Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2012:BW4807

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
26-04-2012
Datum publicatie
04-05-2012
Zaaknummer
AWB 09/823
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Meststoffenwet; Bestuurlijke boetes vanwege niet opmaken vervoerbewijzen; Redelijke termijn in hoger beroep overschreden; Deskundigheid toezichthouder

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
O&A 2012/68

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 09/823 26 april 2012

16005 Meststoffenwet

Bestuurlijke boete

Uitspraak op het hoger beroep van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: mr. ing. A.N.M. van Bavel, werkzaam bij ABAB Belastingadviseurs en Juristen B.V. te Tilburg,

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch (hierna: rechtbank) van 16 april 2009,

kenmerk AWB 08/162, in het geding tussen appellant

en

de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, (hierna: verweerder),

voorheen de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

gemachtigde: mr. B. Raven, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. Het procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft bij brief van 27 mei 2009, na doorzending door de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State, bij het College per fax binnengekomen op 27 mei 2009, hoger beroep ingesteld tegen de hiervoor vermelde, op 16 april 2009 aan partijen verzonden, uitspraak van de rechtbank. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij brief van 8 juli 2009 heeft verweerder een reactie op het hoger beroepschrift ingediend.

Op 2 februari 2012 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigden van partijen zijn verschenen.

2. De grondslag van het geschil

Het geschil heeft betrekking op een bestuurlijke boete van 19 maal € 300,-- (€ 5.700,--) die door verweerder bij besluit van 13 juli 2007 aan appellant is opgelegd. De boete is opgelegd wegens het in strijd met de Meststoffenwet (hierna: Msw) en aanverwante regelgeving ontvangen van 19 ladingen champost zonder te beschikken over de vereiste vervoersbewijzen. Bij brief van 16 juli 2007 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bij besluit van 10 december 2007 heeft verweerder het bezwaarschrift van appellant ongegrond verklaard en de bestuurlijke boete gehandhaafd.

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.

3. De uitspraak van de rechtbank

De rechtbank heeft het tegen het besluit van 10 december 2007 gerichte beroep van appellant bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

“19. Op grond van artikel 67, eerste lid, van de Msw dient de bestuurlijke boete binnen dertien weken na dagtekening van het rapport te worden opgelegd. Blijkens de Memorie van Toelichting bij artikel 67 van de Meststoffenwet

(TK 2004/2005, 29930, nr. 3, pagina 133) is deze termijn een termijn van orde waarvan overschrijding niet leidt tot het vervallen van de bevoegdheid tot het opleggen van een boete. Het feit dat de termijn van dertien weken met één dag is overschreden, brengt derhalve niet met zich dat verweerder niet meer bevoegd is een bestuurlijke boete op te leggen.

(…)

42. Op grond van het voorgaande wordt de beroepsgrond dat niet vaststaat dat er champost op het perceel van eiser is aangetroffen en dat niet vaststaat dat de champost door eiser is aangevoerd verworpen. De rechtbank is derhalve van oordeel dat eiser gehouden was een vervoersbewijs op te maken. Nu tussen partijen niet in geschil is dat eiser niet beschikt over de vereiste vervoersbewijzen, heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank in strijd met artikel 53, eerste lid, van het Besluit gehandeld, zodat sprake is van overtreding

van artikel 15 van de Msw.

(…)

47. Partijen twisten over de vraag wat de omvang was van de aangetroffen hopen champost. Verweerder is er in het bestreden besluit vanuit gegaan dat de hoeveelheid aangetroffen champost 578 ton (1.050 m3) bedraagt. Verweerder baseert deze hoeveelheid op de berekening die toezichthouder Van Dommelen aan de hand van afstappen en het schatten van de hoogte, met afronding ten gunste van eiser, op 8 maart 2007 heeft gemaakt. Toezichthouder Van Dommelen heeft de omvang van de hopen berekend aan de hand van de lengte, de hoogte en de breedte van de aangetroffen hopen. Eiser stelt zich op het standpunt dat de berekening van de toezichthouders onjuist is. Het volume van de aangetroffen hopen was volgens eiser hooguit 500 m3.

48. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de omvang van de aangetroffen hoeveelheid champost niet in redelijkheid heeft kunnen baseren op de door toezichthouder Van Dommelen uitgevoerde berekening. Uit de foto’s bij het afdoeningsrapport blijkt namelijk dat de hopen champost een min of meer aflopende vorm hadden (…). Nu uit het afdoeningsrapport niet blijkt of, en zo ja op welke wijze, toezichthouder Van Dommelen bij het berekenen van de omvang van de hopen rekening heeft gehouden met hun specifieke vorm, is de rechtbank van oordeel dat de omvang van de aangetroffen hoeveelheid champost niet kan worden gebaseerd op deze berekening. Dit betekent echter niet dat de beroepsgrond van eiser dat het volume van de hopen champost ten hoogste 500 m3 bedroeg slaagt.

49. Immers de rechtbank heeft in het voorgaande overwogen dat naar haar oordeel vaststaat dat eiser de champost op zijn perceel heeft uitgereden en ondergewerkt. Toezichthouder Van Dommelen heeft aan de hand van de facturen en de werkbonnen van de werktuigencoöperatie en de verklaring van getuige C dat er per uur vijf vrachten champost geladen en uitgereden kunnen worden berekend dat eiser op 17 maart en 30 maart 2007 in totaal 840 ton champost heeft uitgereden en ondergewerkt.

50. Aangezien op grond van het voorgaande naar het oordeel van de rechtbank vast staat dat eiser in totaal 840 ton champost heeft uitgereden, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de omvang van de drie aangetroffen hopen champost 578 ton, zijnde 1050 m3, bedroeg. De rechtbank neemt hierbij mede in aanmerking dat eiser zijn stelling dat het volume van de hopen champost ten hoogste 500 m3 is geweest niet heeft onderbouwd. Tot slot merkt de rechtbank nog op dat gesteld noch gebleken is dat het mede aan de hand van deze omvang berekende gewicht van de aangetroffen champost onjuist is. De rechtbank is gelet op het voorgaande dan ook van oordeel dat verweerder op basis van deze 578 ton en een gemiddelde van 30 ton per vracht mocht uitgaan van 19 vrachten en dus van 19 overtredingen in het kader van de Msw.

51. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat de hoogte van de boete disproportioneel is, omdat deze niet in verhouding staat met de aard en de ernst van de overtreding. De rechtbank stelt voorop dat de hoogte van de boete ingevolge artikel 61 van de Msw moet worden afgestemd op de ernst van de overtreding, de mate van het verwijt aan de overtreder en eventuele omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. Zoals hiervoor overwogen is niet voldoende aannemelijk geworden dat de champost door een derde op het terrein van eiser is gestort of door voormalig huurder D is aangevoerd. Eiser heeft verder geen bijzondere omstandigheden aangevoerd ter onderbouwing van zijn betoog dat de hoogte van de boete disproportioneel is. Verweerder heeft derhalve terecht geen omstandigheden aanwezig geacht op grond waarvan de Beleidsregels gebaseerde boete disproportioneel moet worden geacht. Verweerder heeft voorts in redelijkheid overeenkomstig de Beleidsregels kunnen handelen omdat geen bijzondere omstandigheden aannemelijk zijn geworden die tot gebruikmaking van de inherente afwijkingsbevoegdheid van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht dienen te leiden.

52. Ook eisers beroep op matiging wegens overschrijding van de termijn van artikel 67, eerste lid, van de Msw wordt verworpen. Nu deze termijn slechts met één dag is overschreden, is er naar het oordeel van de rechtbank slechts sprake van een zeer geringe overschrijding van deze termijn. Eiser heeft overigens ook geen gronden aangevoerd waarom overschrijding van deze termijn tot matiging van de boete zou moeten leiden.

53. Tot slot wordt eisers standpunt dat er sprake is van één overtreding waarvoor slechts één boete kan worden opgelegd verworpen. Bij soortgelijke delicten die alle een uiting zijn van één ongeoorloofd wilsbesluit, is sprake van een voortgezette handeling waarvoor slechts één bestuurlijke boete kan worden opgelegd. De rechtbank is echter van oordeel dat de overtreding van artikel 53, eerste lid, van het Besluit naar haar aard niet het gevolg kan zijn van één wilsbesluit. Ingevolge artikel 53, eerste lid, van het Besluit dient namelijk voor elke afzonderlijke vracht een vervoersbewijs te worden opgemaakt. Voor elke vracht zal de betrokkene derhalve een beslissing dienen te nemen terzake het al dan niet opmaken van een vervoersbewijs.

(…)”

4. De standpunten van partijen in hoger beroep

4.1 Appellant voert aan dat nu verweerder niet overeenkomstig artikel 67, eerste lid, Msw binnen dertien weken na dagtekening van het AID-rapport aan appellant een boete heeft opgelegd, verweerder van het opleggen van een boete had moeten afzien. Voor zover een boete mocht worden opgelegd dient deze boete in ieder geval te worden gematigd.

Voorts betoogt appellant dat verweerder de afmetingen van de hopen champost – gelet op de vorm daarvan – niet mocht baseren op de berekening van toezichthouder Van Dommelen. Dat de rechtbank bij de berekening van de omvang van de champost is uitgegaan van de uitgereden mest is volgens appellant correct. Hierbij is ervan uitgegaan dat met twee mestverspreiders in de beschikbare tijd in totaal 84 vrachten zijn uitgereden en op basis van die 84 vrachten bij een inhoud van 10 ton dus 840 ton champost is uitgereden. Appellant is van mening dat deze berekening op één essentieel punt onjuist is. De inhoud van de mestverspreider bedraagt feitelijk 10 m3 en niet 10 ton en daarbij komt dat – zoals Van Dommelen heeft aangemerkt – 1 m3 champost een gewicht van 550 kg vertegenwoordigt. Uitgaande van een gemiddeld laadvolume van circa 10 m3 en het feit dat 1 m3 champost een gewicht heeft van 550 kg, bedraagt de uitgereden hoeveelheid champost aldus 462 ton champost (= 84 vrachten maal 0,550 ton maal 10 m3) in plaats van 840 ton champost.

Ook voert appellant aan dat voor zover champost is uitgereden op landbouwgrond, welke in gebruik was genomen door buurman E, de boete voor diens rekening moet komen. Uitgaande van een gelijkmatige verdeling van de champost over de totale oppervlakte van 17,58 hectare dient feitelijk een correctie gemaakt te worden op de door appellant aangevoerde hoeveelheid voor een oppervlakte van 6,0 hectare.

Appellant is voorts van mening dat hem onterecht 19 maal een boete voor een en hetzelfde feit wordt opgelegd en dat de begane overtreding geen boete ter hoogte van € 5.700,-- rechtvaardigt.

Ten slotte betoogt appellant dat hij recht heeft op een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM).

4.2 Verweerder voert aan dat de termijnoverschrijding slechts één dag is geweest en dat de beslistermijn een termijn van orde is. Overschrijding van een dergelijke termijn kan op geen enkele wijze een gerechtvaardigde verwachting hebben gewekt dat verweerder zou afzien van het opleggen van een boete. De termijnoverschrijding is bovendien zo gering dat niet valt in te zien – te meer nu appellant geen andere argumenten aanvoert – op basis waarvan dit tot matiging van de boete zou moeten leiden.

Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder op basis van facturen en werkbonnen van werktuigcoöperatie F, alsmede een verklaring van een medewerker van deze werktuigcoöperatie, heeft mogen aannemen dat in totaal 1.050 m3 ofwel 578 ton champost bij appellant is afgeleverd. Verweerder is een andere mening toegedaan, nu deze berekeningswijze, een berekening op basis van uren, vrachten per uur en de inhoud van de mestverspreiders feitelijk niets zegt over de geleverde hoeveelheid champost, maar slechts indiceert hoeveel champost op naam van appellant is uitgereden. De rechtbank had de omvang van de geleverde hoeveelheid champost moeten baseren op de door Van Dommelen uitgevoerde berekening. Dit neemt echter niet weg dat de geleverde hoeveelheid champost ook via de door de rechtbank gehanteerde berekeningswijze terecht op 578 ton is bepaald. Appellantes betoog op dit punt dat minder dan 578 ton bij hem is afgeleverd, moet niet worden gevolgd. In dat licht stelt verweerder dat de gehuurde mestverspreiders een inhoud van 10 ton (dus geen 10 m3) hebben. De relevante factuur vermeldt duidelijk 10 ton en op de website van de werktuigencoöperatie worden de mestverspreiders aangeduid met hun capaciteit in tonnen en niet in kubieke meters. Ook heeft appellant op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat een medewerker van de werktuigencoöperatie zou hebben bevestigd dat het om een inhoudsmaat van 10 m3 gaat.

Verweerder betoogt verder dat hij niet inziet op welke wijze het relevant kan zijn dat een deel van de champost zou zijn aangewend op een perceel dat in gebruik is gegeven aan E. Verweerder merkt hierover op dat appellant immers niet het aanwenden van de champost wordt verweten, maar dat het hem gaat om het niet opmaken van vervoersbewijzen bij de aan hem geleverde vrachten champost.

Daarnaast stelt verweerder, onder verwijzing naar de Memorie van Toelichting bij de Wijziging van de Meststoffenwet (invoering gebruiksnormen) (hierna: Memorie van Toelichting) (Kamerstukken II, 2004/05, 29930, nr. 3, p. 123, 124), dat twee opeenvolgende overtredingen van dezelfde norm afzonderlijke feiten zijn. Indien een vervoersbewijs niet of onjuist wordt opgemaakt, levert dat voor elk vervoersbewijs een afzonderlijke overtreding op.

Voor zover het de hoogte van de boete betreft voert verweerder aan dat deze voortvloeit uit de Beleidsregel bestuurlijke boetes Msw (hierna: Beleidsregel) en dat bij het vaststellen van deze bedragen verweerder reeds een evenredigheidstoets heeft uitgevoerd. Er kan aanleiding bestaan van dit beleid af te wijken wanneer appellant zich op een bijzondere omstandigheid kan beroepen. Daarvan is volgens verweerder in dit geval geen sprake.

5. De beoordeling van het geschil in hoger beroep

5.1 Het College overweegt dat appellant niet heeft bestreden het oordeel van de rechtbank dat sprake is van overtreding van artikel 15 van de Meststoffenwet (hierna: Msw) omdat appellant in strijd met artikel 53, eerste lid, Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet (hierna: Besluit) Besluit geen vervoersbewijs heeft opgemaakt voor een hoeveelheid dierlijk meststoffen – zogenoemde champost – die hij heeft afgenomen. Het hoger beroep spitst zich toe op de geleverde hoeveelheid champost en de hoogte van de boete.

5.2 Appellant stelt zich op het standpunt dat de rechtbank er bij de berekening van de hoeveelheid mest ten onrechte vanuit is gegaan, zoals toezichthouder Van Dommelen heeft gesteld, dat een mestverspreider met een inhoud van 10 ton is gebruikt. Het College overweegt dat de rechtbank de berekeningswijze van Van Dommelen niet heeft gevolgd, maar op basis van een andere benadering met behulp van de facturen en werkbonnen voor het uitrijden van mest, tot een uitkomst is gekomen die te verenigen is met evenbedoelde berekeningswijze. Door toezichthouder Van Dommelen is in het afdoeningsrapport nauwgezet beschreven hoe hij schattenderwijs het gewicht van de aangetroffen hopen champost heeft bepaald op circa 578 ton, hetgeen omgerekend 19 vrachten inhoudt bij een tonnage van 30 ton per vracht. Naar het oordeel van het College moet er vanuit gegaan worden dat Van Dommelen, gezien zijn taken en verantwoordelijkheden als toezichthouder, over voldoende deskundigheid beschikt om eerdergenoemde schatting correct uit te voeren. Om die reden dient dan ook in beginsel uitgegaan te worden van de door de toezichthouder gehanteerde berekeningswijze, tenzij aannemelijk is dat een alternatieve berekeningswijze tot een realistischer resultaat leidt. Daarvan is naar het oordeel van het College in het onderhavige geval geen sprake. Hierbij acht het College het van belang dat de omvang champost die daadwerkelijk is uitgereden grote verschillen kan vertonen met de eerder – met een aantal transporten bij appellant – aangevoerde mest. Weliswaar is de rechtbank bij het bepalen van de hoeveelheid champost ten onrechte uitgegaan van de benadering ‘uitrijden van mest’, doch de beroepsgrond van appellant dat slechts 462 ton champost is aangevoerd treft geen doel.

5.3 Voorts betoogt appellant dat een deel van de champost is uitgereden op de grond van zijn buurman E en dat om die reden een daarmee evenredig deel van de boete niet voor rekening van appellant dient te komen. Het College overweegt dat het beboete feit is het niet voldoen aan de in artikel 53 van het Uitvoeringsbesluit opgenomen verplichting van, onder meer, de afnemer van een hoeveelheid champost tot het opmaken van een vervoersbewijs. Over wiens grond de champost is uitgereden, is daarbij niet van belang, zodat dit niet van betekenis kan zijn voor de hoogte van de opgelegde boete. Ook deze beroepsgrond faalt.

5.4 Voor zover appellant een beroep doet op schending van het ne bis in idem-beginsel slaagt dit niet. Het College onderschrijft hetgeen hieromtrent door de rechtbank is overwogen en voegt daaraan het volgende toe. De Memorie van Toelichting bij artikel 75 Msw, ten tijde hier in geding artikel 53 Msw, (p. 123, 124) luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“ (…)

Overtreding van twee voorschriften levert pas één feit op als de overtredingen niet alleen feitelijk nauw samenhangen, maar de dader ook van beide overtredingen een verwijt van dezelfde strekking kan worden gemaakt. Twee opeenvolgende overtredingen van dezelfde norm zijn eveneens afzonderlijke feiten: wanneer een intermediaire onderneming stelselmatig vervoersbewijzen onjuist opmaakt, levert dat voor elk afzonderlijk vervoersbewijs een afzonderlijke overtreding op.

(…)”

Uit voornoemde toelichting leidt het College af dat de wetgever heeft bedoeld dat wanneer een onderneming voor verschillende mesttransporten heeft nagelaten een vervoersbewijs op te maken, dit voor elk afzonderlijk vervoersbewijs een afzonderlijke overtreding oplevert. Het vervoeren van meerdere ladingen mest moet dus niet als één feit worden gekwalificeerd.

5.5 Ten aanzien van de stelling van appellant dat de opgelegde boete niet in redelijke verhouding staat tot de overtredingen, oordeelt het College, evenals de rechtbank, dat verweerder wegens het niet overleggen van vervoersbewijzen onderhavige boete heeft mogen opleggen. De hoogte van de boete is vastgesteld aan de hand van het in de bijlage bij de Beleidsregel vastgelegde systeem van gefixeerde boetebedragen, waarbij vooraf een afweging is gemaakt tussen de ernst van de gedraging en de hoogte van de boete. Voor de hier in geding zijnde overtredingen is in deze bijlage voorzien in boetes van telkens € 300,--. Naar het oordeel van het College kan niet worden staande gehouden dat het in de Beleidsregel en de bijlage geformuleerde beleid in zijn algemeenheid onredelijk is of niet in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 61 Msw. De totale boete van € 5.700,-- voor 19 overtredingen acht het College niet onevenredig hoog. Van bijzondere omstandigheden die verweerder tot matiging van het boetebedrag hadden moeten nopen, is het College niet gebleken.

5.6 Appellant voert voorts aan dat de boete niet had mogen worden opgelegd, dan wel had moeten worden gematigd, nu de in artikel 67 Msw genoemde termijn van dertien weken is overschreden. Blijkens toelichting bij deze bepaling is dit een termijn van orde waarvan overschrijding niet leidt tot het vervallen van de bevoegdheid tot het opleggen van een boete. Overschrijding van de termijn kan er wel toe leiden dat de boete wordt gematigd. Nu de termijn slechts met één dag is overschreden, ziet het College, met de rechtbank, geen aanleiding tot matiging van de boete.

5.7 Het College komt thans toe aan de beoordeling van het beroep van appellant schadevergoeding toe te kennen wegens overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. Artikel 6, eerste lid, EVRM brengt mee dat een ieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging, recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van de zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechter. De onderhavige procedure waarbij verweerder besluiten heeft genomen waarbij aan appellant – ter zake van overtreding van verschillende bepalingen van de Msw en aanverwante regelgeving – boetes zijn opgelegd, is begrepen onder de werkingssfeer van artikel 6 EVRM. Het College dient derhalve te beoordelen of de hiervoor bedoelde redelijke termijn is overschreden. Daarbij geldt, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt, dat de redelijkheid van de termijn niet in abstracto kan worden bepaald maar steeds moet worden beoordeeld in het licht van de omstandigheden van het specifieke geval, waarbij onder meer in aanmerking moet worden genomen de ingewikkeldheid van de zaak, het processuele gedrag van partijen en het belang dat in het geding is.

Van een overschrijding van de redelijke termijn in de fase van de bestuurlijke besluitvorming en de fase van de rechterlijke beoordeling in eerste aanleg is geen sprake. In geschil is of de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden. Naar het oordeel van het College heeft voor de rechterlijke beoordeling van een geschil als het onderhavige in hoger beroep als uitgangspunt te gelden dat dit niet binnen een redelijke termijn is geschied, indien de berechting niet binnen twee jaar nadat het rechtsmiddel is ingesteld, is gevolgd. Deze termijn is in het onderhavige geval overschreden. Het hoger beroepschrift van appellant is op 9 juni 2009 door het College ontvangen, zodat sprake is van een overschrijding van de termijn van twee jaar met meer dan 6 maanden, doch minder dan 12 maanden, terwijl in de voorliggende zaak geen omstandigheden zijn aan te wijzen die een langere behandeltermijn in hoger beroep dan twee jaar rechtvaardigen. Het College ziet voorts aanleiding, in lijn met het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2008 (www.rechtspraak.nl, LJN: BD0191), de opgelegde boete met 10 procent te verminderen.

5.8 Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep ten principale niet slaagt. Uit paragraaf 5.7 volgt echter dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover het de aan appellant opgelegde boete betreft. Ook het bestreden besluit van 10 december 2007 dient, voor zover het de hoogte van voornoemde boete betreft, te worden vernietigd. Voorts ziet het College aanleiding het boetebesluit van 13 juli 2007 te herroepen en de aan appellant opgelegde boete wegens overschrijding van de redelijke termijn te verminderen met € 570,--.

5.9 Het College ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van appellant, zijnde de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Op 1 oktober 2009 is in werking getreden het Besluit houdende aanpassing van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht in verband met de indexering van bedragen in die bijlage. Artikel II van het besluit bepaalt dat ten aanzien van bezwaar of beroep dat vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit is ingesteld, de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht van toepassing blijft zoals die luidde vóór de inwerkingtreding van dit besluit. Met inachtneming hiervan zijn de kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,--, te weten 1 punt voor het indienen van een hoger beroepschrift, en 1 punt voor het verschijnen ter zitting bij het College, ad € 322,-- per punt, met een wegingsfactor 1. Ook zal het griffierecht aan appellant moeten worden vergoed.

6. De beslissing

Het College:

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover de het de hoogte van de opgelegde boete betreft;

- vernietigt het bestreden besluit van 10 december 2007 voor zover het de hoogte van de opgelegde boete betreft;

- herroept het primaire besluit van 13 juli 2007 voor zover daarin aan appellant een boete is opgelegd tot een bedrag van

€ 5.700,-- (zegge: vijfduizendzevenhonderd euro) en bepaalt de boete op een bedrag van € 5.130,-- (zegge:

vijfduizendhonderddertig euro);

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

- veroordeelt verweerder in de door appellant in hoger beroep gemaakte kosten tot een bedrag van € 644,-- (zegge:

zeshonderdvierenveertig euro);

- bepaalt dat verweerder het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht van € 223,-- (zegge:

tweehonderdrieentwintig euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. E.R. Eggeraat, mr. M. van Duuren en mr. G.P. Kleijn in tegenwoordigheid van mr. L.B.J. Leunissen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 april 2012.

w.g. E.R. Eggeraat w.g. L.B.J. Leunissen