Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2012:BW9934

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
21-06-2012
Datum publicatie
29-06-2012
Zaaknummer
AWB 11/494
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen de door de accountantskamer getroffen voorlopige voorziening van tijdelijke doorhaling ivan de betreffende accountant het register. Het beroep tegen de getroffen voorziening is ongegrond.

Het NIVRA had om deze voorziening verzocht nu een vierde klacht in korte tijd was ingediend tegen de accountant waarbij het om eenzelfde tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging ging. Het betreft een ordemaatregel die kan worden opgelegd in het geval tegen een accountant ernstige bezwaren zijn gerezen en het gezien de bescherming van het openbaar belang aangewezen is de accountant met onmiddellijke ingang op non-actief te stellen. Gelet op de aard van die klachten (grievend en grof taalgebruik in verschillende verschijningsvormen) en het ontbreken van aanwijzingen – ondanks de reeds aan appellant opgelegde maatregelen – dat appellant de ernst van zijn gedragingen inziet en tot gedragsverandering zal overgaan is er in dit geval voldoende grond voor het oordeel dat een ernstig vermoeden is gerezen van handelen of nalaten als bedoeld in artikel 33, eerste lid, van de Wet op de Registeraccountants en daardoor zwaarwegende openbare belangen in het geding zijn zodat het tijdelijk doorhalen van de inschrijving van betrokkene is aangewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 11/494 21 juni 2012

20150 Wet tuchtrechtspraak accountants

Uitspraak op het hoger beroep van:

A, te B, appellant van een uitspraak van de accountantskamer van 10 juni 2011, met nummer 11/904 WTRA AK.

1. Het procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft bij brief van 21 juni 2011, bij het College binnengekomen op 22 juni 2011, hoger beroep ingesteld tegen bovenvermelde uitspraak van de accountantskamer, gegeven op een verzoek ex artikel 41, eerste lid, Wet tuchtrechtspraak accountants (hierna: Wtra) van de voorzitter van het Koninklijk Nederlands Instituut van Registeraccountants (hierna: het NIVRA) van 28 april 2011, naar aanleiding van de op 22 december 2010 jegens appellant bij de accountantskamer aanhangig gemaakte tuchtzaak, aldaar geregistreerd onder nummer 10/2210.

De accountantskamer heeft bij brief van 4 juli 2011 de stukken doen toekomen aan de griffier van het College.

Bij brief van 3 augustus 2011 heeft het NIVRA een reactie op het beroepschrift ingediend.

Op 13 oktober 2011 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad.

Appellant is in persoon verschenen.

Het NIVRA heeft zich laten vertegenwoordigen mr. N.J. Makkes, advocaat in dienstbetrekking bij het NIVRA. Voor het NIVRA is teven verschenen mr. A. Sukkel.

2. De uitspraak van de accountantskamer

Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer het verzoek, ex artikel 41, eerste lid, Wtra, van het NIVRA toegewezen en bij wijze van voorlopige voorziening in de tuchtzaak met nummer 10/2210 de inschrijving van appellant in het register als bedoeld in artikel 1, onder j, Wtra met onmiddellijke ingang tijdelijk doorgehaald.

Ter zake van het verzoek van de voorzitter van het NIVRA, de beoordeling van dit verzoek en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer (www.tuchtrecht.nl, LJN: YH0178) alsmede naar de op 31 maart 2011 genomen tussenbeslissing van de voorzitter van de accountantskamer (www.tuchtrecht.nl, LJN: YH0158) die als hier ingelast worden beschouwd.

3. De beoordeling van het hoger beroep

3.1 Op grond van artikel 41, eerste lid aanhef en sub c, Wtra is de accountantskamer, op verzoek van de voorzitter van het NIVRA, bij wijze van voorlopige voorziening bevoegd de inschrijving van de betrokkene tijdelijk door te halen in geval jegens de betrokkene een ernstig vermoeden is gerezen van handelen of nalaten als bedoeld in artikel 33, eerste lid, van de Wet op de Registeraccountants (hierna: Wet RA) en daardoor zwaarwegende openbare belangen in het geding zijn.

In artikel 33, eerste lid, van de Wet RA is bepaald dat een registeraccountant bij het beroepsmatig handelen is onderworpen aan tuchtrechtspraak op de voet van de Wtra ter zake van a. enig handelen of nalaten in strijd met het bij of krachtens de Wet RA bepaalde en b. enig ander dan onder a bedoeld handelen of nalaten in strijd met het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep.

Op grond van artikel 41, achtste lid, Wtra staat tegen de bij wijze van voorlopige voorziening opgelegde maatregel van doorhaling beroep open bij het College.

Blijkens artikel 42 Wtra vervalt de opgelegde tijdelijke doorhaling van de inschrijving, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, Wtra, op het moment dat de accountantskamer de tijdelijke doorhaling opheft, de uitspraak van de accountantskamer onherroepelijk wordt, de tijdelijke doorhaling in hoger beroep wordt vernietigd of het College de zaak zelf afdoet op grond van artikel 40, eerste lid, van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004.

3.2 Uit de hiervoor weergegeven bepalingen van de Wtra blijkt dat voor het kunnen opleggen van een maatregel van tijdelijke doorhaling bij wijze van voorlopige voorziening zwaarwegende openbare belangen in het geding moeten zijn.

Blijkens de Memorie van toelichting bij de Wtra gaat het hier om een ordemaatregel die kan worden opgelegd in het geval tegen een accountant ernstige bezwaren zijn gerezen en het gezien de bescherming van het openbaar belang aangewezen is de accountant met onmiddellijke ingang op non-actief te stellen (Kamerstukken II, 2005-2006, 30 397, nr. 3, blz. 22-23). In de Memorie van antwoord is hieraan toegevoegd dat het gaat om een instrument om onmiddellijk te kunnen optreden bij ernstige excessen die geen uitstel dulden (Kamerstukken I, 2007-2008, 30 397, C, blz. 16-17).

Uit de tekst en de geschiedenis van totstandkoming van de Wtra komt derhalve naar voren dat het treffen van een voorlopige voorziening slechts in uitzonderlijke situaties is aangewezen.

3.3 In onderhavig geschil heeft het NIVRA een verzoek ex artikel 41 Wtra ingediend nadat de voorzitter van de accountantskamer bij eerder genoemde tussenbeslissing van 31 maart 2011 (LJN: YH0158) het NIVRA de gelegenheid heeft geboden een dergelijk verzoek in te dienen. Hierbij heeft de voorzitter van de accountantskamer overwogen dat de accountantskamer niet bevoegd is ambtshalve, ook niet indien daartoe zwaarwegende termen aanwezig zijn, tijdens de behandeling van een aanhangige tuchtklacht bij wege van voorlopige voorziening een dergelijke tijdelijke maatregel te treffen. De voorzitter van de accountantskamer overweegt vervolgens dat de voorzitter van het NIVRA evenwel niet op de hoogte is of behoeft te zijn van de onderhavige tuchtrechtelijke klacht tegen betrokkene en hij krachtens de wet in het voorliggende geval de aangewezen persoon is die kan afwegen of het indienen van een verzoek tot het treffen van een voorlopige maatregel opportuun is, en dat het NIVRA als taak heeft de eer van de stand van de registeraccountants te hoeden. Gelet hierop meent de voorzitter van de accountantskamer te voldoen aan het systeem van de wet door de voorzitter van het NIVRA als belanghebbende in de gelegenheid te stellen aan de accountantskamer zijn standpunt kenbaar te maken over het in het klaagschrift verweten gedrag van appellant en over de vraag of hij aanleiding ziet een voorlopige voorziening te verzoeken.

Deze tussenbeslissing ligt in de onderhavige procedure niet ter toetsing voor als besluit waartegen hoger beroep is ingesteld. Tegen een tussenbeslissing van de voorzitter van de accountantskamer staat op grond van artikel 43, tweede lid, Wtra geen hoger beroep open.

3.4 Appellant heeft bezwaren geuit tegen deze door de voorzitter van de accountantskamer gevolgde procedure, stellende dat er sprake is van een vooringenomenheid jegens hem van de accountantskamer en dat de accountantskamer samenspant met het NIVRA om hem bij wijze van voorlopige voorziening te kunnen laten schorsen.

Dienaangaande overweegt het College als volgt.

Zoals de voorzitter van de accountantskamer in de tussenbeslissing heeft overwogen is hij niet bevoegd ambtshalve bij wege van voorlopige voorziening een tijdelijke maatregel te treffen. Namens het NIVRA is ter zitting bij het College desgevraagd aangegeven dat het NIVRA een register bij houdt van de klachten die worden ingediend en van de tuchtuitspraken die worden gedaan. De overweging van de voorzitter van de accountantskamer, dat het NIVRA niet op de hoogte is of behoeft te zijn van een klacht, levert dan ook niet de door de voorzitter van de Accountantskamer gestelde noodzaak op om – teneinde te voldoen aan het systeem van de wet – het NIVRA te betrekken in de voorliggende klachtprocedure door het door middel van een tussenbeslissing als de onderhavige in de gelegenheid te stellen zijn standpunt kenbaar te maken. Het is de verantwoordelijkheid van het NIVRA om op eigen initiatief een verzoek ex artikel 41 Wtra in te dienen naar aanleiding van een ingediende klacht.

Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat door de voorzitter van de accountantskamer – op grond van een onjuiste feitelijke veronderstelling omtrent de noodzaak om via een tussenbeslissing als de onderhavige het NIVRA te informeren over nieuw ingediende klachten – een procedure is gevolgd die zich niet op juiste wijze verhoudt tot de eigen verantwoordelijkheid van het NIVRA. Voorzover appellant met zijn naar voren gebrachte bezwaren – hij spreekt in zijn beroepschrift van een “vendetta” van de accountantskamer en het NIVRA tegen hem – heeft beoogd te betogen dat reeds door de hier gevolgde procedure sprake is van een zodanig ernstig gebrek in de voorbereiding en procedure van totstandkoming van de onderhavige uitspraak van de accountantskamer dat dit de rechtmatigheid daarvan aantast, volgt het College hem daarin evenwel niet.

Daartoe overweegt het College dat appellant slechts in zoverre gevolgd kan worden in zijn bezwaren, dat in de toepassing van de door de voorzitter van de accountantskamer gevolgde procedure een oordeel van die voorzitter ten aanzien van de noodzaak van die maatregel besloten zou kunnen liggen, althans dat de schijn van zo’n oordeel bij de voorzitter door die toepassing niet naar behoren vermeden wordt. De voorzitter heeft echter geen deel uitgemaakt van de meervoudige kamer die op het vervolgens ingediende verzoek van het NIVRA heeft beslist. Ook overigens ziet het College geen grond voor het oordeel dat zou moeten worden aangenomen dat de door de voorzitter gevolgde procedure in dit geval tot een ontoelaatbare inbreuk op de onafhankelijke en onpartijdige beoordeling door de leden van de accountantskamer, die op het verzoek van de voorzitter van het NIVRA beslist hebben. Voorts stelt het College vast dat de voorzitter van het NIVRA een, uitgebreid gemotiveerd, verzoek heeft ingediend. Het College ziet in hetgeen daarin is gesteld noch anderszins voldoende aanknopingspunt voor het oordeel dat aangenomen zou moeten worden dat een degelijk verzoek achterwege zou zijn gebleven of anders zou hebben geluid, indien de voorzitter van de accountantskamer deze tussenbeslissing niet had genomen.

Het NIVRA heeft het verzoek ingediend en dit verzoek uitgebreid gemotiveerd onder verwijzing naar het aantal klachten dat in het verleden tegen appellant is ingediend (11 klachten vanaf 1991), de aard van die klachten (grievend en grof taalgebruik in verschillende verschijningsvormen) en het ontbreken van aanwijzingen – ondanks de reeds aan appellant opgelegde maatregelen – dat appellant de ernst van zijn gedragingen inziet en tot gedragsverandering zal overgaan. De voorzitter van het NIVRA wijst erop dat de klacht die hier aan de orde is, de vierde klacht op rij is gericht op het door appellant op ernstige wijze schenden van de fundamentele beginselen uit de VGC. Twee van deze klachten waren ten tijde van het indienen van het verzoek door de accountantskamer gegrond verklaard en daarbij is de maatregel tot doorhaling voor respectievelijk één en tien jaar opgelegd. Deze uitspraken waren ten tijde van het indienen van het verzoek nog niet onherroepelijk. Het NIVRA heeft het verzoek ingediend omdat gelet op de geconstateerde gedragingen het openbaar belang met zich brengt dat reeds nu voor derden duidelijk wordt dat betrokkene niet meer gerechtigd is zich te presenteren als registeraccountant.

Deze grief van appellant met betrekking tot de voorbereiding en procedure van totstandkoming van de uitspraak van de accountantskamer slaagt derhalve niet.

3.5 Appellant heeft voorts in beroep aangevoerd dat de accountantskamer ten onrechte de inschrijving van appellant in het register heeft doorgehaald. Appellant stelt dat er geen zwaarwegende openbare belangen in het geding zijn en dat de accountantskamer zich alleen baseert op zijn wijze van uitdrukken of communiceren en niet op zijn vaktechniek of professionaliteit. Appellant stelt zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid in zijn strijd tegen fraude en onrechtvaardigheid te nemen en het gevoel te hebben dat hij geslachtofferd wordt. De accountantskamer gaat daarin, naar de opvatting van appellant, zo ver dat hem zelfs opmerkingen van anderen verweten wordt. Appellant stelt dat hij zijn gelijk heeft bewezen nu de investeerders in de Regge Zekerheidsholding B.V. reeds miljoenen hebben verloren door de malversaties en fraude. In de visie van appellant zijn de tuchtzaken waaraan het NIVRA refereert geen klachtzaken maar gerechtvaardigde incassozaken. Appellant ziet dan ook geen enkele reden om hem als RA te door te halen, hij verdient juist een ‘dikke pluim” voor zijn werkzaamheden.

3.5.1 Het College overweegt als volgt.

Het NIVRA heeft het verzoekschrift ingediend hangende de behandeling door de accountantskamer van de klacht met zaaksnummer 10/2210. Op dat moment waren bij de accountantskamer nog drie andere klachten ingediend (zaaknummers: 10/1237, 10/1501 en 10/2153). Twee daarvan (de zaken met nummers 10/1237 en 10/1501) hebben geleid tot gegrondverklaring van de klachten met oplegging aan appellant van een maatregel, te weten doorhaling van de inschrijving in het register voor de duur van respectievelijk één jaar en tien jaar (www.tuchtrecht.nl, LJN: YH0114 en LJN: YH0155).

Het College dient bij de beoordeling van het hoger beroep uit te gaan van de situatie zoals deze voorlag op het moment van de bestreden tuchtuitspraak en zal derhalve beoordelen of er reeds op dat moment voldoende aanleiding bestond een ernstig vermoeden van handelen of nalaten als bedoeld in artikel 33, eerste lid, van de Wet RA aanwezig te achten, alsmede of er sprake was van dusdanig zwaarwegende openbare belangen die nopen tot tijdelijke doorhaling van de inschrijving van appellant.

3.5.2 Het College ziet in dit geval voldoende grond voor het oordeel dat een ernstig vermoeden is gerezen van handelen of nalaten als bedoeld in artikel 33, eerste lid, van de Wet op de Registeraccountants en daardoor zwaarwegende openbare belangen in het geding zijn zodat het tijdelijk doorhalen van de inschrijving van betrokkene is aangewezen.

Appellant wordt verweten zich te bedienen van diffamerend, beledigend en dreigend taalgebruik waarbij hij zich nadrukkelijk beroept op zijn status van registeraccountant. De klachten in de verschillende – reeds door de accountantskamer behandelde – procedures zien op gedragingen van appellant rondom de door appellant bestreden activiteiten van de Regge Zekerheidsholding B.V.. De gedragingen van appellant richten zich op alle participanten – zowel individuele investeerders van wie appellant stelt de belangen te behartigen, als de stichting die voor de groep investeerders opkomt alsook op de directeur van de Regge Zekerheidsholding B.V. Tevens heeft appellant zijn gewraakte uitingen ook buiten deze groep van participanten geventileerd.

Nu ten tijde van het verzoek van het NIVRA reeds voor twee klachten door de accountantskamer aan appellant de maatregel van doorhaling was opgelegd en daarnaast twee andere klachten waren ingediend die zien op soortgelijke gedragingen jegens andere klagers, heeft de accountantskamer op goede gronden kunnen oordelen dat geen vertrouwen bestond dat appellant zijn gedrag in zijn hoedanigheid van RA zou aanpassen en dat het openbaar belang derhalve vorderde dat appellant met onmiddellijke werking als RA zou worden doorgehaald. Alsdan is het voor derden duidelijk dat appellant zich, totdat één van de situaties als beschreven in artikel 42 Wtra zich voordoet, niet meer kan presenteren als registeraccountant.

De stelling van appellant dat niet over zijn inhoudelijke werkzaamheden wordt geklaagd maar alleen over zijn wijze van communiceren en dat bovendien door de accountantskamer uitspraken van anderen aan hem worden toegedicht, kan niet leiden tot een ander oordeel. Appellant miskent met zijn stelling, wat er zij van de vraag of die stelling juist is, dat ook de wijze van communiceren een ernstig vermoeden van handelen of nalaten als bedoeld in artikel 33, eerste lid, van de Wet op de Registeraccountants kan opleveren.

Ten aanzien van de opmerkingen die volgens appellant ten onrechte aan hem zouden zijn toegerekend merkt het College op dat in de uitspraak van de accountantskamer is opgenomen dat deze uitlatingen “door of namens” appellant zijn gedaan en voorts dat de andere uitlatingen waar de uitspraak op ziet niet door appellant worden betwist. Naar het oordeel van het College is er dan ook voldoende grond voor het opleggen van de tijdelijke doorhaling.

3.6 Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is.

3.7 Na te melden beslissing op het hoger beroep berust op artikelen 41 en 43, eerste lid, Wtra en artikel van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004.

4. De beslissing

Het College verklaart het hoger beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. B. Verwayen, mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir, mr. M. van Duuren in tegenwoordigheid van mr. L.C. Bannink, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2012.

w.g. B. Verwayen w.g. L.C. Bannink