Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2012:BW5101

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
26-04-2012
Datum publicatie
08-05-2012
Zaaknummer
AWB 09/1413
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Ongedaanmaking registratie van ontbinding van B.V. Ontbindingsbesluit is niet onbevoegd genomen. Geen notariële akte overgelegd waaruit dat blijkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 09/1413 26 april 2012

24100 Ontbinding rechtspersonen

Uitspraak in de zaak van:

A B.V., te B, appellante,

gemachtigde: mr. J. Wieringa, notaris te Haarlem,

tegen

de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Amsterdam, verweerster,

gemachtigde: mr. J.P.M van der Ende.

1. Het procesverloop

Bij brief van 7 augustus 2007 heeft de gemachtigde van appellante bij verweerster opgave gedaan van de ontbinding van appellante en van de C.

Op 8 augustus 2007 heeft verweerster de ontbinding van appellante en de C in het handelsregister verwerkt.

Op 22 januari 2008 heeft de gemachtigde van appellante verweerster verzocht de registratie van de ontbinding van appellante ongedaan te maken. Op 8 februari 2008 heeft de gemachtigde van appellante een rectificatie-opgave middels het daarvoor bestemde formulier ingediend.

Bij brief van 15 februari 2008 heeft verweerster het formulier teruggestuurd onder de mededeling dat geen bewijs is geleverd voor de beweerde nietigheid van het ontbindingsbesluit van appellante.

Bij brief van 5 juni 2009 heeft de gemachtigde van appellante verweerster opnieuw verzocht de inschrijving van de ontbinding van appellante ongedaan te maken.

Bij brief van 22 juli 2009 heeft de gemachtigde van appellante het verzoek nader onderbouwd.

Bij besluit van 17 augustus 2009 heeft verweerster meegedeeld geen aanleiding te zien de registratie ambtshalve te wijzigen of door te halen.

Het tegen dit besluit gerichte bezwaar heeft verweerster bij besluit van 13 oktober 2009 ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 20 november 2011, bij het College op dezelfde dag binnengekomen, beroep ingesteld.

Bij brief van 18 december 2009 heeft verweerster een verweerschrift ingediend.

Het College heeft de heer D bij brief van 14 maart 2011 in de gelegenheid gesteld om als derde-belanghebbende aan het geding deel te nemen. Op deze brief is geen reactie ontvangen.

Op 7 februari 2012 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigden van partijen zijn verschenen. Het onderzoek is ter zitting gesloten. Tussen partijen is afgesproken dat de gemachtigde van appellante in de gelegenheid wordt gesteld alsnog aan verweerster de notariële akte te overleggen, waaruit de aandelenoverdracht van appellante aan E B.V. blijkt. Verweerster zal in dat geval ambtshalve tot rectificatie van de registratie van de ontbinding van appellante in het register over gaan. Verder is afgesproken dat partijen het College hiervan schriftelijk op de hoogte zullen houden.

Het College heeft op 14 en 17 februari en 8 maart 2012 brieven van verweerster ontvangen. Van de gemachtigde van appellante zijn bij het College op 15, 16 en 27 februari 2012 brieven ingekomen.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 De Handelsregisterwet 2007 (hierna: Hrw) bepaalt, voor zover hier van belang, het volgende:

“ Hoofdstuk 3. De inschrijving in het handelsregister

Artikel 18

1. Tot het doen van opgave ter inschrijving in het handelsregister is verplicht degene aan wie een onderneming toebehoort, of, indien het de inschrijving betreft van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a en b, het tweede lid en derde lid, ieder der bestuurders van de rechtspersoon.

(…)

Hoofdstuk 6. Wijziging van de in het handelsregister opgenomen gegevens

Artikel 34

1. Indien een mededeling als bedoeld in artikel 32, eerste lid, niet is doorgezonden naar de beheerder van een ander register, tekent de kamer in welker gebied de onderneming of rechtspersoon is gevestigd of in welker gebied de onderneming of rechtspersoon haar hoofdvestiging heeft binnen een bij ministeriële regeling vastgestelde termijn aan dat het gegeven in onderzoek is, tenzij de kamer binnen deze termijn beslist over de wijziging van dat gegeven.

2. Indien een gegeven in onderzoek is, beslist de kamer over wijziging van dat gegeven.

(…)

Artikel 38

1. Indien een kamer gerede twijfel heeft over de juistheid van authentieke gegevens, zijn de artikelen 33 tot en met 36 van overeenkomstige toepassing.”

Het Handelsregisterbesluit 2008 (hierna: Hrb) bepaalde, ten tijde van en voor zover hier van belang, het volgende:

“ Hoofdstuk 2. Opgave ter inschrijving

(…)

Artikel 4

1. De kamer onderzoekt of een opgave afkomstig is van iemand die tot het doen ervan bevoegd is, en of de opgave juist is. De kamer kan daarbij om nadere bewijsstukken vragen.

2. Indien de kamer ervan overtuigd is dat de opgave is gedaan door iemand die tot het doen ervan bevoegd is en van oordeel is dat de opgave juist is, gaat zij onverwijld over tot inschrijving.

Hoofdstuk 4. Op te nemen gegevens

(…)

§ 6. Bijzondere gegevens

(…)

Artikel 40

1. In het handelsregister wordt de ontbinding van een vennootschap of rechtspersoon opgenomen, onder vermelding van datum van de ontbinding, de persoonlijke gegevens, de bevoegdheid van ieder der vereffenaars een de datum waarop hij vereffenaar is geworden.

(…)

Hoofdstuk 6. Wijzigen van opgenomen gegevens

Artikel 45

1. De melding wordt gedaan door middel van een bij ministeriële regeling vastgesteld formulier.”

2.2 De gemachtige van appellante heeft verzocht de registratie van haar ontbinding ongedaan te maken, omdat haar voormalig statutair directeur, de heer D, het besluit tot ontbinding op 2 augustus 2007 onbevoegd heeft genomen. Daartoe is namens appellante in beroep aangevoerd dat de aandelen in A B.V. zijn overgedragen door de C aan E B.V., waardoor de C geen aandeelhouder meer was. Voorts heeft de heer D op 10 juli 2007 zijn aandelen in E B.V. overgedragen aan zijn zoon F, die bestuurder is van E B.V. Het ontbindingsbesluit is derhalve nietig.

Verweerster heeft zich op het standpunt gesteld dat onvoldoende juridische grondslag bestaat voor het doorvoeren van de gewenste rectificatie. Appellante heeft niet aangetoond dat haar aandelen door de C daadwerkelijk zijn overgedragen aan E B.V. Een notariële akte daarvan ontbreekt. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerster verklaard dat bij overlegging van een dergelijke akte alsnog zou kunnen worden over gegaan tot het opnieuw inschrijven van appellante in haar register. 2.3 Het College overweegt als volgt.

Uit de gedingstukken blijkt dat de heer D (senior) op 2 augustus 2007 heeft besloten om de C en A B.V. (appellante) te ontbinden. Voorts is in een uittreksel uit het handelsregister vermeld dat de C op dat moment enig aandeelhouder was van appellante en dat de heer D bestuurder was van de C. Het vorenstaande wijst erop dat de heer D senior op 2 augustus 2007 bevoegd was om een ontbindingsbesluit te nemen. Niet valt in te zien dat verweerster niet op basis hiervan de ontbinding van appellante heeft kunnen inschrijven in het handelsregister.

Met de blote stelling dat de heer D senior op 10 juli 2007 al zijn functies heeft neergelegd en de mededeling dat het nooit de bedoeling was om appellante te ontbinden, heeft appellante onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de inschrijving van de ontbinding onjuist is. Het College wijst erop dat verweerster te kennen heeft gegeven dat appellante had kunnen volstaan met het overleggen van een notariële akte waaruit de overdracht van de aandelen in appellante aan E B.V. blijkt. De gemachtigde van appellante is verschillende malen in de gelegenheid gesteld zodanige akte te overleggen, waarvan geen gebruik is gemaakt.

Ten overvloede overweegt het College dat uit de na de zitting toegezonden correspondentie tussen partijen duidelijk is geworden dat abusievelijk is verzuimd de aandelen in appellante te leveren aan E B.V.

Gelet op het vorenstaande is het College van oordeel dat verweerder terecht heeft geweigerd de inschrijving van de ontbinding van appellante ongedaan te maken.

2.5 Gezien het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. J.L.W. Aerts, mr. M.M. Smorenburg en mr. G.P. Kleijn in tegenwoordigheid van mr. N.W.A. Verrijt als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 april 2012

w.g. J.L.W. Aerts w.g. N.W.A. Verrijt