Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2012:BW7942

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
30-05-2012
Datum publicatie
11-06-2012
Zaaknummer
AWB 11/792
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling GLB-inkomenssteun

besluitbegrip 1:3 Awb

overzicht geregistreerde toeslagrechten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 11/792 30 mei 2012

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak in de zaak van:

A V.O.F., te B, appellante,

gemachtigde: ing. P.J.M.M. Vullinghs, werkzaam bij Pijnenburg Agrarisch Adviesburo te Horst,

tegen

de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, verweerder,

gemachtigde: mr. N.J.H. Klomp, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. Het procesverloop

Bij besluit van 15 februari 2011 heeft verweerder appellantes aanvraag voor de Nationale Reserve – overheidsinterventie 2010 voor 6.34 hectare toegewezen. Appellante kreeg daardoor recht op 16,59 toeslagrechten met een waarde per toeslagrecht van € 894,88. Bij brief van 21 maart 2011 is deze wijziging in het Overzicht geregistreerde toeslagrechten verwerkt.

Bij besluit van 24 augustus 2011 heeft verweerder appellantes bezwaar tegen de brief van 21 maart 2011 niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 5 oktober 2011, ingekomen bij het College op dezelfde datum, beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken toegezonden.

Op 25 april 2012 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij C en D het standpunt van appellante hebben toegelicht. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Appellante heeft 6.33.70 hectare grond aan het Waterschap Aa en Maas verkocht ten behoeve van de inrichting van een ecologische verbindingszone. Bij besluit van 15 februari 2011 heeft verweerder de aanvraag van appellante om in aanmerking te komen voor toeslagrechten uit de Nationale Reserve op basis van overheidsinterventie toegewezen. Appellante heeft daardoor 16,59 toeslagrechten met een waarde per toeslagrecht van € 894,88 gekregen. Daarnaast behield appellante 3,85 toeslagrechten met een waarde van elk €1.040,31 die zij per 15 mei 2006 had aangekocht. In het Overzicht geregistreerde toeslagrechten van 21 maart 2011 is het voorgaande weergegeven.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard, kort gezegd omdat het Overzicht geregistreerde toeslagrechten van 21 maart 2011 geen besluit is maar enkel een informatieve functie heeft. 2.2 In beroep voert appellante aan dat verweerder appellantes toeslagrechten niet op de juiste manier heeft vastgesteld. Een medewerker van verweerders Dienst Regelingen heeft per e-mail vooraf ten onrechte medegedeeld dat 6.34 toeslagrechten minder zouden worden toegekend maar dat dit niet van invloed zou zijn op de totale waarde van de toeslagrechten. Appellante is van deze mededeling uitgegaan en lijdt schade omdat verweerder de toeslagrechten vervolgens niet op de juiste manier heeft vastgesteld, waardoor appellante uiteindelijk minder betalingen ontvangt.

2.3 Ter beoordeling van het College staat of verweerder het bezwaar van appellante tegen het Overzicht geregistreerde toeslagrechten van 21 maart 2011 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Bezwaar kan worden gemaakt tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Onder een besluit wordt verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Met het begrip rechtshandeling wordt een handeling gericht op rechtsgevolg bedoeld.

Het College is van oordeel dat het Overzicht geregistreerde toeslagrechten van 21 maart 2011 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 Awb. Het aantal en de waarde van appellantes toeslagrechten zijn immers eerder, namelijk bij besluit van 15 februari 2011, vastgesteld. Het overzicht van 21 maart 2011 verandert niets aan deze vaststelling en brengt geen wijziging in appellantes aanspraken. Het overzicht is derhalve niet op rechtsgevolg gericht. Het College verwijst hierbij naar zijn uitspraak van 8 april 2010 (LJN: BM3291). Dit betekent dat verweerder appellantes bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Dat appellante na ontvangst van het besluit van 15 februari 2011 – in overleg met haar adviseurs - op basis van een achteraf onjuist gebleken eigen berekening aan de hand van de in dat besluit neergelegde gegevens heeft besloten om daartegen geen bezwaar te maken, dient voor rekening en risico van appellante te blijven. Naar het oordeel van het College wordt deze onjuiste interpretatie van het besluit van 15 februari 2011 immers niet gerechtvaardigd door de inhoud daarvan. Voor zover appellantes bezwaar geacht moet worden tevens te zijn gericht tegen het besluit van 15 februari 2011, is het bezwaar niet binnen de voorgeschreven termijn van zes weken gemaakt, terwijl van verschoonbaarheid van deze termijnoverschrijding niet is gebleken.

2.4 Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. S.C. Stuldreher, mr. R.F.B. van Zutphen en mr. C.J. Waterbolk, in tegenwoordigheid van mr. J. van Santvoort als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2012.

w.g. S.C. Stuldreher w.g. J. van Santvoort