Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2012:BW4809

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
12-04-2012
Datum publicatie
04-05-2012
Zaaknummer
AWB 11/443
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoek om wraking van de behandelende rechter (het eerste verzoek) is gevolgd door een verzoek om wraking van de rechters die de wrakingskamer vormen (het tweede verzoek). Vervolgens hebben verzoekers verzocht om wraking van de hierna benoemde wrakingskamer (het laatste verzoek). Bij het laatste verzoek om wraking van de rechters die zitting hebben in de wrakingskamer zijn geen ten opzichte van het daaraan voorafgaande wrakingsverzoek nieuwe, op de persoon van die rechters betrekking hebbende feiten en omstandigheden naar voren gebracht waarin een bezwaar zou zijn gelegen tegen de behandeling van het wrakingsverzoek door die rechters. De door verzoekers naar voren gebrachte bezwaren kunnen niet anders worden opgevat dan dat verzoekers bezwaren hebben tegen elke wrakingskamer van het College, in welke samenstelling dan ook. Een wrakingsverzoek dat neerkomt op een verzoek om wraking van alle rechters van het College moet buiten behandeling worden gelaten; zie onder meer de uitspraak van de CRvB, 19-11-2010, 10/3639 WW W II e.v. (LJN: BO4591). Bij toewijzing van een dergelijk verzoek zou het verzoek om wraking van de behandelende rechters niet door het College behandeld kunnen worden en zou voorts van afdoening van de aanhangige beroepen geen sprake meer kunnen zijn. Het vorengaande leidt er toe dat het laatste verzoek om wraking buiten behandeling wordt gelaten. Aldus bestaat er geen beletsel voor de wrakingskamer om zich een oordeel te vormen over het tweede verzoek om wraking.

Aan het tweede verzoek om wraking liggen evenmin op de persoon van die rechters betrekking hebbende feiten of omstandigheden ten grondslag waarin een bezwaar zou zijn gelegen tegen de behandeling van het wrakingsverzoek door die rechters. Ook de in dit verband door verzoekers naar voren gebrachte bezwaren kunnen niet anders worden opgevat dan dat verzoekers bezwaren hebben tegen elke wrakingskamer van het College, in welke samenstelling dan ook. Het voorgaande leidt er toe dat het tweede wrakingsverzoek buiten behandeling moet worden gelaten en er geen beletsel bestaat dat de wrakingskamer, in de oorspronkelijke samenstelling, zich een oordeel vormt over het eerste wrakingsverzoek.

Het College is van oordeel dat verzoekers misbruik maken van het rechtsmiddel wraking door het indienen van opeenvolgende wrakingsverzoeken, zonder de beslissing omtrent die verzoeken af te wachten, waarbij verzoekers hebben nagelaten op de persoon van die rechters betrekking hebbende feiten of omstandigheden naar voren te brengen, die blijk zouden kunnen geven van twijfel aan de onpartijdigheid van de behandelende rechters. Het College wijst verzoekers erop dat bij een volgend verzoek om wraking van de behandelende rechters toepassing van art. 8:18 lid 4 Awb ertoe zal leiden dat een dergelijk verzoek om die reden niet in behandeling zal worden genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2012/1231
AB 2012/206

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Wrakingskamer

AWB 11/443 12 april 2012

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Beslissing op het verzoek ingevolge artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht van:

A B.V., B V.o.f, C en D, te E, verzoekers.

1. De procedure

Verzoekers hebben beroep ingesteld tegen een besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. Bij brief van 4 januari 2012 zijn verzoekers uitgenodigd voor de behandeling van het beroepschrift ter zitting van het College van 27 januari 2012.

Bij brief van 11 januari 2012 hebben verzoekers een verzoek ingediend tot opschorting van de behandeling ter zitting voor onbepaalde tijd. Bij brief van 18 januari 2012 is dit verzoek door het College afgewezen en te kennen gegeven dat de behandeling van het beroep doorgang zal vinden.

Bij brief van 26 januari 2012 hebben verzoekers verzocht om wraking van de behandelend voorzitter mr. C.J. Waterbolk.

Naar aanleiding van dit wrakingsverzoek zijn verzoekers bij brief van 16 februari 2012 uitgenodigd ter zitting van 23 februari 2012 van het College te verschijnen. Daarbij is te kennen gegeven dat de meervoudige kamer, die het wrakingsverzoek behandelt, bestaat uit mr. E.R. Eggeraat, mr. E. Dijt en mr. M.M. Smorenburg.

Verzoekers hebben bij brief van 19 februari 2012 verzocht om uitstel van de behandeling ter zitting door de wrakingskamer. Bij brief van 21 februari 2012 heeft het College verzoekers te kennen gegeven dat het verzoek niet wordt ingewilligd en dat de zitting op 23 februari 2012 doorgang zal vinden.

Bij brief van 22 februari 2012 hebben verzoekers verzocht om wraking van de behandelend rechters mr. E.R. Eggeraat, mr. E. Dijt en mr. M.M. Smorenburg.

Naar aanleiding van dit wrakingsverzoek zijn verzoekers bij brief van 6 maart 2012 uitgenodigd ter zitting van 16 maart 2012 van het College te verschijnen. Daarbij is te kennen gegeven dat de meervoudige kamer, die het wrakingsverzoek behandelt, bestaat uit mr. M.A. van der Ham, mr. M. van Duuren en mr. G.P. Kleijn.

Bij brief van 15 maart 2012 hebben verzoekers verzocht om wraking van de behandelend rechters mr. M.A. van der Ham, mr. M. van Duuren en mr. G.P. Kleijn.

Wegens plotselinge ziekte van de voorzitter van de wrakingskamer - mr. M.A. van der Ham - is deze vervangen door mr. R.F.B. van Zutphen.

Op 16 maart 2012 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Verzoekers zijn niet verschenen.

2. De beoordeling van het wrakingsverzoek

2.1 In artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is bepaald dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Blijkens de wetsgeschiedenis bij dit artikel is de ratio van het instituut van wraking gelegen in het waken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid en tegen de schijn van partijdigheid.

2.2 Aan het verzoek om wraking van 15 maart 2012 van de rechters die zitting hebben in de wrakingskamer - waarbij het College aanneemt dat dit verzoek zich mede uitstrekt tot wraking van mr. R.F.B. van Zutphen - zijn geen ten opzichte van het wrakingsverzoek van 22 februari 2012 nieuwe op de persoon van die rechters betrekking hebbende feiten en omstandigheden naar voren gebracht waarin een bezwaar zou zijn gelegen tegen de behandeling van het wrakingsverzoek door die rechters. Immers, bij het verzoek om wraking van de wrakingskamer is verwezen naar het wrakingsverzoek van 22 februari 2012 en naar het wrakingsverzoek van 14 maart 2012, gericht tegen de wrakingskamer van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, waaraan dezelfde feiten en omstandigheden ten grondslag zijn gelegd als aan het wrakingsverzoek van 22 februari 2012. Volgens verzoekers is op grond van door hen aangevoerde feiten onmiskenbaar vast komen te staan dat door toedoen van het Openbaar Ministerie (hierna: OM) er in Nederland geen enkele rechter is die de zaken van verzoekers en wrakingsverzoeken onafhankelijk kan behandelen, zonder voorafgaand strafrechtelijk onderzoek hiernaar vanuit het OM. Het OM heeft immers al 25 jaar de meest ernstige vorm van samenspannende 'corporate crime'-misdaad tegen verzoekers veroorzaakt. Verzoekers sommeren de president van het College om het wrakingsverzoek voor het Grondwettelijk Hof van België te brengen met het verzoek zich hierover uit te spreken.

2.2.1 De door verzoekers naar voren gebrachte bezwaren kunnen niet anders worden opgevat dan dat verzoekers bezwaren hebben tegen elke wrakingskamer van het College, in welke samenstelling dan ook. Een wrakingsverzoek dat neerkomt op een verzoek om wraking van alle rechters van het College moet buiten behandeling worden gelaten (zie onder meer de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 19 november 2010 www.rechtspraak.nl LJN BO4591). Bij toewijzing van een dergelijk verzoek zou het verzoek om wraking van de behandelende rechters niet door het College behandeld kunnen worden en zou voorts van afdoening van de aanhangige beroepen geen sprake meer kunnen zijn.

2.3 Het vorengaande leidt er toe dat het verzoek om wraking van 15 maart 2012 buiten behandeling wordt gelaten. Aldus bestaat er geen beletsel voor de wrakingskamer om zich een oordeel te vormen over het verzoek om wraking van 22 februari 2012.

2.4 Aan het verzoek om wraking van 22 februari 2012 liggen evenmin op de persoon van die rechters betrekking hebbende feiten of omstandigheden ten grondslag waarin een bezwaar zou zijn gelegen tegen de behandeling van het wrakingsverzoek door die rechters. Bij dit verzoek wordt immers verwezen naar het wrakingsverzoek van 26 januari 2012, waarbij volgens verzoekers onmiskenbaar is bewezen dat mr. C.J. Waterbolk door het verzoek om uitstel zonder nadere motivering af te wijzen, in grote mate verstrengeld is met de zware georganiseerde misdaad van de buurman van verzoekers (F) en de door dit bedrijf vanaf 1987 feitelijk bewezen gepleegde misdrijven. Het is volgens verzoekers juist vanwege uitspraken van het College over de Bestrijdingsmiddelenwet, dat Nederland en de wereld is vergiftigd met miljarden kilogrammen levensgevaarlijke kankerverwekkende stoffen. Hiermee is volgens verzoekers feitelijk bewezen dat het College onder leiding van de huidige president heeft kunnen uitgroeien tot 's-werelds grootste criminele organisatie die in 50 jaar tijd de wereld heeft vergiftigd. Hiermee staat volgens verzoekers vast dat in Nederland geen onafhankelijke wrakingskamer is, om het wrakingsverzoek te mogen behandelen. Verzoekers sommeren het College dit wrakingsverzoek voor het Grondwettelijk Hof van België te brengen met het verzoek zich hierover uit te spreken.

2.4.1 Ook deze door verzoekers naar voren gebrachte bezwaren kunnen niet anders worden opgevat dan dat verzoekers bezwaren hebben tegen elke wrakingskamer van het College, in welke samenstelling dan ook. Zoals onder 2.2.1 is overwogen moet een wrakingsverzoek dat neerkomt op een verzoek om wraking van alle rechters van het College buiten behandeling worden gelaten.

2.5 Het vorengaande leidt er toe dat het wrakingsverzoek van 22 februari 2012 buiten behandeling moet worden gelaten en er geen beletsel bestaat dat de wrakingskamer, bestaande uit mr. E.R. Eggeraat, mr. E. Dijt en mr. M.M. Smorenburg, zich een oordeel vormt over het wrakingsverzoek van 26 januari 2012.

2.6 Artikel 8:18, vierde lid, Awb geeft het College de bevoegdheid om in geval van misbruik te bepalen dat een volgend verzoek om wraking niet in behandeling wordt genomen. Ingevolge het tweede lid van dat artikel wordt hiervan in de beslissing melding gemaakt.

Het College is van oordeel dat verzoekers misbruik maken van het rechtsmiddel wraking door het indienen van opeenvolgende wrakingsverzoeken, zonder de beslissing omtrent die verzoeken af te wachten, waarbij verzoekers hebben nagelaten op de persoon van die rechters betrekking hebbende feiten of omstandigheden naar voren te brengen, die blijk zouden kunnen geven van twijfel aan de onpartijdigheid van de behandelende rechters.

Het College wijst verzoekers erop dat bij een volgend verzoek om wraking van de behandelende rechters toepassing van artikel 8:18, vierde lid, Awb ertoe zal leiden dat een dergelijk verzoek om die reden niet in behandeling zal worden genomen.

3. De beslissing

Het College

- bepaalt dat de wrakingsverzoeken van 15 maart 2012 en 22 februari 2012 niet in behandeling worden genomen;

- bepaalt dat de wrakingskamer een beslissing dient te nemen aangaande het wrakingsverzoek van 26 januari 2012;

- bepaalt dat een volgend verzoek om wraking in geval van misbruik niet in behandeling wordt genomen.

Aldus gewezen door mr. R.F.B. van Zutphen, mr. M. van Duuren en mr. G.P. Kleijn, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Beishuizen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 april 2012.

w.g. R.F.B. van Zutphen w.g. P.M. Beishuizen