Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2012:BW9940

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
21-06-2012
Datum publicatie
29-06-2012
Zaaknummer
AWB 10/1354
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het taalgebruik van appellant is door de accountantskamer op goede grond gekwalificeerd is als diffamerend, beledigend en dreigend. Van een daadwerkelijk en oprecht pogen zich te verontschuldigen voor zijn ongepast taalgebruik, waaruit voorts blijkt dat appellant inziet dat zijn taalgebruik ongepast is en een registeraccountant onwaardig, is niet gebleken, nog afgezien dat het aanbieden van verontschuldigingen het eerdere tuchtrechtelijk verwijtbare handelen niet zonder meer wegneemt. Doorhaling voor de duur van 1 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 10/1354 21 juni 2012

20150 Wet tuchtrechtspraak accountants

Uitspraak op het hoger beroep van:

A, te B, appellant van een uitspraak van de accountantskamer van 22 november 2010, met nummer 10/1237 WTRA AK.

1. Het procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft bij brief van 13 december 2010, bij het College binnengekomen op 16 december 2010, hoger beroep ingesteld tegen bovenvermelde uitspraak van de accountantskamer, gegeven op een klacht, op 27 juli 2010 door C (hierna: klager) ingediend tegen appellant.

De accountantskamer heeft bij brief van 7 januari 2011 de stukken doen toekomen aan de griffier van het College.

Bij brief van 7 augustus 2011 heeft klager een reactie op het beroepschrift ingediend.

Op 13 oktober 2011 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad.

Appellant is in persoon verschenen. Klager is – met bericht van verhindering– niet ter zitting verschenen.

2. De uitspraak van de accountantskamer

Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klacht gegrond verklaard en appellant de maatregel van doorhaling van de inschrijving in het register als bedoeld in artikel 1, onder j, Wtra opgelegd voor de duur van één jaar.

Ter zake van de formulering van de klacht door de accountantskamer, de beoordeling van deze klacht en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer (www.tuchtrecht.nl, LJN: YH0114), die als hier ingelast wordt beschouwd.

3. De beoordeling van het hoger beroep

3.1 Appellant heeft allereerst betoogd dat de accountantskamer blijk heeft gegeven van vooringenomenheid door het aanhalen van tuchtrechtelijke zaken van ruim 11 tot 19 jaar geleden. Ook uit de – naar de mening van appellant – tendentieuze interpretatie en weergave van de feiten door de accountantskamer blijkt van een vooringenomenheid jegens appellant.

Het College overweegt hieromtrent als volgt.

Het College ziet in de stukken noch in de uitspraak een aanwijzing dat de accountantskamer – zoals appellant heeft gesteld – vooringenomen zou zijn geweest bij de beoordeling van de tegen appellant ingediende klacht. De enkele omstandigheid dat de accountantskamer niet alle door appellant aangevoerde argumenten als feiten heeft opgenomen en de accountantskamer zijn beslissing in het bijzonder zou hebben doen steunen op stellingen van klager, kan niet tot die conclusie leiden. Het College verwijst met betrekking tot het voorgaande naar zijn vaste jurisprudentie, onder meer neergelegd in zijn uitspraak van 25 juli 2003, 02/1681, LJN: AI1140.

Dat de accountantskamer de oude zaken heeft aangehaald duidt evenmin op vooringenomenheid van de accountantskamer. Appellant heeft zich meerdere malen – ook in het beroepschrift – uitgelaten over het feit dat hij al (bijna) 30 jaar accountant is zonder dat zijn integriteit daarbij in het geding is geweest. Appellant stelt daartoe in het beroepschrift dat met het feit dat hij ondertekende met “A (sinds 1982, bijna 30 jaar)” hij heeft willen benadrukken dat hij niemand zijn integriteit laat bezoedelen. Gelet hierop komt het het College niet onjuist voor dat de accountantskamer deze zaken heeft betrokken bij de beoordeling van de onderhavige klacht, temeer nu deze eerdere tuchtzaken tegen appellant eveneens betrekking hadden op zijn handelwijze en zijn wijze van communiceren.

Deze grief wordt verworpen.

3.2 Appellant heeft vervolgens grieven gericht tegen de gegrondverklaring van de klacht door de accountantskamer. Appellant richt zich met name tegen hetgeen de accountantskamer heeft overwogen in 4.4 tot en met 4.7 van de bestreden uitspraak. Kort samengevat stelt appellant zich op het standpunt dat de accountantskamer de omstandigheden heeft miskend waaronder de gedragingen waarover is geklaagd, hebben plaatsgevonden. Appellant stelt in het beroepschrift dat de punten die klager in de mail van 20 juli 2010 ter sprake heeft gebracht, al lang en breed naar volle tevredenheid en in alle transparantie waren geregeld. Appellant verwijst hiervoor naar de door hem overgelegde “Hoofdlijnen notulen Vergadering 21 mei 2010” van de investeerdersvergadering. Appellant stond in deze kwestie onder grote druk en heeft reeds zijn excuses aangeboden aan klager voor de wijze waarop hij zich eerder had uitgedrukt. De accountantskamer heeft desondanks in de uitspraak overwogen dat appellant, gezien de inhoud van het verweerschrift, er geen blijk van heeft gegeven dat hij werkelijk inziet dat zijn taalgebruik ongepast is en een registeraccountant onwaardig.

Het College overweegt dienaangaande als volgt.

In artikel 33, eerste lid, van de Wet op de Registeraccountants (hierna: Wet RA) is bepaald dat een registeraccountant bij het beroepsmatig handelen is onderworpen aan tuchtrechtspraak op de voet van de Wet tuchtrechtspraak accountants (hierna: Wtra) ter zake van a. enig handelen of nalaten in strijd met het bij of krachtens de Wet RA bepaalde en b. enig ander dan onder a bedoeld handelen of nalaten in strijd met het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep. Niet in geschil is, en ook voor het College staat vast, dat betrokkene als accountant is opgetreden. Aangezien het handelen van betrokkene waarop de klacht betrekking heeft, heeft plaatsgevonden na 1 januari 2007, dient dit handelen te worden beoordeeld aan de hand van de met ingang van die datum geldende Verordening gedragscode (hierna: VGC), meer bepaald aan (het voor alle registeraccountants geldende) deel A.

Naar het oordeel van het College heeft de accountantskamer terecht overwogen dat de mail van klager van 20 juli 2010, gericht aan de voorzitter van de werkgroep van verontruste beleggers, in kopie verzonden aan appellant, niet veel meer behelst dan een beschrijving in zakelijke bewoordingen van de financiële voorwaarden waaronder appellant zijn werkzaamheden voor de verenigde beleggers zou (gaan) verrichten. Met de accountantskamer is het College van oordeel dat de inhoud van dat e-mailbericht, noch de ingediende klacht van klager over de grievende bewoordingen van het antwoord van betrokkene hierop, in enig opzicht een verklaring, laat staan een rechtvaardiging vormen voor het taalgebruik van appellant, dat naar het oordeel van het College door de accountantskamer op goede grond gekwalificeerd is als diffamerend, beledigend en dreigend. Appellant heeft bovendien verschillende e-mailberichten met grievende bewoordingen aan klager verzonden, waarvan enkele tevens in kopie aan derden zijn verstuurd.

Het College volgt de accountantskamer in het oordeel dat door aldus te handelen appellant in strijd heeft gehandeld met de beginselen van integriteit als bedoeld in artikel A-100.4 sub a. van de VGC en van professioneel gedrag als bedoeld in artikel A-100.4 sub e van de VGC. Appellant heeft daarmee tevens gehandeld in strijd met het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep, zodat sprake is van handelen in strijd met artikel 33 Wet RA.

3.3 Appellant heeft – ook ter zitting bij het College – gesteld dat zijn uitingen het gevolg zijn geweest van een emotionele reactie en dat hij excuses heeft aangeboden voor zijn gedragingen jegens klager. Appellant heeft tevens gesteld dat hij sindsdien correct met klager omgaat en klager hem wederom schriftelijke dankbetuigingen heeft verzonden.

Het College stelt voorop dat het aanbieden van excuses de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van eerdere gedragingen niet zonder meer wegneemt. Van een daadwerkelijk en oprecht pogen zich te verontschuldigen voor zijn ongepast taalgebruik, waaruit voorts blijkt dat appellant inziet dat zijn taalgebruik ongepast is en een registeraccountant onwaardig, is het College overigens niet gebleken. Voorzover appellant met het aanbieden van zijn excuses doelt op hetgeen hij aan het slot van het bij de accountantskamer ingediende verweerschrift heeft gesteld, overweegt het College het volgende. Het verweerschrift aan de accountantskamer sluit appellant af met “Geacht College, ik heb geen idee wat C beweegt. Hij kent kennelijk het begrip niet”wie de bal kaatst, kan hem terug verwachten”. In mijn emotie heb ik me wellicht niet “fraai” uitgedrukt, waarvoor excuses, maar C moet beseffen, dat hij het er wel naar heeft gemaakt. Ik ben wars van achterbaks-, hypocriet- en zeker oneerlijkheid, nog los van het principe “vrijheid van meningsuiting’!”.

Inzicht van appellant in de mate van ongepastheid van zijn uitlatingen blijkt hieruit niet. Ook uit de door klager bij het College overgelegde e-mails van 13 januari 2011, 16 juli 2011 en 31 juli 2011 van appellant aan klager blijkt niet dat appellant de ernst van zijn gedragingen inziet en/of van een – inmiddels – verbeterde en juiste houding naar klager.

In de e-mail van 13 januari 2011 stelt appellant klager aansprakelijk voor een bedrag van € 25.000 wegens onrechtmatig handelen, smaad en laster jegens de persoon van appellant, alsmede voor de gemaakte uren/kosten voor de accountantskamer-procedure. In de e-mail van 16 juli 2011 met als onderwerp “Voortschrijdend inzicht” wordt deze aansprakelijkheidsstelling herhaald met onder andere de zinsnede “Ondanks je obsessie(s) en jalouzie heb je mij niet stuk gekregen (…)”. In de e-mail van 31 juli 2011 refereert appellant wederom aan de aansprakelijkheidstelling en eindigt met “Je schaamteloze, egoïstische, hypocriete en onrechtmatige gedragingen worden je niet in dank afgenomen!”

Gelet op het veelvuldig herhaalde ongepast taalgebruik door appellant kan het College appellant niet volgen in zijn stelling dat het taalgebruik, waar de klacht op ziet, als een door emotie ingegeven incident moet worden beschouwd.

Deze grieven falen.

3.4 Tot slot heeft appellant subsidiair betoogd dat indien de klacht gegrond zou zijn de maatregel opgelegd door de accountantskamer te zwaar is.

Het College is van oordeel dat, gezien de ernst van de gedragingen alsmede het gebrek aan inzicht daarin, de maatregel van doorhaling van de inschrijving in het register als bedoeld in artikel 1, onder j, Wtra, met een termijn van één jaar waarbinnen appellant niet opnieuw in het register kan worden ingeschreven, passend en geboden is.

De grief tegen de hoogte van de maatregel faalt derhalve eveneens.

3.4 Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is.

3.5 Na te melden beslissing op het hoger beroep berust op de artikelen A-100.4 sub a en A-100.4 sub e van de VGC, artikel 33, eerste lid, van de Wet RA en artikel 43, eerste lid, Wet tuchtrechtspraak accountants, en artikel 39 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004.

4. De beslissing

Het College verklaart het hoger beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. B. Verwayen, mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir, mr. M. van Duuren in tegenwoordigheid van mr. L.C. Bannink, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2012.

w.g. B. Verwayen w.g. L.C. Bannink