bezwaar van appellante tegen de tariefbeschikkingen van 26 november 2008 en 3 februari 2009 ongegrond verklaard.

Bij brief van 20 oktober 2009 heeft appellante de gronden van haar beroep aangevuld.

Bij brief van 9 februari 2010 heeft verweerster een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 17 januari 2012 heeft zowel in zaaknummer AWB 09/330 als in zaaknummer AWB 09/1016 het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader hebben uiteengezet. Verder zijn A, B en C, medewerkers van appellante, alsmede D en F, medewerkers van verweerster, ter zitting verschenen.

2. De grondslag van de geschillen

2.1 Toetsingskader

Met ingang van 1 januari 2005 is voor instellingen die zorg verlenen waarop verzekerden aanspraak hebben op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ) een systeem van macrobudgettering geïntroduceerd. In dit systeem kan verweerster worden verzocht een budget voor AWBZ-instellingen vast te stellen. Verweerster toetst de budgetverzoeken aan het beschikbare macrobudget dat wordt aangeduid met de term contracteerruimte. Verweerster beoordeelt de budgetverzoeken op drie momenten (rondes) in het jaar, in de maanden maart, juli en oktober. In die drie rondes kan, rekening houdend met de in de loop van het jaar toegenomen productieafspraken, worden verzocht om aanpassing van het budget.

Ter uitvoering van het voormelde systeem in 2007 heeft verweerster, op aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: de Staatssecretaris) de beleidsregel Contracteerruimte 2007 vastgesteld, die in de loop van 2007 meerdere malen door elkaar opvolgende beleidsregels (CA-122, CA-172, CA-189, CA- 207 en CA-263) met eenzelfde strekking is vervangen. Voor 2008 heeft verweerster op aanwijzing van de Staatssecretaris de beleidsregel Contracteerruimte 2008 vastgesteld, die eveneens meerdere malen door elkaar opvolgende beleidsregels (CA-269, CA-286 en CA-288) met eenzelfde strekking is vervangen. Het doel van de beleidsregels Contracteerruimte 2007 en 2008 is om de (regionale) contracteerruimte vast te stellen waarvoor zorgkantoren maximaal zorg kunnen contracteren. Voorts geven de beleidsregels aan op welke wijze de verwerking van de (regionale) contracteerruimte in de budgetten van de AWBZ-instellingen plaatsvindt. In verband met dit laatste is tevens de beleidsregel Indieningstermijnen (CA-229) van belang. In deze beleidsregel is vermeld, voor zover hier van belang:

" 2.3.1 Budgetformulieren

Productieafspraken ingediend na de uiterste inzenddatum van 31 maart van het jaar t worden beschouwd als aanvullende productieafspraken en worden als zodanig afgehandeld.

Aanvullende productieafspraken ingediend na de uiterste inzenddatum van 15 oktober kunnen niet meer leiden tot een mutatie van de aanvaardbare kosten van jaar t. Deze aanvullende productieafspraken worden zonder inhoudelijk oordeel afgewezen omdat zij in strijd zijn met het hiervoor gestelde."

Op het voor een AWBZ-instelling vastgestelde budget wordt nagecalculeerd. De beleidsregel Aanvaardbare kosten (CA-223) bepaalt in dit verband:

" 3.2 Op de afgesproken productie (in het kader van de beleidsregels personeelskosten, materiële kosten, intramurale zorg, extramurale zorg, palliatief terminale zorg en zorgzwaartetoeslag) zal volledig nagecalculeerd worden op basis van de gerealiseerde productie, waarbij het totaalbedrag van de totale gehonoreerde productieafspraak de bovengrens is."

Met betrekking tot het jaar 2006 heeft verweerster - in aanvulling op het algemene systeem van budgettering - op 6 februari 2007 de beleidsregel Verrekening gerealiseerde productie 2006 (herschikking; CA-173) vastgesteld. Daarin is onder meer het volgende opgenomen:

" 2. Inleiding.

Zorgaanbieders (…) kunnen, onder de voorwaarden die gelden voor het jaar 2006 tot 1 maart 2007 aanvullende afspraken indienen voor geïndiceerde AWBZ-zorg die is geleverd boven het niveau van de productieafspraken tot en met oktober 2006 (…). Deze extra productie is geleverd ter voorkoming of ter oplossing van problematische knelpunten. De bekostiging van deze extra productie vindt plaats door middel van een herschikking van de onder- en overproductie 2006. Het betreft een éénmalige mogelijkheid vanwege de specifieke knelpuntensituatie in de AWBZ 2006. Dit betekent dat aan deze beleidsregel geen rechten voor voorafgaande of volgende jaren kunnen worden ontleend."

2.2 Feiten

- Op 12 oktober 2007 hebben appellante en het zorgkantoor een budgetverzoek ingediend in het kader van de oktoberronde 2007. Op het formulier is vermeld ‘Onder protest’ en als bijlage is een brief van appellante van dezelfde datum bijgevoegd waarin zij de reden van dit protest uiteenzet.

- Bij besluit van 19 december 2007 heeft verweerster conform het budgetverzoek van 12 oktober 2007 een tariefbeschikking genomen.

- Bij brief van 13 november 2007 heeft het zorgkantoor Utrecht (hierna: het zorgkantoor) verweerster verzocht voor appellante en Stichting Residentiële en Ambulante Zorg (hierna: RAZ) de mogelijkheid te bieden na 15 oktober 2007 aanvullende budgetverzoeken voor het jaar 2007 in te dienen.

- Bij besluit van 27 december 2007 heeft verweerster dit verzoek afgewezen.

- Op 14 juli 2008 hebben appellante en het zorgkantoor een budgetverzoek ingediend in het kader van de julironde van 2008.

- Bij besluit van 5 september 2008 heeft verweerster conform het budgetverzoek van 14 juli 2008 een tariefbeschikking met betrekking tot het jaar 2008 genomen.

- Op 14 oktober 2008 hebben appellanten en het zorgkantoor een budgetverzoek ingediend in het kader van de oktoberronde 2008.

- Bij besluit van 26 november 2008 heeft verweerster een nieuwe tariefbeschikking over 2008 genomen.

- Bij besluit van 5 december 2008 heeft verweerster conform het budgetverzoek van 14 oktober 2008 een tariefbeschikking genomen.

- Op 15 december 2008 hebben appellante en het zorgkantoor het formulier ‘Nacalculatie op geleverde productie 2007’ ingediend.

- Bij besluit van 3 februari 2009 heeft verweerster naar aanleiding van voormeld formulier een tariefbeschikking genomen.

- Tegen voormelde besluiten van 19 december 2007, 27 december 2007, 5 september 2008, 26 november 2008, 5 december 2008 en 3 februari 2009 heeft appellante bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerster de bestreden besluiten genomen.

3. De bestreden besluiten

AWB 09/330

Verweerster heeft bij het bestreden besluit van 3 februari 2009 het bezwaar van appellante tegen de tariefbeschikking van 19 december 2007 primair niet-ontvankelijk en subsidiair ongegrond verklaard. Voorts heeft verweerster het bezwaar van appellante tegen het besluit van 27 december 2007 ongegrond verklaard.

Verweerster heeft overwogen dat het bezwaar tegen de tariefbeschikking van 19 december 2007 niet-ontvankelijk is vanwege het ontbreken van een belang. Immers, het budget in de oktoberronde 2007 is conform het gezamenlijke budgetverzoek van appellante en zorgkantoor gehonoreerd. De omstandigheid dat de aanvraag onder protest is getekend betekent niet dat verweerster hier niet van uit heeft mogen gaan. Voor zover het bezwaar niettemin ontvankelijk zou moeten worden geacht, is dit ongegrond. Verweerster verwijst in dit verband naar haar opmerkingen met betrekking tot het bezwaar van appellante tegen het besluit van 27 december 2007.

Het besluit van 27 december 2007 betreft de beslissing op het verzoek van het zorgkantoor om de mogelijkheid te bieden voor appellante en RAZ aanvullende budgetverzoeken na 15 oktober 2007 in te dienen. Dit verzoek is afgewezen omdat niet is voldaan aan de voorwaarden van de beleidsregel Indieningstermijnen, aangezien het is ingediend na

15 oktober 2007. Het verzoek van het zorgkantoor kan niet worden aangemerkt als een verzoek om het toepassen van de spoedprocedure, aangezien daarin geen melding wordt gemaakt van een acuut regionaal knelpunt. Er is geen sprake van strijd met het vertrouwensbeginsel. Het zorgkantoor heeft verweerster bij brief van 3 september 2007 bericht dat de voorzichtige conclusie gerechtvaardigd lijkt dat de contracteerruimte toereikend zal zijn. Hoewel het zorgkantoor heeft vermeld dat individuele zorgaanbieders hebben aangegeven dat zij knelpunten hebben, heeft het zorgkantoor geen melding gedaan in het kader van de knelpuntenprocedure Daarmee had het voor appellante duidelijk kunnen zijn dat het door haar ervaren knelpunt geen knelpunt is in de zin van verweersters circulaire van 10 augustus 2007. Voorts kan eventueel door het zorgkantoor gewekt vertrouwen niet aan verweerster worden toegerekend. De verrekening van de gerealiseerde productie 2006 was verder een eenmalige mogelijkheid vanwege de specifieke situatie in 2006 waarin een aantal zorgaanbieders problematische wachtlijsten hebben voorkomen door boven de gehonoreerde productieafspraken zorg te leveren.

Er is geen aanleiding af te wijken van de beleidsregel Indieningstermijnen. Het werken met regionale contracteerruimtes brengt een strikte hantering van indieningstermijnen met zich. Voor de vaststelling van de landelijke contracteerruimte dienen alle productieafspraken van de 1600 zorgaanbieders te worden vastgesteld. Het landelijke beeld contracteerruimte 2007 wordt na de oktoberronde definitief vastgesteld. Verweerster heeft overwogen dat de door appellante aangevoerde omstandigheden zijn meegewogen bij de beleidsregelvaststelling. Verder is afwijken van de beleidsregel op algemene gronden niet mogelijk, aangezien dit een beleidsregelwijziging zou impliceren waarvoor de afwijkingsbevoegdheid niet is bedoeld. Voor zover zou moeten worden geoordeeld dat deze omstandigheden niet in de beleidsregel zijn verdisconteerd, heeft verweerster overwogen dat het leveren van zorg waar geen door verweerster geaccordeerde productieafspraak tegenover staat geen bijzondere omstandigheid is. Het leveren van deze zorg is voor eigen rekening en risico, ongeacht de omvang ervan. Dat appellante een bovenregionale zorgaanbieder is, is evenmin een bijzondere omstandigheid. Verweerster wijst er op dat het leveren van extra zorg door een instelling in de regio van een ander zorgkantoor mogelijk gemaakt kan worden door het overhevelen van contracteerruimte van dat andere zorgkantoor naar het ‘eigen’ zorgkantoor, met dien verstande dat dergelijke overhevelingsverzoeken - evenals aanvullende verzoeken ten laste van de nog beschikbare contracteerruimte - uiterlijk op 15 oktober bij verweerster ingediend kunnen worden. Dat dit in het onderhavige geval niet is gebeurd kan niet aan verweerster worden tegengeworpen. Onverkorte toepassing van de beleidsregel heeft verder geen onevenredige gevolgen voor appellante, aangezien uit de financiële gegevens van appellante een positief resultaat blijkt.

AWB 09/1016

Verweerster heeft bij het bestreden besluit van 22 juni 2009 het bezwaar van appellante tegen de tariefbeschikkingen van 5 september 2008 en 5 december 2008 niet-ontvankelijk verklaard. Voorts heeft verweerster het bezwaar van appellante tegen de tariefbeschikking van 26 november 2008, dat zich volgens haar mede richt tegen de tariefbeschikking van

3 februari 2009, ongegrond verklaard.

Verweerster heeft overwogen dat het bezwaar tegen de tariefbeschikkingen van 5 september 2008 en 5 december 2008 niet-ontvankelijk is vanwege het ontbreken van een belang. Immers, het budget in de juli- en oktoberronde 2008 is conform de gezamenlijke budgetverzoeken van appellante en het zorgkantoor gehonoreerd.

Voor het overige richt het bezwaar van appellante zich tegen de neerwaartse bijstelling door verweerster in verband met de nacalculatie op de geleverde zorg in 2007. Ingevolge onderdeel 3.2 van de beleidsregel Aanvaardbare kosten (CA-223) wordt op de afgesproken productie volledig nagecalculeerd op basis van de gerealiseerde productie, waarbij het totaalbedrag van de totale gehonoreerde productieafspraak de bovengrens is. In dit geval bedraagt de totale gehonoreerde productieafspraak € 26.745.000,- zoals die is vastgesteld in de oktoberronde 2007. De in het aanvraagformulier opgevoerde productie ligt boven deze grens, zodat het meerdere conform de beleidsregel niet voor vergoeding in aanmerking komt.

Verweerster wijst er verder op dat op grond van de beleidsregel Indieningstermijnen aanvullende productieafspraken ingediend na de uiterste inzenddatum van 15 oktober niet meer kunnen leiden tot een mutatie van de aanvaardbare kosten. De omstandigheid dat het zorgkantoor het garantiebudget zou herzien bij een positieve beslissing in het kader van de knelpuntenprocedure 2006, kan niet af doen aan het uitgangspunt dat de gerealiseerde overproductie dient te worden opgevangen binnen het budget van de zorgaanbieder dat voor 2007 is vastgesteld. Voor zover er door het zorgkantoor al toezeggingen zijn gedaan, is geen sprake van het wekken van vertrouwen door verweerster. Het leveren van AWBZ-zorg zonder door verweerster geaccordeerde productieafspraak is voor eigen rekening en risico. Wellicht ten overvloede merkt verweerster op dat de verrekening van de gerealiseerde productie 2006 een eenmalige mogelijkheid was vanwege de specifieke situatie in 2006 waarin een aantal zorgaanbieders problematische wachtlijsten hebben voorkomen door boven de gehonoreerde productieafspraken zorg te leveren.

Er is verder geen aanleiding af te wijken van de beleidsregel. Verweerster heeft daartoe hetzelfde overwogen als hiervoor onder zaaknummer AWB 09/330 is vermeld met betrekking tot het afwijken van de beleidsregel Indieningstermijnen.

4. Het standpunt van appellante

Appellante stelt zich op het standpunt dat verweerster haar budget voor 2007 en 2008 te laag heeft vastgesteld. Daartoe voert zij - samengevat weergegeven - het volgende aan.

Appellante richt zich primair tegen het systeem van macrobudgettering. Er is volgens haar geen wettelijke basis om de aanspraken op zorg van verzekerden krachtens de AWBZ in financiële zin te beperken. Ten onrechte is nagelaten budget van onderproducerende zorgaanbieders over te hevelen naar appellante. Verweerster hanteert in dit verband een in de praktijk nauwelijks hanteerbare tijdslimiet van 15 oktober. Ook bij het zorgkantoor zal op 15 oktober vaak nog het precieze inzicht op overschotten en tekorten ontbreken. Maar zelfs als het zorgkantoor dit inzicht wel heeft, is een zorgaanbieder ervan afhankelijk of het zorgkantoor tijdig een verzoek tot overheveling indient.

Appellante wijst er op dat zij in de loop van de jaren een aanzienlijk groei in productie-uren heeft doorgemaakt. Voor 2006 heeft appellante terecht aanspraak gemaakt op vergoeding voor de overproductie. Deze overproductie is niet incidenteel, maar structureel en had daarom bij de vaststelling van de budgetten voor 2007 en 2008 moeten worden betrokken. Appellante wijst in dit verband ook op de schriftelijke toezegging van het zorgkantoor dat haar garantiebudget zou worden herzien, zodra verweerster ertoe overgaat financiële middelen aan de contracteerruimte toe te voegen.

Meer subsidiair heeft appellante betoogd dat bijzondere omstandigheden rechtvaardigen dat in haar geval wordt afgeweken van de beleidsregels. Hoewel appellante landelijk opereert, dient zij productieafspraken met een regionaal zorgkantoor te maken. Zorgkantoren in andere regio’s willen niet meewerken aan het overhevelen van contracteerruimte aan het zorgkantoor waarmee appellante productieafspraken maakt.

Het feit dat appellante in 2006 een beperkt positief resultaat heeft behaald, rechtvaardigt verder geen afwijzing van haar verzoek om afwijking van de beleidsregels. Als de incidentele opbrengsten voor 2006 buiten beschouwing worden gelaten, heeft appellante over 2007 wel degelijk een verlies geleden terwijl op basis van de omzet circa € 3.000.000,- aan haar Reserve Aanvaardbare Kosten had behoren te worden toegevoegd.

5. De beoordeling van de geschillen

Budget 2007

5.1 Voor het budget van appellante in 2007 zijn relevant de tariefbeschikking van 19 december 2007 die is genomen in het kader van de oktoberronde 2007, het besluit van 27 december 2007 tot afwijzing van het verzoek van het zorgkantoor om de mogelijkheid te bieden na 15 oktober 2007 aanvullende budgetverzoeken voor appellante en RAZ in te dienen, en de tariefbeschikking van 3 februari 2009 die is genomen ten behoeve van nacalculatie op het budget in 2007.

5.2 Verweerster heeft het tegen de tariefbeschikking van 19 december 2007 gemaakte bezwaar primair niet-ontvankelijk en subsidiair ongegrond verklaard. Ingevolge artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) vindt, indien het bezwaar ontvankelijk is, op grondslag daarvan een heroverweging van het primaire besluit plaats. Hieruit volgt dat indien het bestuursorgaan van oordeel is dat niet aan de voorwaarden voor ontvankelijkheid is voldaan, het in dat kader niet meer aan een inhoudelijke beoordeling van het bezwaar kan toekomen. Het door verweerster gekozen dictum verdraagt zich hiermee niet. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit waarbij is beslist op het bezwaar van appellante tegen de tariefbeschikking van 19 december 2007 dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:11, eerste lid, Awb. Het College ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Awb zelf in de zaak te voorzien en het bezwaar van appellante tegen de tariefbeschikking van 19 december 2007 ongegrond te verklaren. Uit de navolgende beoordeling van de beroepsgronden blijkt namelijk dat namelijk dat dit bezwaar geen doel treft.

De tariefbeschikking van 19 december 2007 is genomen met inachtneming van de beleidsregel Contracteerruimte 2007. Voor zover het beroep van appellante zich richt tegen het in deze beleidsregel vervatte systeem van macrobudgettering, resulterend in de jaarlijkse vaststelling van contracteerruimte, overweegt het College onder verwijzing naar de uitspraken van 30 december 2009 en 5 oktober 2011 (bijvoorbeeld AWB 08/98 en AWB 09/137 <www.rechtspraak.nl> LJN: BL5633 en BU1575), dat dit systeem niet onrechtmatig of anderszins onaanvaardbaar kan worden geacht.

Het beroep van appellante geeft verder geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerster door de in de beleidsregel Contracteerruimte 2007 opgenomen uiterste indieningsdatum van 15 oktober 2007 voor verzoeken van zorgkantoren om contracteerruimte over te hevelen, buiten de grenzen van een redelijke beleidsbepaling is getreden. Het College overweegt daartoe dat, zoals verweerder in de bestreden besluiten heeft toegelicht, deze uiterste datum is gesteld om na de oktoberronde de regionale en landelijke contracteerruimte op basis van alle productieafspraken van circa 1600 zorgaanbieders vast te kunnen stellen. Het College neemt verder in aanmerking dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze uiterste datum in de praktijk op onoverkomelijke praktische problemen stuit.

Appellante en het zorgkantoor hebben in hun verzoek in het kader van de oktoberronde 2007 verweerster verzocht het budget vast te stellen op € 26.745.000,-. Op grond van de beleidsregel Contracteerruimte 2007 heeft verweerster dit verzoek terecht gehonoreerd. Verweerster heeft in de omstandigheid dat appellante in het kader van de herschikking 2006 een vergoeding is toegekend terecht geen aanleiding gezien om af te wijken van de beleidsregel Contracteerruimte 2007. De desbetreffende vergoeding is gebaseerd op de beleidsregel Verrekening gerealiseerde productie 2006 (herschikking; CA-173).

Uit onderdeel 2 van deze beleidsregel volgt dat deze een eenmalige mogelijkheid bood voor het maken van aanvullende productieafspraken na 15 oktober vanwege de specifieke knelpuntensituatie in de AWBZ in 2006. Dit betekent dat aan deze beleidsregel geen rechten voor voorafgaande of opvolgende jaren kunnen worden ontleend. Dat het zorgkantoor appellante bij brief van 13 december 2006 heeft meegedeeld het garantiebudget te herzien, zodra verweerster besluit ten gunste van appellante financiële middelen toe te voegen aan de contracteerruimte, kan appellante evenmin baten. Deze mededeling van het zorgkantoor - wat daarvan ook zij - bindt verweerster namelijk niet.

5.3 Ten aanzien van het besluit van 27 december 2007 waarbij het verzoek van het zorgkantoor is afgewezen om de mogelijkheid te geven aanvullende budgetverzoeken voor appellante en RAZ na 15 oktober 2007 in te dienen, overweegt het College het volgende. Uit onderdeel 2.3.1 van de beleidsregel Indieningstermijnen volgt dat aanvullende budgetverzoeken ingediend na de uiterste inzenddatum van 15 oktober niet meer kunnen leiden tot een mutatie van de budget van jaar t. Deze aanvullende budgetverzoeken worden zonder inhoudelijk oordeel afgewezen. Aan dit onderdeel van de beleidsregel Indieningstermijnen ligt blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting de overweging ten grondslag dat tijdig in het begrotingsjaar het beslag van de AWBZ-zorg op de beschikbare regionale en landelijke contracteerruimte in dat jaar moet kunnen worden vastgesteld, waarbij de productieafspraken van een zeer groot aantal zorgaanbieders moeten worden verwerkt. Zoals hiervoor overwogen (§ 5.2) is verweerster met het vaststellen van deze uiterste datum niet buiten de grenzen van een redelijke beleidsbepaling getreden. Verweerster heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat voormeld onderdeel zich verzet tegen inwilliging van het verzoek van het zorgkantoor, nu dat is ingediend na 15 oktober 2007.

Voor zover appellante heeft betoogd dat verweerster van de beleidsregel Indieningstermijnen had moeten afwijken, overweegt het College het volgende.

Blijkens het verweerschrift in zaak AWB 09/330 is het gebruikelijk dat een zorgaanbieder die bovenregionaal werkzaam is productieafspraken maakt met het zorgkantoor in de regio waar de zorgaanbieder haar zetel heeft, in dit geval Utrecht. Appellante was als bovenregionale zorgaanbieder derhalve aangewezen op het zorgkantoor Utrecht voor het maken van productieafspraken. Zij heeft evenwel niet aannemelijk gemaakt dat deze omstandigheid er aan in de weg stond om vóór 15 oktober een aanvullende productieafspraak in te dienen. De omstandigheid dat het zorgkantoor, blijkens voornoemd verzoek van 13 november 2007 na de oktoberronde heeft geconstateerd dat er regionaal contracteerruimte resteert en verweerster toen heeft verzocht de mogelijkheid te bieden voor een aanvullende budgetverzoek, heeft verweerster niet hoeven aanmerken als een bijzondere omstandigheid die overschrijding van de indieningstermijn rechtvaardigt.

Gezien het voorgaande heeft verweerster terecht geen aanleiding gezien van de beleidsregel Indieningstermijnen af te wijken en heeft zij het bezwaar van appellante tegen het besluit van 27 december 2007 terecht ongegrond verklaard.

5.4 Het bezwaarschrift tegen de tariefbeschikking van 3 februari 2009 die is genomen ten behoeve van de nacalculatie op het budget in 2007 is voor het begin van de bezwaartermijn ingediend. Verweerster is er terecht van uitgegaan dat dit bezwaarschrift op voet van artikel 6:10, eerste lid, onder b, Awb voor inhoudelijke behandeling in aanmerking komt.

Op het budget van appellante wordt ingevolge onderdeel 3.2 van de beleidsregel Aanvaardbare kosten volledig nagecalculeerd op basis van de gerealiseerde productie, waarbij het totaalbedrag van de totaal gehonoreerde productieafspraak de bovengrens is. Gelet op de afwijzing van het verzoek van het zorgkantoor om de mogelijkheid te bieden voor appellante en RAZ na 15 oktober 2007 aanvullende budgetverzoeken in te dienen, wordt het totaalbedrag van de gehonoreerde productieafspraak en daarmee de bovengrens voor de nacalculatie in dit geval gevormd door het budget van € 26.745.000,- zoals dat in de oktoberronde is vastgesteld. Blijkens het verweerschrift in zaak AWB 09/1016 heeft verweerster bij de nacalculatie op het budget van appellante in de tariefbeschikking van 3 februari 2009 per abuis niet dit bedrag, maar een bedrag van € 26.874.609,- als bovengrens gehanteerd. Verweerster zal deze vergissing die in het voordeel van appellante is, niet corrigeren. Verweerster heeft terecht geen aanleiding gezien om in verdergaande mate ten gunste van appellante van de beleidsregel Aanvaardbare kosten af te wijken. Zij heeft het bezwaar tegen de tariefbeschikking van 3 februari 2009 dan ook terecht ongegrond verklaard.

Budget 2008

5.5 Voor het budget van appellante in 2008 zijn relevant de tariefbeschikkingen van 5 september 2008, 26 november 2008 en 5 december 2008. In deze tariefbeschikkingen is steeds dezelfde ingangsdatum vermeld, te weten 1 januari 2008. Verder is in deze tariefbeschikkingen de clausule opgenomen dat met ingangsdatum van deze tariefbeschikking de geldigheidsduur van de geldende tariefbeschikking wordt beperkt tot de ingangsdatum van deze tariefbeschikking. Gezien het voorgaande is met de inwerkingtreding van de tariefbeschikking van 5 december 2008 de geldigheidsduur van de daaraan voorafgaande tariefbeschikking van 26 november 2008 teniet gedaan. De geldigheidsduur van de tariefbeschikking van 5 september 2008 was reeds teniet gedaan. Dat appellante desondanks een belang bij een inhoudelijke beoordeling van haar bezwaren tegen de tariefbeschikkingen van 5 september 2008 en 26 november 2008 had, valt niet in te zien.

Uit het voorgaande volgt dat verweerster het bezwaar tegen de tariefbeschikking van 5 september 2008, zij het op andere gronden, terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het bezwaar tegen de tariefbeschikking van 26 november 2008 heeft verweerster ten onrechte ongegrond verklaard. Het beroep van appellante is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit waarbij is beslist op het bezwaar tegen de tariefbeschikking van 26 november 2008 dient in zoverre te worden vernietigd. Het College ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Awb zelf in de zaak te voorzien en het bezwaar van appellante tegen deze tariefbeschikking niet-ontvankelijk te verklaren. Bij een eventuele nieuwe beslissing op het bezwaar tegen de tariefbeschikking van 26 november 2008 kan verweerster immers niet anders doen dan overgaan tot niet-ontvankelijkverklaring daarvan vanwege het ontbreken van procesbelang.

5.6 Verweerster heeft het bezwaar van appellante tegen de tariefbeschikking van 5 december 2008 niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

Uit de omstandigheid dat deze tariefbeschikking is vastgesteld overeenkomstig het tweezijdig ingediende budgetverzoek van appellante en het zorgkantoor in het kader van de oktoberronde 2008 heeft verweerster echter niet kunnen afleiden dat appellante geen belang had bij een beoordeling van haar bezwaar. De tariefbeschikking van 5 december 2008 is genomen met inachtneming van de beleidsregel Contracteerruimte 2008. Uit deze beleidsregel vloeien beperkingen voort ten aanzien van de mogelijkheid om budgetverzoeken gehonoreerd te krijgen. In de omstandigheid dat appellante zich niet met deze beperkingen kan verenigen, kan procesbelang worden gevonden.

Het beroep van appellante is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit waarbij is beslist op de bezwaren tegen de tariefbeschikking van 5 december 2008 dient in zoverre te worden vernietigd. Het College ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Awb zelf in de zaak te voorzien en het bezwaar van appellante tegen deze tariefbeschikking ongegrond te verklaren en overweegt daartoe het volgende. De tariefbeschikking van 5 december 2008 is genomen in het kader van de oktoberronde 2008. Appellante heeft in bezwaar en beroep tegen deze tariefbeschikking dezelfde gronden aangevoerd als tegen de tariefbeschikking van 19 december 2007 die is genomen in het kader van de oktoberronde 2007. Hoewel het kader voor de tariefbeschikking van 5 december 2008 wordt gevormd door de beleidsregel Contracteerruimte 2008, is er - mutatis mutandis - geen aanknopingspunt voor een ander oordeel met betrekking tot het tegen deze tariefbeschikking gemaakte bezwaar dan het oordeel dat hiervoor is gegeven over het bezwaar dat tegen de tariefbeschikking van 19 december 2007 is gemaakt.

5.7 Het College ziet aanleiding verweerster met toepassing van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de kosten in verband met de behandeling van de beroepen van appellante. Deze kosten worden vastgesteld op € 1288,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift zowel in zaaknummer AWB 09/330 als in zaaknummer AWB 09/1016, 1 punt voor het verschijnen ter zitting in beide zaken, wegingsfactor 1, ad € 322,- per punt).

6. De beslissing

Het College:

- verklaart de beroepen van appellante gegrond voor zover het betreft de beslissing op haar bezwaren tegen de

tariefbeschikkingen van 19 december 2007, 26 november 2008 en 5 december 2008;

- vernietigt het bestreden besluit van 3 februari 2009 voor zover daarbij het bezwaar van appellante tegen de

tariefbeschikking van 19 december 2007 primair niet-ontvankelijk en subsidiair ongegrond is verklaard;

- vernietigt het bestreden besluit van 22 juni 2009 voor zover daarbij het bezwaar van appellante tegen de

tariefbeschikkingen van 26 november 2008 en 5 december 2008 ongegrond respectievelijk niet-ontvankelijk is verklaard;

- verklaart het bezwaar van appellante tegen de tariefbeschikkingen van 19 december 2007 en 5 december 2008

ongegrond en dat tegen de tariefbeschikking van 26 november 2008 niet-ontvankelijk;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde gedeelten van de bestreden besluiten van 3 februari

2009 en 22 juni 2009;

- verklaart de beroepen van appellante voor het overige ongegrond;

- veroordeelt verweerster in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1288,- (zegge:

twaalfhonderdachtentachtig euro);

- bepaalt dat verweerster aan appellante het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,-

(tweehonderdzevenennegentig euro) in zowel zaaknummer AWB 09/330 als in zaaknummer AWB 09/1016 vergoedt.

Aldus gewezen door mrs. M.A. van der Ham, H.A.B. van Dorst-Tatomir en E. Dijt, in tegenwoordigheid van mr. B.S. Jansen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2012.

w.g. M.A. van der Ham w.g. B.S. Jansen