Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2012:BW5763

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
08-05-2012
Datum publicatie
15-05-2012
Zaaknummer
AWB 10/517
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Geen belanghebbende bij besluit tot subsidieverlening; niet vast komen te staan dat een belang bestaat bij de subsidieverlening

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2012/215
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 10/517 8 mei 2012

27301 Kaderwet EZ-subsidies

Besluit stimulering duurzame energieproductie (SDE)

Uitspraak in de zaak van:

[A], te [Y], appellante,

gemachtigde: [Z], appellante,

tegen

de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, verweerder,

gemachtigde: mr. J. van Essen, werkzaam bij Agentschap NL (voorheen SenterNovem),

aan welk geding voorts als partij deelneemt:

[E], te [W], (hierna: [E]),

gemachtigde: B. Scholing, directeur van Subvention B.V.

1. De procedure

Bij besluit van 24 juli 2009 heeft verweerder aan [E] subsidie verleend op grond van de Stimuleringsregeling Duurzame Energieproductie (hierna: SDE) en het Besluit stimulering duurzame energieproductie (hierna: Besluit) voor het project biomassavergisting [X].

Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 20 april 2010 (hierna: bestreden besluit) niet-ontvankelijk verklaard, omdat appellante geen belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

Bij brief van 31 mei 2010, bij het College binnengekomen op 1 juni 2010, heeft appellante beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Bij brief van 29 juni 2010 heeft verweerder op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 26 oktober 2011 heeft de griffier van het College [E] in de gelegenheid gesteld op de voet van artikel 8:26 Awb als partij aan het geding deel te nemen.

Bij brief van 31 oktober 2011 heeft [E] het College medegedeeld als partij aan het geding deel te willen nemen.

Op 21 februari 2012 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Appellante is met kennisgeving niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. [E] en zijn gemachtigde zijn niet verschenen.

2. Het standpunt van verweerder

Appellante heeft volgens verweerder hooguit een afgeleid belang bij het besluit van 24 juli 2009. Subsidie kan immers alleen in het kader van de Subsidieregeling opwekken duurzame elektriciteit in vergistingsinstallaties (hierna: Subsidieregeling) óf in het kader van het Besluit worden verleend. Zolang subsidie in het kader van het Besluit is verleend, is het voor appellante niet mogelijk subsidie te krijgen in het kader van de Subsidieregeling, aldus verweerder.

De eerdere bouwvergunning voor een biomassavergistingsinstallatie te [X], waar appellante aan refereert, is volgens verweerder niet op naam van appellante afgegeven, maar op naam van [D]. Er is dus geen sprake van een (rechtstreekse) relatie tussen appellante en de bouwvergunning. Ook is niet duidelijk welke onderneming met [D] wordt bedoeld. Volgens verweerder is het dan aan appellante om informatie aan te leveren die kan leiden tot een andere conclusie. Verweerder heeft daarom appellante bij brief van 24 maart 2010 op de hoogte gesteld van het voornemen om haar bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren en haar om een reactie daarop verzocht.

Naar de mening van verweerder is er geen (rechtstreekse) relatie tussen appellante en [E]. De overeenkomst van 23 maart 2004 met maatschap [E] (hierna ook: [E]), waarop appellante zich beroept, is gesloten door [H] (hierna ook: Holding) en niet door appellante. Bovendien is de Holding bij uitspraak van 14 oktober 2008 failliet verklaard. Volgens verweerder is niet aangetoond dat appellante de in de overeenkomst genoemde partij C is. Daarnaast is niet aangetoond dat – als appellante partij C is – hierdoor een (rechtstreekse) relatie is tussen appellante en [E]. Noch in de vragenbrief van 26 april 2007 in het kader van de Subsidieregeling, noch in de antwoordbrief wordt appellante aangewezen als partij C. In de alleen door de Holding ondertekende bijlage als aanvulling op de overeenkomst van 23 maart 2004 is slechts – zonder nadere onderbouwing – aangegeven dat [B] als partij C wordt aangewezen. Behoudens de eenzijdigheid van deze bijlage, volgt uit deze bijlage ook niet waarom tussen appellante en [E] een (rechtstreekse) relatie bestaat/bestond.

De subsidieaanvraagovereenkomst is gesloten door [F] (hierna ook: [F]) en niet door appellante. Dit betekent dat ook op basis van deze overeenkomst geen sprake is van een rechtstreekse relatie tussen appellante en [E]. Omdat de subsidieaanvraag van appellante is verzorgd door [F] met de projectgegevens van [E], is volgens verweerder sprake van een relatie tussen [F] en appellante. Uit de vragen die zijn gesteld in het kader van de Subsidieregeling vloeit naar de mening van verweerder evenmin voort dat hiermee in het kader van het Besluit een (rechtstreekse) relatie tussen appellante en [E] is aangetoond.

3. Het standpunt van appellante

Appellante voert in beroep aan dat [E] op slinkse wijze de bouwvergunning, die toebehoorde aan [F], op zijn naam heeft laten zetten en met behulp van die vergunning vervolgens de onderhavige subsidie heeft aangevraagd. De aan appellante verleende subsidie op grond van de Subsidieregeling is ingetrokken vanwege de toekenning van deze aanvraag. Het bevreemdt appellante daarom dat zij niet als belanghebbende wordt aangemerkt. Op basis van artikel 3, tweede lid, Besluit is het niet mogelijk subsidie te ontvangen voor dezelfde installatie. Er is volgens appellante sprake van dezelfde installatie, maar met een andere rechthebbende op de bouwvergunning. Appellante heeft de betreffende gemeente aangeschreven om de bouwvergunning weer op haar naam over te schrijven. Het lijkt voor haar niet meer mogelijk om in een later stadium, bij het retour ontvangen van de bouwvergunning, alsnog subsidie te verkrijgen, omdat al aan een ander subsidie in het kader van het Besluit is verleend. Bovendien heeft de subsidieverlening aan [E] plaatsgevonden op 24 juli 2009, terwijl de intrekking van de subsidieverlening aan appellante op grond van de Subsidieregeling plaatsvond op 28 juli 2009. Volgens appellante is daarom niet voldaan aan het gestelde in artikel 3, tweede lid, Besluit. Voorts bestond tussen appellante en de bouwvergunning een rechtstreekse relatie, aangezien met [F] is overeengekomen dat appellante de beschikking had over de bouwvergunning. Ook na het faillissement van de Holding hebben er onderhandelingen plaatsgevonden met [F] over de overname van het project, de vergunningen en de subsidies. Dit had volgens appellante niet kunnen plaatsvinden als alles gerelateerd was aan de Holding. In de overeenkomst is verder uitdrukkelijk aangegeven dat partij B partij C zal oprichten. Dit heeft ook plaatsgevonden, aldus appellante, zodat [E] een rechtstreekse binding heeft met appellante. Naar de mening van appellante is er daarom sprake van een rechtstreeks belang.

4. Het standpunt van [E]

[E] heeft het College geen standpunt doen toekomen.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College dient in dit geding de vraag te beantwoorden of verweerder appellante terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar bezwaar tegen het besluit van 24 juli 2009. Daartoe overweegt het College als volgt.

5.2 De Awb luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

"Artikel 1:2

1. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

(…).”

5.3 Appellante stelt dat zij belanghebbende is bij het besluit houdende verlening van subsidie aan [E] op grond van de SDE, respectievelijk het Besluit, omdat het voor appellante niet mogelijk is subsidie te krijgen op grond van de Subsidieregeling, indien aan [E] subsidie op grond van het Besluit is verleend. Appellante stelt dat verweerder de aan haar verleende subsidie op grond van de Subsidieregeling voor hetzelfde project heeft ingetrokken om de subsidieaanvraag van [E] op grond van het Besluit te kunnen toekennen. Ten tijde van het nemen van voornoemde besluiten was verweerder er volgens appellante mee bekend dat [E] zich op onrechtmatige wijze de aan appellante toebehorende bouwvergunning voor de bouw van een vergistinginstallatie had toegeëigend teneinde eerdergenoemde subsidie op grond van het Besluit te kunnen aanvragen.

Het College overweegt dat, voor zover appellante onder verwijzing naar de overeenkomst van 23 maart 2004 tussen de Holding en [E] stelt dat zij partij C is, zoals bedoeld in artikel 1.6 van deze overeenkomst, zij deze stellingname niet concreet en afdoende heeft onderbouwd. Artikel 1.6 van die overeenkomst bepaalt dat partij B, zijnde de Holding, voor de betreffende vergistinginstallatie een nieuwe rechtspersoon, partij C, zal oprichten, die de installatie zal gaan exploiteren en tevens eigenaar is van de vergisting- / biomassa-installatie. De Holding is op 14 oktober 2008 gefailleerd en appellante is eerst op 1 januari 2009 opgericht, zodat het, anders dan appellante kennelijk betoogt, niet rechtens vaststaat dat appellante bedoelde partij C is. Aan de eenzijdige verklaring van de Holding van 1 december 2006 kan in dit verband geen betekenis worden toegekend, nu daarin uitsluitend [B] als partij C wordt aangewezen en [E] uitdrukkelijk betwist dat hij met deze rechtsvoorganger van, danwel met appellante zelf, als partij C heeft ingestemd, nog daargelaten dat betrokken partijen van mening verschillen over de gevolgen van het faillissement van de Holding voor (het voortbestaan van) de betreffende overeenkomst. Aan de niet onderbouwde stelling van appellante kan het College derhalve voorbijgaan.

Appellante stelt voorts dat de door het college van Burgemeester & Wethouders van de gemeente Hardenberg afgegeven bouwvergunning aan [D], zijnde [F] aldus appellante, en niet aan de inmiddels gefailleerde Holding is verleend. Volgens appellante kon zij derhalve via [D] over de bouwvergunning voor de vergistinginstallatie beschikken en heeft [E] daarmee ingestemd door ondertekening van de subsidieaanvraagovereenkomst van 23 maart 2004, waarin tussen [E] en [D] onder meer is overeengekomen dat ten name van de rechtsvoorganger van appellante, [B], subsidie voor de vergistinginstallatie wordt aangevraagd. Ook dit betoog faalt. Daartoe overweegt het College als volgt. De subsidieaanvraagovereenkomst is tot stand gekomen ter uitvoering van artikel 10.4 van de overeenkomst van 23 maart 2004, ingevolge welke bepaling de Holding opdracht krijgt om de subsidie- en fiscale mogelijkheden die van toepassing zijn op de gerelateerde overige investeringen op het bedrijf van [E] door de komst van de biomassa- /vergistinginstallatie op de locatie van [E] te analyseren, aan te vragen en af te handelen. In de overwegingen van de subsidieaanvraagovereenkomst wordt expliciet aan deze bepaling gerefereerd. De betreffende overeenkomst is ondertekend door de Holding. Het vorenstaande in aanmerking nemende, acht het College niet aannemelijk dat een andere rechtspersoon dan de Holding partij is bij de subsidieaanvraagovereenkomst, zoals appellante stelt. Bovendien volgt uit de betreffende overeenkomst geenszins dat appellante kan beschikken over de bouwvergunning voor de vergistinginstallatie, laat staan dat [E] daarmee instemt.

Gelet op het vorenoverwogene komt het College tot de conclusie dat appellante op geen enkele wijze heeft aangetoond dat zij rechtens aanspraak kan maken op de bouwvergunning voor de vergistinginstallatie. Evenmin heeft zij aannemelijk gemaakt dat sprake is van enige privaatrechtelijke rechtsverhouding, direct dan wel indirect, tussen [E] en appellante ter zake van de (bouw en/of exploitatie van, respectievelijk subsidie voor de) vergistinginstallatie. Het College is dan ook van oordeel dat appellante bij gebreke van een rechtstreeks en individueel belang bij het bestreden besluit niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 Awb. Verweerder heeft appellante terecht in haar bezwaar tegen het besluit van 24 juli 2009 niet ontvankelijk verklaard.

5.4 Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond is.

5.5 Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mrs. H.A.B. van Dorst-Tatomir, G.P. Kleijn en J.A.M. van den Berk, in tegenwoordigheid van mr. P.H. Broier als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2012.

w.g. H.A.B. van Dorst-Tatomir w.g. P.H. Broier