Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2012:BW4814

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
20-04-2012
Datum publicatie
04-05-2012
Zaaknummer
AWB 11/887
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Handel via Duitse veiling, geen fiscale discriminatie, goedkeuring Europese Commissie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 11/887 20 april 2012

4240 Heffing

Bloemkwekerijheffing

Uitspraak in de zaak van:

Spectraplant Westerbeek B.V., te Westerbeek, appellante,

gemachtigde: A, werkzaam bij appellante,

tegen

het Productschap Tuinbouw, verweerder,

gemachtigde: mr. Th. Keizer, werkzaam bij verweerder.

1. Het procesverloop

Bij besluit van 13 oktober 2011 heeft verweerder, naar aanleiding van de uitspraak van 31 augustus 2011 in de zaak AWB 09/905 (LJN: BS7502) opnieuw beslist op de bezwaren van appellante.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 28 oktober 2011, bij het College binnengekomen op 31 oktober 2011, beroep ingesteld.

Bij brief van 6 januari 2012 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 9 maart 2012 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigden van partijen zijn verschenen.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 In het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) is onder meer het volgende bepaald:

?Artikel 110

De lidstaten heffen op producten van de overige lidstaten, al dan niet rechtstreeks, geen hogere binnenlandse belastingen van welke aard ook dan die welke, al dan niet rechtstreeks, op gelijksoortige nationale producten worden geheven.

Bovendien heffen de lidstaten op de producten van de overige lidstaten geen zodanige binnenlandse belastingen, dat daardoor andere producties zijdelings worden beschermd.?

De Verordening PT vakheffing bloemkwekerijproducten 2004 (hierna: Verordening) bepaalt, voor zover hier van belang:

?Artikel 2

1. De kweker, onderscheidenlijk de importeur, is over de door hem verhandelde, voor zover door hem gekweekte, onderscheidenlijk door hem geïmporteerde bloemkwekerijproducten of geïmporteerd uitgangsmateriaal, een heffing verschuldigd.

2. De heffing als bedoeld in het eerste lid, is aan het productschap verschuldigd over het jaar 2004, (…).

(…)

Artikel 4

1. De heffing die de kweker of importeur is verschuldigd, wordt opgelegd naar de omzet, onderscheidenlijk het totaalbedrag van de invoerwaarde, gerealiseerd in het jaar waarover de heffing verschuldigd is.

(…)?

2.2 Verweerder heeft zich, voor zover van belang in beroep, op het standpunt gesteld dat uit de omschrijving van de heffingsplicht in artikel 2 van de Verordening niet volgt dat de ondernemer die bloemkwekerijproducten afzet in Duitsland geen heffing verschuldigd is. In de goedkeuringsbeschikking is niet terug te vinden dat de Commissie ervan uitgaat dat de heffing enkel op transacties in Nederland wordt geheven. Omdat de heffing wordt opgelegd voordat sprake is van uitvoer hebben zich geen onregelmatigheden voorgedaan bij de aanmelding bij de Europese Commissie (hierna: Commissie).

Daarnaast is geen sprake is van discriminatie, nu verweerder naar aanleiding van de uitspraak van het College van 31 augustus 2011 het onterecht opgelegde deel van de heffing heeft gerestitueerd.

2.3 Appellante betoogt dat het College heeft bepaald dat de heffing plaatsvindt vóórdat sprake is van uitvoer. Dit is ook noodzakelijk, omdat de Nederlandse overheid dit heeft gemeld in het kader van de aanmelding van de Verordening bij de Commissie.

Nu de heffing plaatsvindt vóór uitvoer, en de prijs van de producten die worden verhandeld in Duitsland pas wordt bepaald in Duitsland (met een druk op de knop van de koper op de veiling), is de prijs op het moment van uitvoer € 0,-, zodat ook de heffing op nihil dient te worden gesteld. Het is niet mogelijk om een heffing op te leggen als de prijs nog niet bepaald is.

2.4 Het College dient te oordelen of het Productschap Tuinbouw met het besluit van 13 oktober 2011 op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van 31 augustus 2011.

2.4.1 Voor zover appellante aanvoert dat niet mag worden geheven over in Duitsland verhandelde bloemkwekerijproducten, miskent appellante hiermee naar het oordeel van het College dat (zoals reeds in de uitspraak van 31 augustus 2011 in de zaak AWB 09/905, www.rechtspraak.nl, LJN: BS7502 is overwogen) uit artikel 2 blijkt dat de kweker heffing verschuldigd is over door hem verhandelde, voor zover door hem gekweekte, bloemkwekerijproducten. Dat appellante een (groot) deel van zijn bloemkwekerijproducten afzet via Duitse veilingen betekent niet dat hij niet heffingsplichtig is en dus in het geheel geen heffing verschuldigd is. De aangevoerde grief die ziet op de reikwijdte van de heffingsplicht van artikel 2 treft dan ook geen doel.

2.4.2 Appellante voert tevens aan dat de heffing die wordt geheven over afzet via Duitse veilingen op € 0,- gesteld moet worden omdat de prijs pas na uitvoer wordt vastgesteld. Deze grief snijdt geen hout, nu in artikel 4, eerste lid, van de Verordening is bepaald dat de kweker heffing verschuldigd is over de omzet in het betreffende jaar. Uit de verwijzing naar de omzet blijkt dat het gaat om de opbrengsten in een bepaalde periode. Voor de aan de stelling van appellante ten grondslag liggende opvatting dat de handelswaarde per transactie belast dient te worden en dat de heffing dient te worden opgelegd over de waarde van de afzet op het moment dat de producten Nederland verlaten biedt de Verordening geen steun.

2.4.3 Appellante stelt tevens dat uit de toelichting die door de Nederlandse overheid is gegeven bij de Commissie blijkt dat de omzet die is behaald met de verkoop via de Duitse veiling geen onderdeel van de heffingsgrondslag uitmaakt. Het College is echter van oordeel dat, daargelaten de juistheid van de toelichting, uit deze toelichting niet valt af te leiden dat de Verordening geen betrekking heeft op de via de Duitse veiling behaalde omzet, zodat niet is komen vast te staan dat verweerder heeft gehandeld in strijd met de toelichting.

2.5 Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M. Munsterman, mr. M. van Duuren en mr. C.J. Waterbolk, in tegenwoordigheid van mr. J.A. de Koning als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 april 2012.

w.g. M. Munsterman w.g. J.A. de Koning