Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2012:BW4805

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
19-04-2012
Datum publicatie
04-05-2012
Zaaknummer
AWB 10/913
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Bij beslissing op bezwaar heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen zijn beslissing om appellant een bedrag in rekening te brengen ter zake van de kosten van bestuursdwang, ongegrond verklaard. Het College komt aan de beoordeling van de inhoudelijke gronden van het beroep niet toe en overweegt hiertoe als volgt.

De last onder bestuursdwang heeft betrekking op een overtreding die plaatsvond voor 01 07 2009. Ingevolge art. IV van de Vierde tranche Awb blijft, indien een bestuurlijke sanctie wordt opgelegd wegens een overtreding die plaatsvond voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, het recht van toepassing zoals dat gold voor dat tijdstip. Volgens de Memorie van Toelichting op dit art. (Kamerstukken II 2003/04, 29702, nr. 3, blz. 165) is de regeling inzake bestuurlijke sancties van de Vierde tranche Awb slechts van toepassing op overtredingen die plaatsvinden na de inwerkingtreding van die wet omdat, voor zover hier van belang, het voor herstelsancties praktischer is als in een lopend handhavingsproces het oude recht van toepassing blijft. Gelet op deze wettelijke overgangsregeling is het College van oordeel dat ten aanzien van de beoordeling van de hoogte van de kosten in verband met de toepassing van bestuursdwang in de onderhavige zaak, het recht van toepassing blijft zoals dat tot 01 07 2009 gold; zie in gelijke zin de uitspraken ABRS, 16 12 2009, 200902068/1/H3 (LJN: BK6758), ABRS, 13 01 2010, 200904490/2/H1 (LJN: BL4420) en ABRS, 24 03 2010, 200909097/1/M2 (LJN: BL8678).

In art. 5:26 Awb (oud) is een regeling getroffen ten aanzien van de invordering van de kosten die zijn gemaakt in verband met de toepassing van bestuursdwang. Deze voorziet in het uitbrengen van een dwangbevel door het bestuursorgaan, waartegen verzet kan worden ingesteld bij de burgerlijke rechter. Anders dan in de huidige regeling (art. 5:25 lid 6 en art. 5:31c lid 1 Awb), werd een brief of nota waarbij de kosten van bestuursdwang in rekening worden gebracht onder het voor 01 07 2009 geldende recht niet aangemerkt als een besluit in de zin van art. 1:3 lid 1 Awb. Hieruit volgt dat de beslissing om appellant een bedrag in rekening te brengen geen besluit is waartegen ingevolge art. 7:1 Awb bezwaar kon worden gemaakt. Verweerder had het bezwaar tegen deze beslissing daarom in plaats van ongegrond, niet ontvankelijk moeten verklaren. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(Enkelvoudige kamer)

AWB 10/913 19 april 2012

11200 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: mr. D. Kik, werkzaam bij de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie,

tegen

de Staatssecretaris van Economische zaken, Landbouw en Innovatie, verweerder

gemachtigde: mr. M. Wellenberg, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 27 augustus 2010, bij het College ingekomen op 30 augustus 2010, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 23 juli 2010.

Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen de beslissing van 1 juni 2010, waarbij verweerder appellant een bedrag van € 2.412,72 in rekening heeft gebracht ter zake van de kosten van bestuursdwang, ongegrond verklaard.

Bij brief van 13 september 2010 heeft appellant het beroepschrift aangevuld.

Bij brief van 18 oktober 2010 heeft verweerder op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

Bij brief van 16 november 2010 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Het College heeft de zaak op 15 maart 2012 ter zitting behandeld, alwaar appellant en zijn gemachtigde zijn verschenen. Van de zijde van verweerder is de gemachtigde verschenen.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Op 30 januari 2009 hebben ambtenaren van de Algemene Inspectiedienst (hierna: AID) een onderzoek ingesteld op het bedrijf van appellant en geconstateerd dat appellant een pony de juiste huisvesting en de nodige verzorging heeft onthouden. Hiermee heeft appellant in strijd met het bepaalde in de artikelen 36 en 37 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren gehandeld. Naar aanleiding van dit onderzoek is bij brief van 4 februari 2009 aan appellant een vooraankondiging bestuursdwang toegezonden. Tijdens een tweede controle op 10 februari 2009 is door ambtenaren van de AID geconstateerd dat appellant de benodigde herstelmaatregelen niet had uitgevoerd. Op 11 februari 2009 is verweerder overgegaan tot het toepassen van spoedeisende bestuursdwang, bestaande uit onder meer het in bewaring nemen van de pony, het verrichten van onderzoek door een hoefsmid en behandeling door een dierenarts. Bij besluit van 16 maart 2009 heeft verweerder de toepassing van de spoedbestuursdwang schriftelijk vastgelegd. Bij besluit van 25 juni 2009 heeft verweerder het bezwaarschrift van appellant tegen het besluit van 16 maart 2009 niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift niet binnen de daartoe gestelde termijn is ingediend. Het door appellant tegen dit besluit gerichte beroep is door het College bij uitspraak van 8 september 2009 (AWB 09/980) ongegrond verklaard.

2.2 Verweerder heeft vanaf 24 april 2009 verscheidene facturen aan appellant verzonden die zien op kosten gemaakt in verband met de toepassing van bestuursdwang. Naar aanleiding van correspondentie en een gesprek met appellant op 27 april 2010 heeft verweerder besloten van de inning van enkele facturen af te zien. Bij brief van 1 juni 2010 heeft verweerder – conform een eerder door hem gedaan schikkingsvoorstel – een bedrag van € 2.412,72 bij appellant in rekening gebracht. In deze brief heeft verweerder vermeld dat dit een besluit is waartegen bezwaar open staat. Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 23 juli 2010 het hiertegen ingediende bezwaar ongegrond verklaard.

2.3 Appellant betoogt – kort samengevat – dat de door verweerder in rekening gebrachte kosten (nog steeds) exorbitant hoog zijn.

Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat op een geschil over de hoogte van de kosten van bestuursdwang, welke een gevolg is van een overtreding die voor 1 juli 2009 heeft plaats gevonden, ingevolge artikel IV van de Wet van 25 juni 2009 tot aanvulling van de Awb (Stb. 2009, 264; hierna: Vierde tranche Awb), het recht van toepassing blijft zoals dat gold voor dat tijdstip. Nu de kosten een gevolg zijn van een overtreding die plaatsvond op 10 februari 2009 is het oude recht van toepassing. Verweerder heeft dit eerst in de beroepsfase geconstateerd. Onder het oude recht werd een beslissing over de kosten van bestuursdwang niet als een publiekrechtelijke rechtshandeling aangemerkt, zodat daartegen geen bezwaar of beroep openstond. Geschillen over de hoogte van deze kosten konden uitsluitend aan de burgerlijke rechter worden voorgelegd.

Het voorgaande brengt volgens verweerder met zich dat hij op 1 juni 2010 abusievelijk een kostenbeschikking aan appellant bekend heeft gemaakt. Het hiertegen gerichte bezwaarschrift had derhalve niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. Ook het beroepschrift tegen het bestreden besluit moet om die reden niet-ontvankelijk worden verklaard.

Subsidiair heeft verweerder inhoudelijk gereageerd op de beroepsgronden inzake de hoogte van de gemaakte kosten.

2.4 Het beroep ziet op de vraag of de hoogte van het bedrag van de in rekening gebrachte kosten, welke in verband met de bestuursdwang zijn gemaakt, redelijk is. Het College komt aan de beoordeling van de inhoudelijke gronden van het beroep niet toe en overweegt hiertoe als volgt.

De last onder bestuursdwang heeft betrekking op een overtreding die plaatsvond voor 1 juli 2009. Ingevolge artikel IV van de Vierde tranche Awb blijft, indien een bestuurlijke sanctie wordt opgelegd wegens een overtreding die plaatsvond voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, het recht van toepassing zoals dat gold voor dat tijdstip. Volgens de Memorie van Toelichting op dit artikel (Kamerstukken II 2003/04, 29702, nr. 3, blz. 165) is de regeling inzake bestuurlijke sancties van de Vierde tranche Awb slechts van toepassing op overtredingen die plaatsvinden na de inwerkingtreding van die wet omdat, voor zover hier van belang, het voor herstelsancties praktischer is als in een lopend handhavingsproces het oude recht van toepassing blijft.

Gelet op deze wettelijke overgangsregeling is het College van oordeel dat ten aanzien van de beoordeling van de hoogte van de kosten in verband met de toepassing van bestuursdwang in de onderhavige zaak, het recht van toepassing blijft zoals dat tot 1 juli 2009 gold (zie in gelijke zin de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 december 2009 (LJN: BK6758), 13 januari 2010 (LJN: BL4420) en 24 maart 2010 (LJN: BL8678)).

In artikel 5:26 Awb (oud) is een regeling getroffen ten aanzien van de invordering van de kosten die zijn gemaakt in verband met de toepassing van bestuursdwang. Deze voorziet in het uitbrengen van een dwangbevel door het bestuursorgaan, waartegen verzet kan worden ingesteld bij de burgerlijke rechter. Anders dan in de huidige regeling (artikel 5:25, zesde lid en artikel 5:31c, eerste lid, Awb), werd een brief of nota waarbij de kosten van bestuursdwang in rekening worden gebracht onder het voor 1 juli 2009 geldende recht niet als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, Awb aangemerkt. Hieruit volgt dat de beslissing van 1 juni 2010 geen besluit is waartegen ingevolge artikel 7:1 Awb bezwaar kon worden gemaakt. Verweerder had het bezwaar tegen deze beslissing daarom in plaats van ongegrond, niet-ontvankelijk moeten verklaren. Dit leidt tot de conclusie dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Het College zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Awb zelf in de zaak voorzien en het bezwaar tegen de beslissing van 1 juni 2010 alsnog niet-ontvankelijk verklaren.

2.5 Het College ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van appellant, zijnde de kosten van de door een beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Met inachtneming hiervan zijn de kosten vastgesteld op

€ 1748,-- , te weten 1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift, 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting bij het College, ad € 437,-- per punt. Ook zal het griffierecht aan appellant moeten worden vergoed.

3. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep tegen het besluit van 23 juli 2010 gegrond;

- vernietigt het besluit van 23 juli 2010;

- verklaart het bezwaar tegen de brief van 1 juni 2010 niet-ontvankelijk;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant, welke worden vastgesteld op € 1748,-- (zegge:

zeventienhonderdachtenveertig euro);

- bepaalt dat verweerder aan appellant het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,-- (zegge: honderdvijftig

euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. E. Dijt, in tegenwoordigheid van mr. L.B.J. Leunissen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 april 2012.

w.g. E. Dijt w.g. L.B.J. Leunissen