Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2012:BW4849

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
25-04-2012
Datum publicatie
04-05-2012
Zaaknummer
AWB 11/303
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Aankondiging verrekening geen besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 11/303 25 april 2012

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A en B, te C, appellante,

gemachtigde: mr. L.J.L. Heukels, advocaat te Haarlem,

tegen

de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, verweerder,

gemachtigde: mr. N.J.H. Klomp, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. Het procesverloop

Appellante heeft bij brief van 11 april 2011, bij het College binnengekomen op 12 april 2011, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 1 april 2011.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen het besluit van verweerder van 7 december 2010.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 10 augustus 2011 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij namens partijen hun gemachtigden aanwezig waren. Het onderzoek ter zitting is geschorst om de behandeling van het beroep gelijktijdig te kunnen laten plaatsvinden met de zaak AWB 09/930, waarin appellante tevens partij is.

Op 21 december 2011 is het onderzoek ter zitting hervat. Partijen hebben zich daarbij laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

2.2 In de brief van 7 december 2010 heeft verweerder appellante meegedeeld dat de aanvraag bedrijfstoeslag 2006 bij het besluit van 8 april 2008 is afgewezen en dat het bedrag van €6.320,48 wordt verrekend met het uit te betalen bedrag van de bedrijfstoeslag 2010. Voor het overige luidt de brief: “U ontvangt hierover de komende maanden een beslissing. Na de verrekening ontvangt u een verrekenbrief waarin staat dat de bedrijfstoeslag 2010 verrekend is met de vordering van de bedrijfstoeslag 2006. Indien na de verrekening nog een deel van de vordering open blijft staan dan moet u dit terugbetalen. Voor het resterende deel ontvangt u dan een factuur.” De brief wordt afgesloten door een bezwaarclausule.

2.3 In het bestreden besluit stelt verweerder zich op het standpunt dat de brief van 7 december 2010 geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, Awb is. De mededeling in deze brief is niet gericht op enig rechtsgevolg en appellantes rechtspositie wordt hierdoor niet gewijzigd. In de brief wordt slechts een voornemen geuit en nog geen definitieve beslissing genomen over de verrekening. Uit de brief blijkt voorts duidelijk dat er nog een definitieve beslissing volgt. Dat er een bezwaarclausule in de brief is opgenomen maakt dit niet anders. Verweerder concludeert dat het bezwaar niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

In het verweerschrift heeft verweerder - mede onder verwijzing naar de uitspraak van het College van 25 juni 2004 (www.rechtspraak.nl, LJN AQ9851, AWB 03/373) - hieraan toegevoegd dat ten tijde van de brief van 7 december 2010 de bedrijfstoeslag 2010 nog niet was vastgesteld, zodat het openstaande bedrag hierin evenmin daadwerkelijk is verrekend. Pas bij het besluit van 30 maart 2011 is het openstaande bedrag verrekend met de bedrijfstoeslag 2010 en hiertegen heeft appellante geen rechtsmiddel ingesteld.

2.4 Appellante stelt dat de brief van 7 december 2010 wel een besluit is. Verweerder deelt appellante in de brief mee dat hij het openstaande bedrag daadwerkelijk verrekent. Dit heeft, anders dan verweerder stelt, wel rechtsgevolg, te weten dat appellante niet het toegekende bedrag aan bedrijfstoeslag voor 2010 ontvangt. Dat verweerder slechts een voornemen om te verrekenen heeft geuit, blijkt niet uit de brief. Hieruit blijkt duidelijk dat sprake is van een verrekening. Weliswaar gaat de verrekening nog plaatsvinden, maar het besluit om dat te doen staat met de brief vast. Het bezwaar is derhalve ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

2.5 Het College ziet zich voor de vraag gesteld of de brief van 7 december 2010 een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, Awb. Het College beantwoordt deze vraag ontkennend. Met verweerder is het College van oordeel dat deze brief slechts de aankondiging van een te nemen besluit bevat. Van een besluit tot verrekening was nog geen sprake, nu de brief uitdrukkelijk vermeldt dat appellante over de verrekening de komende maanden een beslissing ontvangt en verweerder dus evident niet beoogde reeds met deze brief appellantes rechtspositie - door verrekening - te wijzigen. Dat deze brief wel een bezwaarclausule bevat is ongelukkig, maar bewerkstelligt niet dat de brief van 7 december 2010 niettemin een besluit oplevert.

Ambtshalve overweegt het College nog dat verweerder evenmin in artikel 6:10 Awb aanleiding heeft hoeven zien niet-ontvankelijkverklaring van het voortijdig ingediende bezwaarschrift achterwege te laten, nu enerzijds het besluit op dat moment niet reeds tot stand was gekomen en anderzijds (de gemachtigde van) appellante - gelet op de uitdrukkelijke aankondiging dat een beslissing nog zou volgen - niet redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was.

2.6 Uit het voorgaande volgt dat verweerder het bezwaar van appellante terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. R.F.B. van Zutphen, mr. C.J. Waterbolk en mr. H.C. Cusell, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van Veen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 april 2012.

w.g. R.F.B. van Zutphen w.g. M.J. van Veen