Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2012:BW5754

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
08-05-2012
Datum publicatie
15-05-2012
Zaaknummer
AWB 09/1406
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Sybsidieregeling opwekken duurzame elektriciteit in vergistingsinstallaties; activiteit zal niet meer (kunnen) plaatsvinden nu over een bouwvergunning niet meer wordt beschikt; verleende subsidie in redelijkheid geheel ingetrokken op grond van artikel 4:48, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2012/213
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 09/1406 8 mei 2012

27307 Kaderwet EZ-subsidies

Subsidieregeling opwekken duurzame elektriciteit in vergistingsinstallaties

Uitspraak in de zaak van:

[A], te [Y], appellante,

gemachtigde: [Z], appellante,

tegen

de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, verweerder,

gemachtigde: mr. J. van Essen, werkzaam bij Agentschap NL (voorheen SenterNovem).

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 16 november 2009, bij het College binnengekomen op 19 november 2009, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 13 oktober 2009.

Bij dit besluit heeft verweerder ongegrond verklaard het bezwaar van de rechtsvoorganger van appellante, [B], tegen een besluit van 28 juli 2009, waarbij de subsidieverlening aan voornoemde rechtsvoorganger van appellante op grond van de Subsidieregeling opwekken duurzame elektriciteit in vergistingsinstallaties is ingetrokken.

Bij brief van 7 januari 2010 heeft verweerder op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Op 21 februari 2012 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Appellante is met kennisgeving niet verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“Artikel 4:48

1. Zolang de subsidie niet is vastgesteld kan het bestuursorgaan de subsidieverlening intrekken of ten nadele van de subsidie-ontvanger wijzigen, indien:

a. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden;

(…).”

De Subsidieregeling opwekken duurzame elektriciteit in vergistingsinstallaties (hierna: Subsidieregeling) luidde, ten tijde en voor zover hier van belang, als volgt:

“Artikel 2

De Minister kan op aanvraag subsidie verstrekken aan een producent die duurzame elektriciteit opwekt met een vergistingsinstallatie die is aangesloten op het Nederlandse net.”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij besluit van 31 januari 2006, met kenmerk 20051641, heeft het college van Burgemeester & Wethouders van de gemeente Hardenberg (hierna: B&W van Hardenberg) aan [D] een bouwvergunning verleend voor het bouwen van een bedrijfshal met biogas-installatie en 5 opslagsilo’s aan de [X].

- Bij daartoe bestemd formulier, gedateerd 12 december 2006, heeft voornoemde rechtsvoorganger van appellante een aanvraag ingediend voor subsidie op grond van de Subsidieregeling voor een vergistingsinstallatie aan de [X].

- Bij besluit van 19 juni 2007 heeft verweerder ten name van [B] subsidie op grond van de Subsidieregeling verleend voor de opwekking van duurzame elektriciteit door middel van een vergistingsinstallatie te [X].

- Bij besluit van 16 maart 2009 hebben B&W van Hardenberg de bij besluit van 31 januari 2006, met kenmerk 20051641, aan [D] verleende bouwvergunning overgeschreven op naam van [E].

- Bij besluit van 28 juli 2009 heeft verweerder de subsidieverlening op grond van de Subsidieregeling ingetrokken.

- Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 25 augustus 2009 bezwaar gemaakt.

- Op 24 september 2009 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

- Vervolgens heeft verweerder het besluit van 13 oktober 2009 (hierna: bestreden besluit) genomen.

3. Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft overwogen dat de intrekking is gebaseerd op artikel 4:48, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb. Verweerder heeft geconstateerd dat de aan [D] door B&W van Hardenberg verleende bouwvergunning is overgeschreven op naam van [E], waardoor appellante niet langer over de betreffende bouwvergunning kan beschikken. Verweerder leidt uit de tussen [H] (hierna: Holding) en maatschap [E] (hierna ook: [E]) gesloten overeenkomst niet af dat appellante na het faillissement van de Holding gebruik kon blijven maken van de bouwvergunning en/of dat rechten en plichten van de Holding zijn overgegaan op appellante. Indien [E] zich naar de mening van appellante niet aan de overeenkomst zou houden, dan is dit bovendien een civielrechtelijk geschil tussen de Holding en [E]. Volgens verweerder staat de voor de realisatie van de productie-installatie benodigde bouwvergunning niet ter beschikking van appellante, zodat de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel zullen (kunnen) plaatsvinden.

4. Het standpunt van appellante

Appellante stelt zich in beroep op het standpunt dat zij niet op de hoogte is gesteld en ook geen toestemming heeft gegeven voor het overschrijven van de bouwvergunning op naam van [E]. Deze heeft volgens appellante ook een aanvraag om subsidie op grond van de Stimuleringsregeling voor duurzame energie (SDE) gedaan, die inmiddels is afgegeven. Verweerder was er toen van op de hoogte dat [E] de bouwvergunning onrechtmatig had verkregen, aldus appellante. Voorts voert appellante aan dat de bouwvergunning op naam stond van [D] en niet op naam van de failliete Holding. Appellante stelt dat zij de nieuwe rechtspersoon is als bedoeld in artikel 1, zesde lid, van de overeenkomst tussen de Holding en [E], dat zij uit dien hoofde eigenaar van de installatie is en beschikt over het beheer van de vergunningen. [E] is door ondertekening van de overeenkomst daaraan gebonden, aldus appellante. Er is volgens appellante geen enkele grond waarop [E] kan baseren dat de bouwvergunning aan hem toebehoort. De gemeente Hardenberg is inmiddels meerdere malen aangeschreven, maar tot op heden is geen inhoudelijke reactie ontvangen. Het project is geheel gebaseerd op de ideeën van appellante en uit artikel 1.6 van voornoemde overeenkomst volgt dat het haar project is. Appellante verzoekt de subsidie weer aan haar toe te kennen.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College dient in dit geding de vraag te beantwoorden of verweerder op goede gronden heeft besloten de verlening van subsidie op grond van de Subsidieregeling aan appellante in te trekken. Daartoe overweegt het College als volgt.

5.2 Vast staat dat appellante niet kan beschikken over een bouwvergunning voor de oprichting van een vergistingsinstallatie te [X]. Appellante betwist weliswaar dat de betreffende bouwvergunning door het bevoegde gezag rechtmatig is overgeschreven op naam van [E], maar de rechtmatigheid van de overschrijving staat in de onderhavige procedure, die ziet op de intrekking van de aan appellante verleende subsidie door verweerder op grond van de Subsidieregeling, niet ter discussie.

Voor zover appellante aanvoert dat de overschrijving van de bouwvergunning onrechtmatig is, kan het beroep derhalve niet slagen.

5.3 Het vorenstaande in aanmerking nemende heeft verweerder zich naar het oordeel van het College terecht op het standpunt gesteld dat het opwekken van duurzame energie door middel van een vergistingsinstallatie niet zal plaatsvinden, aangezien appellante niet kan beschikken over een rechtsgeldige bouwvergunning, welke voor de oprichting van de betreffende vergistingsinstallatie noodzakelijk is

Nu door appellante niet is gesteld, en het College evenmin is gebleken, dat verweerder niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid de hier aan de orde zijnde subsidieverlening aan appellante op grond van artikel 4:48, eerste lid, aanhef en onder a, Awb in te trekken, kan het beroep ook in zoverre niet slagen.

5.4 Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, komt het College tot de slotsom dat het beroep van appellante ongegrond moet worden verklaard.

5.5 Voor een veroordeling in de proceskosten of een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mrs. H.A.B. van Dorst-Tatomir, G.P. Kleijn en J.A.M. van den Berk, in tegenwoordigheid van mr. P.H. Broier als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2012.

w.g. H.A.B. van Dorst-Tatomir w.g. P.H. Broier