Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2012:BW8808

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
15-06-2012
Datum publicatie
20-06-2012
Zaaknummer
AWB 10/429
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Productschap hoeft gelet op artikel 4:102 Awb niet over te gaan tot vergoeding wettelijke rente over de teveel betaalde heffing; er was sprake van een onjuiste aangifte.

Geen restitutie van alle via de veiling afgedragen heffingen. Bij verhandeling via de veiling van geïmporteerde producten is de veilingwaarde de heffingsgrondslag en niet de invoerwaarde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 10/429 15 juni 2012

4240 Bloemkwekerijheffing

Uitspraak in de zaak van:

A B.V., te B, appellante,

gemachtigde: mr. A.J. Braakman, advocaat te Rotterdam,

tegen

het Productschap Tuinbouw, verweerder,

gemachtigden: mr. Th. Keizer, werkzaam bij verweerder en mr. R.J.M. van den Tweel, advocaat te Den Haag.

1. Het procesverloop

Appellante heeft eind 2008 en eind 2009 aangifte gedaan over de handel in bloemkwekerijproducten, voor 2007, respectievelijk 2008. Bij besluiten van 9 december 2009 heeft verweerder aan appellante heffingen opgelegd op grond van de Verordening PT vakheffing bloemkwekerijproducten (hierna: Verordening) 2007/2 en de Verordening 2008.

Bij besluit van 29 maart 2010 heeft verweerder het hiertegen gericht bezwaar gegrond verklaard voor zover het bezwaar was gericht tegen het HbAG-gedeelte van de heffing. Voor het overige werd het bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder heeft appellante bij brief van 16 april 2010 herziene nota’s toegezonden.

Tegen het besluit van 29 maart 2010 heeft appellante bij brief van 4 mei 2010, bij het College binnengekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld. Bij brief van 15 juni 2010 heeft appellante de gronden van beroep aangevuld.

Bij brief van 29 juli 2010 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Bij brief van 11 april 2011 heeft verweerder vragen van het College beantwoord.

Op 21 april 2011 heeft het eerste onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij namens verweerder mr. J.A. Bruin, mr. Th. Keizer en de heer J.J. van Es, allen werkzaam bij verweerder, zijn verschenen. Namens appellante verscheen haar gemachtigde, evenals mevrouw C, werkzaam bij appellante en de heer D, accountant.

Op deze zitting is het onderzoek ter zitting geschorst om partijen de gelegenheid te geven overeenstemming te bereiken over de vaststelling van de heffingsgrondslag. Verweerder heeft bij brief van 27 mei 2011 laten weten dat overeenstemming is bereikt en dat verder overleg over de bedragen zou volgen. Bij brief van 19 september 2011 heeft verweerder de herziene nota’s aan het College doen toekomen. Appellante heeft het College verzocht de zaak niet te sluiten nu partijen verdeeld zijn over twee vragen.

Op 10 april 2012 heeft nader onderzoek ter zitting plaatsgehad. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.J.M. van den Tweel. Namens appellante verschenen wederom haar gemachtigde, mevrouw C en de heer D.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Verweerder heeft de heffingen in geschil opgelegd op grond van de Verordening 2007/2 en de Verordening 2008. De heffingen zijn opgelegd over geïmporteerde en buiten de veiling om verhandelde bloemkwekerijproducten in de jaren 2007 en 2008. De heffingen zijn berekend op basis van ambtshalve schattingen, nu de aangiftes van de aankoopwaarde van de geïmporteerde bloemkwekerijproducten volgens verweerder sterk afweken van de omzetten die in het kader van een eerdere boekencontrole waren geconstateerd. In beroep hebben partijen overeenstemming bereikt over de vaststelling van de heffingsgrondslag; uitgangspunt voor de vaststelling van de aankoopwaarde is de gemiddelde prijs die per week op de veiling wordt gerealiseerd voor de gehele categorie grootbloemige rozen. Dit heeft geleid tot restitutie van een deel van de reeds betaalde heffingen.

2.2 De jaren waarop het geschil betrekking heeft

Na het overleg dat heeft plaatsgevonden na de zitting van 21 april 2011 is overeenstemming bereikt over de heffingen die zijn verschuldigd over de jaren 2007, 2008 en 2009. Appellante betoogt dat ook de heffing, opgelegd over 2009, onderdeel uit maakt van dit geschil.

Verweerder stelt dat de cijfers over 2009 als uitgangspunt zijn genomen voor de berekening van de heffing over 2007 en 2008. Dat maakt volgens verweerder niet dat 2009 onderdeel uitmaakt van het onderhavige beroep. Er loopt een andere bezwaarprocedure die ziet op 2009.

Naar het oordeel van het College maakt de heffing opgelegd over het jaar 2009 geen onderdeel uit van het geschil nu de besluiten waartegen bezwaar is gemaakt en beroep is ingesteld enkel betrekking hadden op de jaren 2007 en 2008. Dat verweerder naar aanleiding van de bereikte overeenstemming ook de nota over het jaar 2009 heeft herzien geeft geen aanleiding voor een ander oordeel.

2.3 De beroepsgronden

Nu partijen tijdens het overleg na de zitting van 21 april 2011 tot overeenstemming zijn gekomen behoeven de oorspronkelijke beroepsgronden naar het oordeel van het College geen beoordeling. Aan de orde zijn nog slechts de nadien ontstane geschilpunten.

2.3.1 Vergoeding van wettelijke rente over teveel betaalde heffing

Appellante stelt dat verweerder, door de heffingen te herzien, heeft erkend dat zij een fout heeft gemaakt. Zij betoogt dat verweerder de samengestelde wettelijke rente over de teveel betaalde heffing die inmiddels is gerestitueerd, dient te vergoeden. Volgens appellante is sprake van een gekwalificeerde schending van gemeenschapsrecht, zodat een integrale vergoeding van de schade, zijnde onder meer de rente, aangewezen is.

Verweerder is van oordeel dat de wettelijke rente over de teveel betaalde heffing niet hoeft te worden vergoed. Daarvoor is van belang dat in artikel 4:102, derde lid, Awb bepaalt dat geen wettelijke rente is verschuldigd voor zover de belanghebbende onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt. Tijdens het overleg is gebleken dat de bedragen zoals genoemd in de aangiften niet correct waren. Appellante heeft dus onjuiste gegevens verstrekt. Niet kan worden gezegd dat verweerder vóór de vaststelling van het besluit in september 2011 in verzuim is geweest.

Los van de vraag of het door appellante betoogde over de gekwalificeerde schending moet leiden tot het door haar bepleite gevolg, kan hier naar het oordeel van het College niet worden gezegd dat sprake is van een dergelijke schending, nu het herstel van de opgelegde heffing mede het gevolg is van de onjuiste dan wel onvolledige aangifte door appellante. Vaststaat immers dat uiteindelijk niet de door appellante in de aangifte opgegeven aankoopwaarde als vertrekpunt voor de berekening van de heffing is genomen; die opgegeven waarde ligt ver onder het niveau van de uiteindelijk overeengekomen aankoopwaarde. Onder die omstandigheden en gelet op artikel 4:102, derde lid, Awb is verweerder geen wettelijke rente verschuldigd over het door appellante te veel betaalde en door verweerder gerestitueerde bedrag De grond slaagt derhalve niet.

2.3.2 Restitutie van door de veiling ingehouden bedragen

Appellante stelt tevens dat bedragen die door de veiling zijn ingehouden en aan verweerder zijn doorbetaald, dienen te worden gerestitueerd, met inbegrip van wettelijke rente. De nota’s die appellante heeft ontvangen van de veiling vermelden voor wat betreft de verkopen via de veiling, enkel de veilingwaarde van de verkochte producten waarover de ingehouden heffingen zijn berekend. Gelet op de uitspraak in de zaak AWB 09/861 (www.rechtspraak.nl, LJN: BS1693) kwalificeren deze nota’s voor zover het gaat om de heffing over via de veiling verkochte producten dus niet als besluiten in de zin van de Awb. De bedragen die via de veiling zijn betaald, zijn dus vrijwillig verrichte aanbetalingen, dan wel vervroegde betalingen van de heffing. Appellante heeft haar impliciete toestemming aan de veiling met terugwerkende kracht ingetrokken en verweerder gesommeerd om de bedragen te restitueren. Daarnaast blijkt uit de nota’s van 16 september 2011 dat de veiling voor de door haar ingehouden bedragen de klokprijs als berekeningsgrondslag hanteert. De klokprijs ligt aanmerkelijk hoger dan de CIF-invoerwaarde nu in de klokprijs de winst van de importeur en de kosten van de veiling zijn inbegrepen. Deze systematiek is volgens appellante in strijd met de toepasselijke verordeningen. Voor de inhoudingen via de veiling moet ook worden uitgegaan van de CIF-invoerwaarde.

Volgens verweerder wordt de importeur bij handel via de veiling geacht de heffing te hebben voldaan, aangezien de veiling over transacties een bedrag inhoudt. De inhouding door de veiling is echter geen betaling aan verweerder. De veiling handelt namens de importeur, en niet namens verweerder. De betaling aan de veiling is dan ook geen betaling aan verweerder. Ook over het via de veiling afgedragene is overeenstemming bereikt.

Het College oordeelt hieromtrent als volgt. Allereerst dient de vraag te worden beantwoord in hoeverre de heffing voor verkopen via de veiling valt binnen de omvang van het geschil. Hoewel de oorspronkelijke nota’s van 9 december 2009 enkel de heffing voor verkopen buiten de veiling om bevatten, zijn door de vermelding van de via de veiling betaalde heffingen op de nota’s van 16 september 2011, de (restitutie van) via de veiling afgedragen heffingen door verweerder tot onderdeel van het geschil gemaakt. De beoordeling van het College kan zich derhalve, anders dan het oordeel in de zaak AWB 09/861, ook uitstrekken over de heffing die appellante verschuldigd is voor de verkopen via de veiling.

De bedragen die door de veiling zijn ingehouden, zijn ingehouden op basis van een haar daartoe door de kweker of importeur verleende machtiging. Deze bedragen kunnen niet anders worden geduid dan als een vrijwillig te verrichten aanbetaling op, dan wel vervroegde betaling van, de heffing. De veiling betaalt de bedragen door aan verweerder en handelt daarbij namens de kweker of importeur en niet namens verweerder. Een eventuele intrekking van appellante, van de toestemming om de heffingen op haar handel in te houden, heeft derhalve geen directe gevolgen voor de betalingen aan verweerder. Deze intrekking heeft dan ook niet tot gevolg dat de betaling aan verweerder onverschuldigd is, zodat ook deze grond niet slaagt.

Met betrekking tot de grief over de heffingsgrondslag in geval van verkopen via de veiling overweegt het College als volgt. De Verordening 2007/2 en Verordening 2008 bepalen in artikel 4, eerste lid, dat de heffing voor de importeur wordt opgelegd over de invoerwaarde en in artikel 4, derde lid, dat in geval van rechtstreekse verhandeling van geïmporteerde bloemkwekerijproducten door tussenkomst van een veiling de veilingwaarde als invoerwaarde wordt aangemerkt. Gelet op deze bepalingen bestaat er naar het oordeel van het College onvoldoende grond voor de stelling van appellante dat verweerder hier ten onrechte de veilingwaarde en niet de invoerwaarde als heffingsgrondslag heeft genomen. Anders dan appellante stelt is van strijd met de systematiek van de Verordeningen geen sprake.

2.4 Het College verklaart het beroep ongegrond.

2.5 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M. van Duuren, mr. R.F.B. van Zutphen en mr. M. Munsterman, in tegenwoordigheid van mr. J.A. de Koning als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2012.

w.g. M. Munsterman w.g. J.A. de Koning

Bij afwezigheid van de voorzitter is deze uitspraak getekend door mr Munsterman.