Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2012:BW7934

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
06-06-2012
Datum publicatie
11-06-2012
Zaaknummer
AWB 11/739
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Regeling GLB-inkomenssteun 2006; Nationale Reserve; uitbreiding van nieuwe stalcapaciteit

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 11/739 6 juni 2012

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak in de zaak van:

de vennootschap onder firma A, te B, appellante,

gemachtigde: ir. S. Boonstra, werkzaam bij LTO-Noord Advies te Drachten,

tegen

de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, verweerder,

gemachtigde: mr. M.W. Oomen, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. Het procesverloop

Appellante heeft bij brief van 19 september 2011, bij het College binnengekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 15 augustus 2011.

Bij dit besluit heeft verweerder ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen het besluit van 12 april 2011, waarbij verweerder afwijzend heeft beslist op appellantes aanvraag om toekenning van toeslagrechten uit de Nationale Reserve 2010 op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (hierna: Regeling) omdat zij niet ten minste

€ 100.000, - heeft geïnvesteerd in uitbreiding van nieuwe stalcapaciteit.

Verweerder heeft verweer gevoerd en de gedingstukken ingezonden.

Op 24 februari 2012 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij voor appellante verscheen haar vennoot C, bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder werd ter zitting vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. De beoordeling

2.1 De Regeling luidt voor zover van belang:

" Artikel 16

1. De minister wijst op grond van artikel 21 van verordening 1120/2009 toeslagrechten uit de nationale reserve toe aan landbouwers.

2. Landbouwers kunnen verzoeken om toepassing van het eerste lid, indien zij ten genoegen van de minister aantonen dat:

a. zij in de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2009 een investering in uitbreiding van nieuwe stalcapaciteit hebben gerealiseerd van meer dan € 100.000,

b. de investering rechtstreeks heeft geleid tot een stijging van het aantal dieren dat de landbouwer uiterlijk op 1 april 2010 houdt,

c. de investering uiterlijk op 31 december 2009 volledig is gerealiseerd en ten minste tot en met 31 december 2010 in stand wordt gehouden.

Artikel 17

1. De toewijzing van toeslagrechten op grond van artikel 16, eerste lid, geschiedt aan de hand van de volgende berekening:

a. er worden vier diercategorieën en daarmee corresponderende vermenigvuldigingsfactoren vastgesteld, respectievelijk:

i. vleeskalveren voor witvlees en rosévlees, jonger dan 8 maanden, met vermenigvuldigingsfactor 1,9,

ii. vleeskalveren voor rosévlees, 8 maanden of ouder, met vermenigvuldigingsfactor 1,4,

iii. vleesstieren, met vermenigvuldigingsfactor 1,0, en

iv. overige volwassen runderen, met vermenigvuldigingsfactor 0,3,

b. de vermenigvuldigingsfactor, bedoeld in onderdeel a, onderdeel i, wordt vermenigvuldigd met het aantal dieren dat binnen de totale stalcapaciteit kan worden gehouden en vervolgens vermenigvuldigd met het bedrag dat overeenstemt met het op grond van artikel 10 berekende bedrag voor vleeskalveren.

c. de vermenigvuldigingsfactor, bedoeld in onderdeel a, onderdelen ii, iii en iv, wordt vermenigvuldigd met het aantal dieren dat binnen de totale stalcapaciteit kan worden gehouden en vervolgens vermenigvuldigd met het bedrag dat overeenstemt met het op grond van artikel 10 berekende bedrag voor volwassen runderen.

2. Het op grond van het eerste lid berekende bedrag wordt met 0,90 vermenigvuldigd, vervolgens verminderd met het door de landbouwer ontvangen bedrag op grond van artikel 10 voor volwassen runderen of kalveren, daarna verminderd met

€ 500 en verder evenredig verlaagd indien het totaal van de voor tegemoetkoming in aanmerking te nemen aanvragen het bedrag van € 8.500.000 overstijgt.

3. Indien het op grond van het eerste en tweede lid berekende bedrag, met uitzondering van het door de landbouwer ontvangen bedrag op grond van artikel 10 voor volwassen runderen of kalveren, toegepast op het extra aantal dieren dat door de investering in stalcapaciteit kan worden gehouden, lager is dan het op grond van het eerste en tweede lid berekende bedrag, geldt het lagere bedrag voor de toewijzing op grond van artikel 16, eerste lid. "

2.2 Appellante, vóór 2007 geen agrarisch ondernemer, heeft in 2007 een woning met bijbehorende melkveestal gekocht voor de koopsom van € 465.000,-. Blijkens de koopakte is van dit bedrag € 155.000,- toegerekend aan de bedrijfsopstallen, welke toentertijd geschikt waren voor het houden van melkvee. Appellante heeft deze bestaande stallen gerenoveerd en aangepast voor de kalverenhouderij.

Bij formulier, gedateerd 11 mei 2010, heeft appellante verzocht om toekenning van een extra referentiebedrag uit de nationale reserve. In het aanvraagformulier is vermeld dat zij op 25 oktober 2007 een investering in de uitbreiding van stalcapaciteit voor rosékalveren en weide- en zoogkoeien heeft gerealiseerd.

Bij primair besluit van 12 april 2011 heeft verweerder de aanvraag afgewezen op grond van artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, van de Regeling.

Bij besluit van 15 augustus 2011 heeft verweerder, beslissend op het bezwaar van 19 mei 2011 van appellante tegen de afwijzing, overwogen dat appellante heeft geïnvesteerd in de aankoop van een bestaande stal. Een dergelijke investering in stalcapaciteit komt niet in aanmerking voor toekenning van een bedrag uit de nationale reserve. Met 'uitbreiding van nieuwe stalcapaciteit' wordt immers bedoeld dat door de aanvrager een nieuwe stal is gebouwd; landbouwers die een bestaande stal hebben aangekocht kunnen geen beroep doen op de nationale reserve. Verweerder heeft tevens overwogen dat hij wordt beperkt in zijn afweging van belangen als bedoeld in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) aangezien het vereiste dat sprake is van nieuwe stalcapaciteit niet zijnde aankoop van bestaande stallen een wettelijk vereiste is.

2.3 Appellante voert in beroep het volgende aan.

Ten onrechte is appellante in de bezwaarfase niet gehoord. Het zonder meer afdoen van het bezwaar als kennelijk ongegrond is prematuur en doet geen recht aan de zaak, zeker omdat het hier een zeer specifieke situatie betreft.

Appellante meent dat de investeringsregeling slachtpremie (aanvraag Nationale Reserve 2010) voor haar situatie is bedoeld. Op basis van een historische referentieperiode is de slachtpremie ingedaald in bestaande of nieuwe toeslagrechten. Sommige bedrijven, zoals appellante, hebben weinig of geen referentie opgebouwd omdat zij tijdens of na de referentieperiode hebben geïnvesteerd in stalcapaciteit. Die bedrijven kunnen in aanmerking komen voor extra bedrijfstoeslag uit de Nationale Reserve indien is geïnvesteerd in nieuwe stalcapaciteit. Investering in dan wel aankoop van een bestaande stal komt niet in aanmerking omdat het niet de bedoeling is dat zowel de verkoper (op basis van opgebouwde referentie) als de koper (op basis van de investeringsregeling) bedrijfstoeslag ontvangen. In het geval van appellante is geen sprake van voornoemde situatie: aangezien de oude stal een melkveestal was, hield de oude eigenaar geen rosékalveren en bouwde hij daarvoor dus geen referentie op. In die situatie is geen sprake van dubbele steun.

Daarnaast meent appellante dat zij heeft geïnvesteerd in nieuwe stalcapaciteit voor rosékalveren. Zij heeft immers een bestaand gebouw aangekocht en dit gebouw omgebouwd / gerenoveerd tot een stal waarin rosékalveren kunnen worden gehouden. De stalcapaciteit voor rosékalveren is daardoor toegenomen. Indien appellante het bestaande gebouw had gesloopt of alleen grond had aangekocht en een nieuwe stal had gebouwd, zou zij zonder meer in aanmerking zijn gekomen voor toeslagrechten uit de Nationale Reserve. Het besluit geeft dan ook geen blijk van een zorgvuldige belangenafweging.

Subsidiair stelt appellante dat zij als gevolg van de afwijzing naast schade door het niet kunnen verzilveren van toeslagrechten schade lijdt in de vorm van onder meer het niet kunnen afsluiten van contracten en schade door uitstel van betalingsverplichtingen.

2.4 Het College overweegt dat ingevolge artikel 7:3, aanhef en onder b, Awb van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Blijkens de geschiedenis van haar totstandkoming vormt de hoorplicht een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftprocedure. Van een kennelijk ongegrond bezwaar is sprake indien uit het bezwaarschrift zelf reeds aanstonds blijkt dat het bezwaar ongegrond is en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. Van een kennelijk ongegrond bezwaar is in het algemeen ook sprake wanneer het om een gebonden besluit gaat en er geen verschil van mening bestaat over het in het primaire besluit aangenomen feitencomplex.

Het College stelt vast dat in het primaire besluit slechts in algemene bewoordingen wordt verwezen naar artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a van de Regeling, maar niet is uitgewerkt of niet is voldaan aan het criterium van uitbreiding van stalcapaciteit of aan het vereiste van een investering van meer dan € 100.000. Naar het oordeel van het College rechtvaardigde hetgeen appellante in het bezwaarschrift naar voren heeft gebracht in het licht daarvan niet de conclusie dat reeds aanstonds vaststond dat haar bezwaren ongegrond waren en er geen twijfel over die conclusie mogelijk was. Appellante had derhalve in de gelegenheid moeten worden gesteld om tijdens een hoorzitting haar standpunt nader toe te lichten.

Hieruit volgt dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

2.5.1 Het College ziet evenwel aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten en overweegt daartoe als volgt.

2.5.2 Partijen worden in de eerste plaats verdeeld gehouden door het antwoord op de vraag of sprake is van een uitbreiding van nieuwe stalcapaciteit in de zin van artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a van de Regeling.

Ter zitting van het College heeft de gemachtigde van verweerder desgevraagd verklaard dat de eenheid ten opzichte waarvan wordt bepaald of sprake is van een uitbreiding in de zin als hier bedoeld de nationale stalcapaciteit voor de vleessector is. Hierbij past verweerder een vermenigvuldigingsfactor toe indien als gevolg van de investering een andere diercategorie wordt gehouden dan voordien. Deze vermenigvuldigingsfactor is een element in de berekening van de toewijzing van toeslagrechten.

Het College neemt aan dat hiermee gedoeld werd op de rekenwijze die in artikel 17 van de Regeling is neergelegd.

Het College moet echter constateren dat zich in het voorgelegde dossier geen stukken bevinden, waaruit blijkt dat verweerder berekend heeft, dat met de verbouwing van de melkveestallen tot stallen voor vleeskalveren in de zin van dit artikel geen uitbreiding van nieuwe stalcapaciteit gerealiseerd is.

2.5.3 Het College gaat echter aan deze constatering voorbij, en acht nader onderzoek op dit punt onnodig, omdat verweerder zijn besluitvorming mede gebaseerd heeft op de constatering dat de overname van de bestaande stallen op zichzelf niet als een investering in nieuwe stalcapaciteit beschouwd kan worden en appellante niet heeft onderbouwd, dat zij, naast de aanschaf, een bedrag van meer dan € 100.000,- aan de verbouwing van deze stallen besteed heeft.

Naar appellantes verklaring ter zitting is de verbouwing geheel in zelfwerkzaamheid, met relatief geringe materiaalkosten, verwezenlijkt. € 100.000,- is daaraan inderdaad lang niet besteed.

Gelet daarop acht het College uitgesloten dat appellante op grond van artikel 16, tweede lid aanhef en onder a, van de Regeling voor toewijzing van toeslagrechten uit de nationale reserve in aanmerking kan komen.

2.5.4 Het College concludeert dan ook dat verweerder terecht de aanvraag van appellante om toekenning van toeslagrechten uit de nationale reserve heeft afgewezen.

2.6 Het College ziet aanleiding om verweerder op grond van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte kosten. Op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de kosten van verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 874,- op basis van 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting in een zaak van gemiddeld gewicht bij een waarde van € 437,- per punt. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

3. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 874,- (zegge: achthonderdvierenzeventig

euro);

- bepaalt dat verweerder appellante het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 302,- (zegge: driehonderdtwee

euro) zal vergoeden.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, mr. H.O. Kerkmeester en mr. H.L. van der Beek, in tegenwoordigheid van mr. E. van Kerkhoven als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2012.

w.g. W.E. Doolaard w.g. E. van Kerkhoven