Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2012:BX0139

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
21-06-2012
Datum publicatie
03-07-2012
Zaaknummer
AWB 10/857
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (Gwd); spoedbestuursdwang; overtreding van Gwd en derhalve bevoegd handhavend op te treden; spoedeisende situatie is onvoldoende vast komen te staan en derhalve onvoldoende grondslag voor toepassen spoedbestuursdwang; beroep gegrond; kostenbeschikkingen maken onderdeel uit van beroep; grondslag is daaraan komen te ontvallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 10/857 21 juni 2012

11201 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Bestuursdwang

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: mr. J.A.F. Boor, advocaat te Utrecht,

tegen

de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

voorheen de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. J.H. Verheul-Verkaik, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 16 augustus 2010, bij het College binnengekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 26 juli 2010.

Bij dit besluit heeft verweerder ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen de in een besluit van 27 mei 2010 op schrift gestelde toepassing van bestuursdwang op 18 mei 2010, waarbij 19 paarden van appellant zijn meegevoerd en in bewaring genomen (hierna: bestuursdwangbesluit).

Bij brief van 30 augustus 2010 heeft appellant de gronden van het beroep aangevuld en stukken ingediend.

Bij brief van 14 december 2010 heeft verweerder een verweerschrift en een stuk ingediend.

Bij brieven van 2 en 8 maart 2012 heeft appellant nadere stukken ingediend.

Op 20 maart 2012 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Namens appellant is tevens verschenen C (werkzaam bij appellant als verzorgster van dieren). Namens verweerder zijn tevens verschenen J.C.A.M van den Bijgaart (werkzaam als toezichthouder bij de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (hierna: NVWA), voorheen de Algemene inspectiedienst (hierna: AID) en drs. J.M.M.G. van Dijk (werkzaam als dierenarts).

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: Gwd) is onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 35

1. Bij algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld omtrent de wijze waarop dieren van bij die maatregel aangewezen soorten of categorieën van dieren mogen worden gehouden.

2. De krachtens het eerste lid gestelde regelen kunnen onder meer betrekking hebben op:

a. (….)

c. de ruimte waarover de dieren moeten kunnen beschikken.

(…)

Artikel 36

1. Het is verboden om zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van een dier te benadelen.

(….)

3. Een ieder is verplicht hulpbehoevende dieren de nodige zorg te verlenen.

Artikel 37

Het is de houder van een dier verboden aan een dier de nodige verzorging te onthouden.

Artikel 38

Bij algemene maatregel van bestuur worden voor bij die maatregel aangewezen categoriën van houders van dieren van bij de maatregel aangewezen soorten of categoriën van dieren regelen gesteld omtrent de verzorging, voedering, drenking, behandeling en het africhten van dieren.

(…)

Artikel 106

Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen.”

In de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is onder meer het volgende bepaald:

“ Artikel 5:21

Onder last onder bestuursdwang wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:

a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en

b. de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

(…)

Artikel 5:24

1. De last onder bestuursdwang omschrijft de te nemen herstelmaatregelen.

2. De last onder bestuursdwang vermeldt de termijn waarbinnen zij moet worden uitgevoerd.

3. De last onder bestuursdwang wordt bekendgemaakt aan de overtreder, aan de rechthebbenden op het gebruik van de zaak waarop de last betrekking heeft en aan de aanvrager.

Artikel 5:25

1. De toepassing van bestuursdwang geschiedt op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.

(...)

Artikel 5:29

1. Voor zover de toepassing van bestuursdwang dit vergt, kan het bestuursorgaan zaken meevoeren en opslaan.

2. Het bestuursorgaan doet van het meevoeren en opslaan proces-verbaal opmaken. Een afschrift van het proces-verbaal wordt verstrekt aan degene die de zaken onder zijn beheer had.

3. Het bestuursorgaan draagt zorg voor de bewaring van de opgeslagen zaken en geeft deze zaken terug aan de rechthebbende.

4. Het bestuursorgaan kan de teruggave opschorten totdat de ingevolge artikel 5:25 verschuldigde kosten zijn voldaan.

(...)

Artikel 5:31

1. Een bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen, kan in spoedeisende gevallen besluiten dat bestuursdwang zal worden toegepast zonder voorafgaande last. Artikel 5:24, eerste en derde lid, is op dit besluit van overeenkomstige toepassing.

2. Indien de situatie zo spoedeisend is, dat een besluit niet kan worden afgewacht, kan terstond bestuursdwang worden toegepast, maar wordt zo spoedig mogelijk nadien alsnog een besluit als bedoeld in het eerste lid bekend gemaakt.

(…)

Artikel 5:31c

1. Het bezwaar, beroep, of hoger beroep tegen de last onder bestuursdwang heeft mede betrekking op een beschikking die strekt tot toepassing van bestuursdwang of op een beschikking tot vaststelling van de kosten van bestuursdwang, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.

(…)”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting van het College zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan:

- Uit het Toezichtrapport GWWD van 20 mei 2010 (nr. 60014) volgt onder meer dat naar aanleiding van een melding van 3 mei 2010 de AID op 4 mei 2010 een controle heeft ingesteld op een bedrijf aan de Hultenseweg 84 te Tilburg. Daarbij hebben Van den Bijgaart voornoemd en drs T.M.L. Knaeps, dierenarts, het volgende geconstateerd. Er worden buiten, in een met palen en nylondraad afgezette rijbak, 19 paarden gehouden. Een deel van de rijbak is bedekt met plassen. De rest van de ondergrond van de rijbak is zodanig doorweekt dat geen droge ligplek waarneembaar is. Er staat de paarden geen voer ter beschikking. Zij hebben wel drinkwater. Er is volop ruwvoer, in de vorm van wortelen en kuilgras in grote plastic balen, ter plaatse voorradig. Vier à vijf paarden zijn zeer mager, waardoor de ribben en heupbeenderen duidelijk te zien zijn. De rest van de paarden, op een enkeling na, is mager. De paarden zijn onrustig. Van enkele paarden is de vacht met modder besmeurd en zijn natte plekken op de billen zichtbaar. De deur in de aangrenzende schuur is aan de binnenkant met een grendel afgesloten, waardoor de paarden niet naar binnen kunnen. In de schuur is geen stalling aanwezig om de paarden te huisvesten. Wanneer voer uit een aangebroken pak kuilvoer voor de paarden wordt gegooid, verdringen de paarden zich om er van te kunnen eten. De paarden bijten en slaan elkaar. Appellant is niet ter plaatse aanwezig. De dierenarts heeft bovendien het volgende verklaard. Vier à vijf paarden zijn ondervoed, enkele verkeren in goede conditie en de rest is te mager. De paarden hebben honger. De eigenaar moet meer en individueel voeren en met voer van een betere kwaliteit. Appellant moet ervoor zorg dragen dat de paarden droog kunnen liggen. De paarden moeten worden ontwormd. Appellant is aansluitend bezocht op een locatie te Berkel Enschot en medegedeeld dat hij de geconstateerde tekortkomingen moet opheffen en dat over een maand een hercontrole wordt uitgevoerd.

- Blijkens het toezichtrapport zijn op 12 en 17 mei 2010 opnieuw controles uitgevoerd. Op 12 mei 2010 is geconstateerd dat de situatie waarin de paarden zich bevinden niet is veranderd en appellant is nogmaals medegedeeld dat hij de geconstateerde tekortkomingen moet opheffen.

- Appellant is in een brief van 12 mei 2010 van de regelingsmanager uitvoering van de Dienst Regelingen van verweerder een schriftelijke waarschuwing gegeven, luidende:

“U dient voor 15 mei 2010 de negentien paarden uit de “rijbak” te verwijderen naar een locatie waar ze te allen tijde droog en schoon kunnen staan en/of liggen.”

- Op 17 mei 2010 is vastgesteld dat de situatie ter plaatse ongewijzigd is, met dien verstande dat in de rijbak, tegen de muur van de aangrenzende schuur, een hoeveelheid stro is gegooid. Appellant is bij die gelegenheid nogmaals verzocht de door de dierenarts op 4 mei 2010 genoemde maatregelen door te voeren.

- Op 18 mei 2010 zijn de paarden bij wijze van bestuurlijke handhaving door verweerder in bewaring genomen. In een proces-verbaal van meevoeren en opslaan van 25 mei 2010 is daarvan verslag gedaan.

- Op 18 mei 2010, voorafgaand aan de inbewaringneming, hebben op verzoek van appellant twee dierenartsen, L. de Weert en M. Oomen, ieder afzonderlijk, de toestand van de dieren beoordeeld en hun bevindingen in twee separate verklaringen, gedateerd 28 mei 2010, vastgelegd.

- Op 20 mei 2010 heeft J.M.M.G. van Dijk, dierenarts, in opdracht van verweerder de paarden individueel beoordeeld en zijn bevindingen vastgelegd in een verklaring van 27 mei 2010.

- Op 27 mei 2010 heeft verweerder het bestuursdwangbesluit op schrift gesteld.

- Op 20 mei 2010 heeft H.G.K.M. Derks, gecertificeerd makelaar / taxateur paarden en pony’s, in opdracht van de AID de paarden opgenomen en gewaardeerd. Hiervan is op 20 mei 2010 een taxatierapport opgemaakt.

- Op 8 juni 2010 heeft J. Jonkers, gecertificeerd registertaxateur paarden en pony’s, in opdracht van appellant de paarden getaxeerd. Hiervan is op 22 juni 2010 een taxatierapport opgemaakt.

- Bij brief van 15 juni 2010 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de inbewaringneming van zijn paarden.

- Op 30 juni 2010 heeft Van den Bijgaart een aanvullend Toezichtrapport GWWD (nr. 60528) opgesteld ten aanzien van de bevindingen op 18 mei 2010 (meevoeren paarden), 20 mei 2010 (eerste taxatie) en 8 juni 2010 (tweede taxatie).

- Appellant is op 13 juli 2010 gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder het besluit van 26 juli 2010 (hierna: bestreden besluit) genomen.

- Bij uitspraak van 5 november 2010 (AWB 10/650, www.rechtspraak.nl, LJN: BV1550) heeft de voorzieningenrechter van het College het door appellant ingediende verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen, in die zin dat verweerder wordt opgedragen de paarden binnen drie werkdagen na deze uitspraak aan appellant terug te geven.

- Op 23 november 2010 heeft Van den Bijgaart een aanvullende verklaring (nr. 62327) opgesteld ten aanzien van de bevindingen tijdens het controlebezoek op 4 mei 2010 en het meevoeren van de paarden op 18 mei 2010.

3. Het bestreden besluit en het nadere standpunt van verweerder

3.1 Verweerder heeft het bezwaar van appellant bij het bestreden besluit ongegrond verklaard en daartoe als volgt overwogen.

Er bestaat geen enkele reden te twijfelen aan de feiten en omstandigheden waarop het bestuursdwangbesluit rust en die zijn ontleend aan het toezichtrapport. Het is volgens verweerder onwaarschijnlijk dat de feiten anders zijn en dat de controles anders zouden zijn verlopen dan in dat besluit uiteen is gezet. De AID heeft zich naar behoren op de hoogte gesteld van de huisvestingssituatie van de paarden. Geen van de in het geding gebrachte verklaringen kan afdoen aan de bevindingen tussen 4 en 18 mei 2010. Dat de door appellant ingeschakelde dierenartsen verklaren dat de paarden niet mager waren, is voor verweerder onbegrijpelijk. Verweerder wijst er daarbij op dat de bevindingen over de conditie van de paarden worden bevestigd door de verklaring van de dierenarts die de dieren in de opvang heeft onderzocht. Verwezen wordt naar de bijzonder lager bodyindexscores van 1 en 2 (zeer mager en mager) die op 20 mei 2010 in de opvang zijn gemaakt. Alle paarden bleken bloedwormen te hebben. De verklaring van D, dat de paarden tweemaal daags werden gevoerd, kan niet ontkrachten dat nagenoeg alle paarden mager of zeer mager waren en dus onvoldoende rantsoen kregen. Verweerder wijst er daarbij op dat appellant zelf heeft verklaard dat hij in de winter geen brok kon voeren, omdat de paarden dan te “hevig” zouden worden. Aan de verklaringen van E en F kan naar de mening van verweerder zonder meer worden voorbijgegaan, omdat de verklaring van E niet de periode van belang betreft en van de verklaring van F onduidelijk is op welke periode die slaat. Verweerder acht niet van wezenlijk belang of er in de schuur naast de ruimte voor de opslag van goederen een stalling(smogelijkheid) voor de paarden aanwezig is, omdat appellant die niet wilde gebruiken. Vast staat verder dat de paarden bij voortduren buiten in de rijbak stonden. Appellant heeft zelf verklaard dat de paarden sinds half februari 2010 buiten liepen, aldus verweerder.

Appellant is herhaaldelijk gewaarschuwd. Met klem is bij elke controle tussen 4 en 18 mei 2010 duidelijk uiteengezet wat hij moest verbeteren met betrekking tot de verzorging en huisvesting van de paarden. Bovendien is appellant uitgelegd wat de gevolgen zouden kunnen zijn als hij de aangewezen verbeteringen niet zou aanbrengen. Appellant heeft alle waarschuwingen in de wind geslagen en met zoveel woorden kenbaar gemaakt dat hij niets wilde veranderen. In het geval van appellant is naar de mening van verweerder op 18 mei 2010 dan ook terecht met spoed bestuurdwang toegepast in de zin van artikel 5:31, tweede lid, Awb. Feitelijk heeft appellant ruimschoots de gelegenheid gekregen voor herstel, maar hij heeft categorisch geweigerd de telkens weer aangezegde verbeteringen door te voeren. Volgens verweerder staat vast dat appellant de huisvestingssituatie van de paarden niet heeft verbeterd. Bovendien waren nagenoeg alle paarden mager, waarvan sommige zelfs zeer mager. Het niet adequaat verzorgen van de paarden is appellant, als professioneel dierhouder, in het bijzonder zwaar aan te rekenen. Feitelijk ontkent appellant de ernst van de situatie. Omdat het gelet op de houding van appellant niet viel te verwachten dat hij zelf een einde zou maken aan de overtredingen, een minder vergaande maatregel niet tot de mogelijkheden behoorde en langer uitstel de paarden nog meer zou schaden, is verweerder van mening dat terecht is besloten om op 18 mei 2010 door toepassing van bestuursdwang in te grijpen. Hetgeen appellant aanvoert, kan daar volgens verweerder niet aan af doen. Ondenkbaar is dat appellants overtredingen van de regelgeving gelegaliseerd zouden kunnen worden.

Omdat appellant systematisch weigerde de aanwijzingen, zoals door de dierenarts bij de controle op 4 mei 2010 uiteengezet, uit te voeren, was er geen noodzaak dat de VWA-dierenarts opnieuw op appellants bedrijf kwam. De situatie was op voorhand duidelijk, aldus verweerder. Ook zonder de aanwezigheid van de VWA-dierenarts op 18 mei 2010 is het bestuursdwangbesluit naar behoren voorbereid.

3.2 In het verweerschrift heeft verweerder daaraan het volgende toegevoegd.

Eten en drinken zijn essentiële levensbehoeften. Om te voldoen aan de fysiologische behoeften is het belangrijk dat het voer voldoende verzadigend is en voldoende nutriënten bevat. De paarden kregen niet een toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en leeftijd geschikt voer om in goede gezondheid te blijven en aan hun voedingsbehoeften te voldoen. Dit wordt mede bevestigd door het feit dat de condities van de paarden in de opvang is verbeterd zonder dat daaraan een diergeneeskundige behandeling te pas is gekomen. De dierenartsen van appellant hebben ook niet verklaard dat de conditie van de paarden naar behoren was. Bij de controle op 4 mei 2010 zijn in de schuur verder geen boxen of stands aangetroffen, noch stro, zaagsel of ander strooisel op de vloer. In de schuur zijn evenmin (sporen van) mest en/of urine waargenomen, noch is de geur daarvan geroken. Van en naar de schuur zijn in de zachte ondergrond geen afdrukken van hoeven gezien en evenmin van en naar de buitenbak. Dat de paarden in de betrokken periode elke avond in de schuur waren gehuisvest, acht verweerder daarom ongeloofwaardig.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft – samengevat weergegeven – het volgende naar voren gebracht. Appellant betwist de feiten en omstandigheden zoals door verweerder weergegeven in de beslissing op bezwaar. Volgens appellant staat het toezichtrapport vol onjuistheden. Er was geen sprake van verwaarlozing. Twee in paarden gespecialiseerde dierenartsen hebben dat schriftelijk bevestigd. Daarnaast hebben diverse getuigen, zoals D, E en F, verklaard dat de dieren niet verwaarloosd waren. De paarden waren niet te mager en kregen voldoende voedsel van goede kwaliteit. Dat de paarden tijdens de controle niet over voer beschikten, wil niet zeggen dat ze honger hebben. De dieren werden iedere nacht en bij regen binnen gehouden en stonden dan in de schuur. Daar was wel degelijk ruimte voor stalling. Ook de huisvesting van de dieren was volgens voornoemde dierenartsen voldoende. De dierenartsen van de NVWA zijn – anders dan de door appellant ingeschakelde dierenartsen – niet gespecialiseerd in paarden. De ondeskundigheid van de AID ter zake van paarden blijkt uit het feit dat één paard zo ondeskundig is ingeladen dat het stierf. De AID heeft zich naar de mening van appellant onvoldoende op de hoogte gesteld van de huisvesting van de paarden. Zo is nooit ’s nachts een controle uitgevoerd. De resultaten van de beoordeling door dierenarts Van Dijk op 20 mei 2010 worden door appellant als niet representatief betwist. Het onderzoek heeft twee dagen ná de inbewaringneming van 18 mei 2010 plaatsgevonden, de dieren waren door het transport gestresst en in een slechtere conditie geraakt. Verweerder heeft de situatie op 18 mei 2010 ook niet door een dierenarts laten beoordelen, terwijl dat wel had gemoeten. Die had dan kunnen beoordelen of de situatie beter of slechter was dan op 4 mei 2010. Nu geen sprake was van verwaarlozing waren voor inbeslagname van de paarden geen gronden aanwezig. De situatie was niet spoedeisend en de mogelijkheid tot legalisatie aanwezig. De waarschuwingen die appellant zijn gegeven, zijn geen besluiten. De inbewaringneming zelf is niet vooraf aangekondigd. Dat is naar de mening van appellant op zichzelf al onrechtmatig. Verweerder heeft de normale gang van zaken niet gevolgd, zodat het besluit niet naar behoren is voorbereid.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Aan de orde is of op goede gronden is besloten tot het – met toepassing van artikel 5:31, tweede lid, Awb – terstond toepassen van bestuursdwang door 19 paarden van appellant mee te voeren en in bewaring te nemen.

5.2 Het College ziet zich in de eerste plaats voor de vraag gesteld of appellant de artikelen 36 en/of 37 Gwd heeft overtreden en of verweerder derhalve bevoegd was bestuursdwang toe te passen. Het College beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

Het College stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting vast dat appellant de door verweerder in bewaring genomen 19 paarden heeft gehuisvest in een niet-overdekte rijbak en deze paarden in geval van regen niet konden beschikken over een droge ligplaats. Weliswaar heeft appellant betoogd dat de paarden ‘s nachts en in geval van regen in een aan de rijbak grenzende schuur werden ondergebracht, maar verweerder heeft onder meer onder verwijzing naar de aanvullende verklaring van Van den Bijgaart van 23 november 2010 gedetailleerd uiteengezet dat niets erop wijst dat de paarden in deze schuur (konden) worden gehuisvest. Zo heeft verweerder onder meer gewezen op het ontbreken van een zichtbaar pad waarover de paarden 2 maal per dag zouden hebben gelopen en de afwezigheid van stallingruimte voor 19 paarden. Bovendien is geen paardengeur of paardenmest in de schuur waargenomen. Appellant stelt daar louter zijn blote betwisting van die feitelijke bevindingen tegenover. Het College ziet dan ook geen aanleiding om niet van die door een bevoegde toezichthouder in een ondertekend toezichtrapport weergegeven bevindingen uit te gaan. Uit dat toezichtrapport blijkt verder ook dat appellant zelf meermalen heeft verklaard dat de 19 paarden constant buiten in de rijbak lopen, dat hij hierin geen probleem ziet en dat hij ze niet naar binnen doet.

Voorts is voor het College vast komen te staan dat appellant er niet voor heeft zorg gedragen dat de paarden over voldoende voer en over voer met een voldoende voedingswaarde beschikten en dat de paarden mager tot zeer mager waren. De door appellant overgelegde summiere en niet nader onderbouwde verklaringen van eerdergenoemde dierenartsen, alsmede van G, C, en E, weerleggen in onvoldoende mate de bevindingen van verweerder, welke worden bevestigd in de uitvoerige rapportages van dierenarts Van Dijk, die op 20 mei 2010 bij nagenoeg alle paarden een body-indexscore van 1 en 2 (zeer mager, respectievelijk mager) constateert en van taxateur Derks die eveneens op 20 mei 2010 vaststelt dat de conditie van de paarden schraal tot zeer schraal is. Het beroep van appellant op het taxatierapport van Jonkers van 22 juni 2010 faalt nu dat betrekking heeft op de toestand van de paarden op 8 juni 2010, geruime tijde na de inbewaringneming.

Het vorenstaande in aanmerking nemende concludeert het College dat appellant de paarden de nodige zorg/verzorging heeft onthouden en/of zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is de gezondheid en/of het welzijn van de paarden heeft benadeeld. Gelet hierop wordt vastgesteld dat appellant het bepaalde in de artikelen 36 en 37 van de Gwd heeft overtreden, zodat verweerder bevoegd was handhavend op te treden en daartoe bestuursdwang toe te passen.

5.3 Vervolgens komt het College toe aan de vraag of verweerder in dit geval op goede gronden heeft besloten tot het – met toepassing van artikel 5:31, tweede lid, Awb – terstond toepassen van bestuursdwang, in welk verband moet worden beoordeeld of de situatie zo spoedeisend was dat niet alleen geen begunstigingstermijn behoefde te worden gegeven, maar zelfs het nemen van een besluit niet kon worden afgewacht. Het College beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

Ten tijde van de controle op 4 mei 2010 heeft dierenarts Knaeps de huisvesting en toestand van de paarden niet zodanig ernstig en spoedeisend gewaardeerd dat onmiddellijk ingrijpen aangewezen was. Appellant is bij die gelegenheid medegedeeld dat na één maand opnieuw zou worden gecontroleerd. Verweerder heeft bij de nadere controles, uitgevoerd op 12 mei 2010, 17 mei 2010 en 18 mei 2010 de toestand van de paarden niet opnieuw door een dierenarts laten beoordelen. Het College kan derhalve, mede gelet op hetgeen appellant onder verwijzing naar de opvatting van verschillende deskundigen aangaande de toestand van de paarden heeft gesteld, niet vaststellen dat de huisvesting en toestand van de paarden sedert 4 mei 2010 zodanig was verslechterd dat op 18 mei 2010 terstond handhavend diende te worden opgetreden. Voor zover verweerder stelt dat een nieuwe beoordeling door de betrokken dierenarts op 17 en 18 mei 2010 achterwege kon blijven omdat appellant bij iedere controle expliciet te kennen heeft gegeven niet bereid te zijn de door de dierenarts noodzakelijk bevonden maatregelen door te voeren, ziet verweerder eraan voorbij dat het wettelijk kader er niet in voorziet dat deze enkele omstandigheid de vereiste spoed oplevert die artikel 5:31, tweede lid van de Awb voor onmiddellijk optreden vereist. In de overigens door verweerder gestelde feiten en omstandigheden, waaronder de schriftelijke waarschuwing van 12 mei 2010 en de daarin vervatte opdracht aan appellant tot het verwijderen van de paarden uit de rijbak vóór 15 mei 2010, kan evenmin een grond worden gevonden voor het oordeel dat de geconstateerde overtreding noopte tot onmiddellijk handhavend optreden. Naar het oordeel van het College had het in de gegeven omstandigheden op de weg van verweerder gelegen een, gelet op de houding van appellant en de toestand van de paarden desnoods (zeer) korte, begunstigingstermijn vast te stellen, waarbinnen appellant de tenuitvoerlegging van het besluit had kunnen voorkomen door zelf maatregelen te treffen.

5.4 Uit het vorenoverwogene volgt dat het beroep gegrond is. Het bestreden besluit zal dan ook worden vernietigd. Het College ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat het bestuursdwangbesluit zal worden herroepen.

5.5 Ter zitting van het College is vast komen te staan dat verweerder op 15 oktober 2010 (kenmerk HH/GWWD/2101/139 en kenmerk HH/GWWD/2010/122) en 23 september 2011 (kenmerk HHGWWD/2010/122) in totaal drie beschikkingen tot vaststelling van de kosten van bestuursdwang in de zin van artikel 5:31c, eerste lid, Awb heeft genomen. Aangezien appellant te kennen heeft gegeven deze kostenbeschikkingen (in ieder geval gedeeltelijk) te betwisten, heeft het onderhavige beroep mede betrekking op die drie beschikkingen.

Nu het College het bestuursdwangbesluit van 27 mei 2010, waarop deze drie kostenbeschikkingen zijn gebaseerd, heeft herroepen, is daarmee aan die beschikkingen de grondslag komen te ontvallen. Het beroep dat is gericht tegen de drie kostenbeschikkingen is derhalve gegrond, zodat die drie beschikkingen moeten worden vernietigd.

5.6 Het College wijst erop dat appellant ter zitting van het College te kennen heeft gegeven in deze procedure geen verzoek te doen tot vergoeding van volgens hem als gevolg van het bestuursdwangbesluit geleden schade, maar zich daartoe eventueel te wenden tot de civiele rechter.

5.7 Het College ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75 Awb, in samenhang met artikel 7:15, tweede lid, Awb, te veroordelen in de door appellant in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten, bestaande uit de kosten van de door de gemachtigde van appellant verleende rechtsbijstand, worden op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.748,- (1 punt voor het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting van het College, met wegingsfactor 1 en € 437,- per punt). Voor veroordeling van verweerder tot een vergoeding van een hoger bedrag aan proceskosten bestaat geen aanleiding.

5.8 Het College bepaalt tot slot dat verweerder het door appellant betaalde griffierecht aan hem dient te vergoeden.

6. De beslissing

Het College

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 26 juli 2010 gegrond;

- vernietigt dit besluit;

- herroept het besluit van 27 mei 2010;

- verklaart het beroep tegen de drie kostenbeschikkingen van 15 oktober 2010 en 29 september 2011 gegrond;

- vernietigt deze beschikkingen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant ten bedrage van € 1.748,- (zegge:

zeventienhonderdachtenveertig euro);

- bepaalt dat verweerder aan appellant het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,- (zegge: honderdvijftig

euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. J.L.W. Aerts, mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir en mr. J.A.M. van den Berk, in tegenwoordigheid van mr. P.H. Broier als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2012.

w.g. J.L.W. Aerts w.g. P.H. Broier