Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2012:BW3653

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
11-04-2012
Datum publicatie
24-04-2012
Zaaknummer
AWB 08/27
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Geschil tussen gemeente en netbeheerder over de aarding van lichtmasten voorgelegd aan NMa. CBb: Netbeheerder hoeft geen aarding aan te bieden. Voorts: bezwaar ten onrechte door NMa niet-ontvankelijk verklaard. CBb voorziet zelf. Thans voldoet de netbeheerder aan zijn verplichtingen. Bezwaar ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 08/27 11 april 2012

18050 Elektriciteitswet 1998

Uitspraak in de zaak van:

de Gemeente Amsterdam, appellante,

gemachtigde: mr. M.R. het Lam, advocaat te Den Haag,

tegen

de raad van bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit, verweerder,

gemachtigde: mr. drs. E.T.W.M. van Leeuwen, werkzaam bij verweerder,

waaraan voorts als partij deelneemt:

Liander N.V. (voorheen N.V. Continuon Netbeheer), te Arnhem (hierna: Liander),

gemachtigden: mr. drs. J.E. Janssen en mr. S.M. Goossens, advocaten te Amsterdam.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 10 januari 2008, bij het College binnengekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 29 november 2007.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op appellantes bezwaar tegen zijn besluit van 20 februari 2007, waarbij verweerder heeft beslist op een klacht van appellante op grond van artikel 51 van de Elektriciteitswet 1998.

Liander heeft op 11 januari 2008 verzocht om op de voet van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) als partij aan het geding deel te nemen. Bij brief van 16 januari 2008 heeft het College dit verzoek ingewilligd.

Bij brief van 13 februari 2008 heeft appellante haar beroep van gronden voorzien.

Bij brief van 11 april 2008 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 19 mei 2008 heeft Liander een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.

Bij brief van 25 maart 2009 heeft verweerder verzocht de behandeling van de zaak aan te houden in verband met een te starten onderzoek. Nadien is diverse malen om uitstel van de behandeling verzocht, mede omdat partijen mogelijk in onderling overleg tot een oplossing van het geschil zouden komen. Bij brief van 10 november 2011 heeft verweerder het College bericht dat geen overeenstemming tussen partijen is bereikt en dat de behandeling van het beroep kan worden voortgezet.

Op 29 februari 2012 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen hun standpunten hebben doen toelichten door hun gemachtigden

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Elektriciteitswet 1998 (hierna: de Wet) was ten tijde van belang onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 16

1. De netbeheerder heeft in het kader van het beheer van de netten in het voor hem krachtens artikel 36 of 37 vastgestelde gebied tot taak:

a. de door hem beheerde netten in werking te hebben en te onderhouden;

b. de veiligheid en betrouwbaarheid van de netten en van het transport van elektriciteit over de netten op de meest doelmatige wijze te waarborgen;

(…)

e. op de grondslag van artikel 23 derden te voorzien van een aansluiting op de netten en hun desgevraagd een meter ter beschikking te stellen;

(…)

g. het bevorderen van de veiligheid bij het gebruik van toestellen en installaties die elektriciteit verbruiken;

(…)

3. Het is anderen dan de desbetreffende netbeheerder verboden een taak uit te voeren als bedoeld in het eerste of tweede lid, behoudens voor zover het betreft het realiseren van de aansluiting van een afnemer als bedoeld in artikel 16c, het aanleggen van een landsgrensoverschrijdend net als bedoeld in het zesde lid of het aanleggen, beheren en onderhouden van een net als bedoeld in artikel 15, eerste of tweede lid, dan wel ter uitvoering van een procedure als bedoeld in artikel 20, derde lid.

Artikel 23

1. De netbeheerder is verplicht degene die daarom verzoekt te voorzien van een aansluiting op het door hem beheerde net tegen een tarief en tegen andere voorwaarden die in overeenstemming zijn met de paragrafen 5 en 6 van dit hoofdstuk. De netbeheerder verstrekt degene die om een aansluiting op het net verzoekt een gedetailleerde en volledige opgave van de uit te voeren werkzaamheden en de te berekenen kosten van de handelingen, onderscheiden in artikel 28, eerste lid.

(…)

Artikel 28

1. Het tarief waarvoor afnemers zullen worden aangesloten op een net heeft uitsluitend betrekking op:

a. het verbreken van het net van de desbetreffende netbeheerder om een fysieke verbinding van de installatie van een afnemer met dat net tot stand te brengen,

b. het installeren van voorzieningen om het net van de desbetreffende netbeheerder te beveiligen en beveiligd te houden en

c. het tot stand brengen en in stand houden van een verbinding tussen de plaats waar het net verbroken is en de voorzieningen om het net te beveiligen.

(…)

Artikel 51

1. Een partij die een geschil heeft met een netbeheerder over de wijze waarop deze zijn taken en bevoegdheden op grond van deze wet uitoefent, dan wel aan zijn verplichtingen op grond van deze wet voldoet, kan een klacht bij de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit indienen.

(…)

3. De beslissing van de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit is bindend."

In de Netcode is onder meer het volgende bepaald:

" 2.2.1.1

Voor de toepassing van de in 2.2.1.2 bedoelde voorschriften of bepalingen geldt dat de netbeheerder zal aangeven of het laagspanningsnet van de netbeheerder al dan niet is aangelegd volgens een systeem waarbij voldoende is verzekerd, dat de nul onder normale omstandigheden ongeveer aardpotentiaal houdt.

2.2.1.2

De netbeheerder bepaalt of het net, of een gedeelte ervan, in aanmerking komt als TN-stelsel te worden gebruikt ten behoeve van de aardingsvoorziening van elektrische installaties en welke aanvullende voorwaarden daartoe op de aansluiting van toepassing zijn.

2.2.1.3

Het gebruik van objecten van de netbeheerder als aardingsvoorziening voor elektrische installaties of gedeelten daarvan is niet toegestaan, tenzij anders met de netbeheerder is overeengekomen."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Liander verzorgt als netbeheerder de aansluiting van circa 100.000 lichtmasten in Amsterdam, die eigendom zijn van appellante.

- De lichtmasten en het daarbij behorende net dateren deels uit 1935. Het net is ontworpen door appellante.

- De lichtmasten kennen een aansluitconfiguratie waarbij de hoofdfase permanent onder spanning staat en wordt afgezekerd met twee zekeringen van elk 200 Ampère.

- (De rechtsvoorganger van) Liander heeft in 1998 het beheer van het betreffende OV-net overgenomen van N.V. Energiebedrijf Amsterdam, waarin appellante alle aandelen hield.

- Appellante heeft op 2 augustus 2006 door het indienen van een klacht op grond van artikel 51 van de Wet een geschil bij verweerder aanhangig gemaakt. De aanleiding voor deze klacht was het overlijden van een hond in februari 2003 ten gevolge van stapspanning nabij een lichtmast. Appellante heeft verweerder verzocht te beslissen:

" 1. Tot de aansluitdienst van Continuon in het gereguleerde domein, met betrekking tot openbare verlichting en daarmee gelijk te stellen installaties, behoort tevens het aanbieden van aarding via het TN-stelsel en een voldoende beveiligde aansluiting in de mast zodanig dat veiligheidsrisico’s zijn uitgesloten.

2. Op grond van de Tarievencode of anderszins, is Continuon verantwoordelijk voor het waarborgen van de veiligheid van de lichtmast – uitgaande van een door de gemeente aangebrachte adequate aardverbinding tussen de aansluiting en de wand van de lichtmast -, (…)"

- Op 13 oktober 2006 heeft verweerder appellante en Liander gehoord.

- Op 20 februari 2007 heeft verweerder beslist op de klacht. Verweerder heeft geoordeeld:

" I. Dat Continuon krachtens de Elektriciteitswet en ook wegens technische beperkingen die uit het lokale netontwerp voortkomen, niet verplicht kan worden tot het aanbieden van aarding voor alle lichtmastinstallaties van Gemeente Amsterdam;

II. Dat Continuon geen toestemming heeft gegeven voor het aarden op haar net;

III. Dat de aansluitpraktijk waarbij de lichtmastinstallaties van Gemeente Amsterdam door N.V. Nuon Netwerkservices worden doorverbonden met het aardscherm van Continuon niet als het aanbieden van aarding in de zin van artikel 2.2.1.2. NetCode, kan worden gekwalificeerd."

- Bij brief van 29 maart 2007 heeft appellante hiertegen bezwaar gemaakt.

- Bij brief van 1 mei 2007 heeft appellante het bezwaar van gronden voorzien.

- Op 12 juni 2007 heeft verweerder appellante en Liander gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

- Op 16 juli 2010 heeft verweerder Liander een bindende aanwijzing als bedoeld in artikel 5, zesde lid, van de Wet gegeven. Verweerder heeft Liander in verband met risico’s op foutspanning onder meer opgedragen aanpassingen in het OV-net in Amsterdam door te voeren binnen een jaar na bekendmaking van het besluit. Bij de vaststelling van de bindende aanwijzing heeft verweerder onder meer de bevindingen van een bedrijfsbezoek en twee onderzoeksrapporten van Movares Nederland B.V. (hierna: Movares) betrokken.

- Liander heeft bezwaar gemaakt tegen de bindende aanwijzing.

- Bij besluit van 15 september 2011 heeft verweerder de bindende aanwijzing gewijzigd in die zin dat de termijn waarbinnen Liander de aanpassingen moet doorvoeren is verlengd tot 31 december 2013.

- Appellante heeft tegen het wijzigingsbesluit bezwaar gemaakt.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante deels niet-ontvankelijk verklaard en voorts, onder aanpassing van de motivering, het besluit van 20 februari 2007 gehandhaafd en het verzoek om vergoeding van de door appellante gemaakte kosten afgewezen. Verweerder heeft hiertoe, samengevat weergegeven, het volgende overwogen.

Met betrekking tot de niet-ontvankelijkverklaring heeft verweerder het volgende overwogen. De oorzaak van het ongeval met de hond behoort niet tot de omvang van het geding. In haar aanvraag tot geschilbeslechting heeft appellante niet verzocht om een oordeel hieromtrent. De overwegingen in het primaire besluit hierover zijn ten overvloede.

Verweerder heeft de aanvraag van de gemeente opgevat als een verzoek een oordeel te geven over de rechtsvraag in hoeverre Liander wettelijk verplicht is aarding aan te bieden via het TN-stelsel of anderszins en of zij in concreto appellante toestemming heeft gegeven op haar net te aarden. Verweerder heeft ten aanzien van de veiligheid van de aansluitingen alleen overwegingen in abstracto opgenomen. Gezien de aard van de geschilbeslechtingsprocedure ligt het niet op de weg van verweerder om ambtshalve in concreto onderzoek in te stellen naar de veiligheid van alle aansluitingen van openbare verlichting. De vordering tot verwijdering van de spanningsvoerende hoofdfasen en de verplichting om te voldoen aan de ‘vijf-seconden-regel’ zijn voor het eerst in bezwaar naar voren gebracht en zijn, gelet op het bepaalde in artikel 7:11 Awb, niet-ontvankelijk.

Ten aanzien van de veiligheid van de aansluiting is verweerder van oordeel dat alleen de bezwaren met betrekking tot het materiaalgebruik van de aansluitkabels en aansluitborden in de lichtmasten binnen de omvang van het geding vallen. Liander erkent dat niet in alle gevallen sprake is van veilige aansluitborden en -kabels. Dit zijn onderdelen van de aansluiting waarvoor Liander verantwoordelijk is. Liander heeft meegedeeld dat deze aansluitborden en -kabels voor medio 2008 worden vervangen. Verweerder wijst er op dat Liander haar toezeggingen dient na te komen en dat het een wettelijke verplichting is van Liander om de veiligheid van iedere aansluiting te garanderen.

Ten aanzien van de aarding heeft verweerder overwogen dat noch uit artikel 16, eerste lid aanhef en onder b en e, van de Wet noch uit de op dat artikel gebaseerde technische voorwaarden volgt dat Liander verplicht zou zijn tot het aanbieden van aarding. Eveneens kan uit artikel 16, eerste lid, aanhef en onder g van de Wet een dergelijke verplichting niet volgen. Voor wat betreft het betoog van de gemeente dat het aanbieden van aarding onderdeel uitmaakt van de aansluitdienst overweegt verweerder dat noch artikel 28 van de Wet noch de toelichting bij dat artikel steun biedt voor die opvatting.

Uit de bewoordingen van de artikelen 2.2.1.1, 2.2.1.2 en 2.2.1.3 van de Netcode kan worden opgemaakt dat de netbeheerder expliciet toestemming moet geven om op haar net c.q. objecten te mogen aarden. Een andere interpretatie zal het uitoefenen van de wettelijke taak van de netbeheerder belemmeren ter zake van het waarborgen van de veiligheid en betrouwbaarheid van haar netten. Verweerder kan appellante niet volgen in haar betoog dat Liander toestemming zou hebben gegeven op het door haar beheerde net te aarden.

Het verzoek om vergoeding van kosten ex artikel 7:15 Awb wijst verweerder af, omdat verweerder het primaire besluit in stand laat, onder aanpassing van de motivering.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft, samengevat weergegeven, het volgende aangevoerd.

Met het besluit miskent verweerder dat de veiligheid van de aansluitingen onderdeel uitmaakt van het door appellante aanhangig gemaakte geschil. Appellante wijst hiertoe op passages uit de ingediende aanvraag voor geschilbeslechting. De opvatting van appellante dat de hoofdfase uit alle lichtmasten moet worden verwijderd geeft nadere uitwerking aan haar stelling dat de netbeheerder veilige aansluitingen moet leveren. Met verwijzing naar de vijf-secondenregel, die inhoudt dat een elektrische installatie zodanig moet zijn ingericht dat bij onregelmatigheden, zoals aardsluiting, de installatie binnen korte tijd afschakelt, heeft appellante willen duidelijk maken dat de door de netbeheerder geleverde aansluitingen niet veilig zijn. Het ongeval met het hondje is in dit kader evenzeer van belang, omdat uit een correcte vaststelling van de feitelijke gang van zaken blijkt dat de oorzaak voor het ongeval is te herleiden tot een onveilige aansluiting van de netbeheerder. Verweerder heeft de bezwaren van appellante op deze punten ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

Voorts had verweerder de door appellante verzochte proceskostenvergoeding op de voet van artikel 7:15 Awb moeten toekennen, nu verweerder in het bestreden besluit de gegrondheid van het door appellante ingediende bezwaar ten aanzien van de veiligheid van de aansluitborden erkent en dit heeft geresulteerd in een heroverweging van het primaire besluit.

Verweerder heeft ten onrechte geconcludeerd dat de Wet Liander niet verplicht de lichtmasten van een deugdelijke aarding te voorzien.

Uit artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, e en g van de Wet in onderlinge samenhang bezien volgt dat de netbeheerder een veilige aansluiting moet leveren. Om tot veilige aansluitingen te komen dient Liander de lichtmasten te voorzien van een deugdelijke aarding. Bij de lichtmasten van appellante is sprake van een bijzondere aansluitconfiguratie. De hoofdfase staat permanent onder spanning en wordt afgezekerd met twee zekeringen van elk 200 Ampère. In geval van een onregelmatigheid in de aansluiting brengt deze bijzondere aansluitconfiguratie mee dat de invoeding van elektriciteit uit het net niet automatisch wordt uitgeschakeld. Als gevolg hiervan kan de lichtmast (langdurig) onder spanning komen te staan. De in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e, in samenhang met artikel 23 van de Wet bedoelde aansluitdienst omvat alle werkzaamheden (en materialen) die nodig zijn voor het maken en instandhouden van een voldoende veilige aansluiting. Nu de specifieke aansluitconfiguratie met zich brengt dat de lichtmast onder spanning kan komen te staan, betekent dit dat in het geval van appellante de aardingsvoorziening deel uitmaakt van de wettelijk geregelde aansluitdienst. Als geoordeeld wordt dat de aardingsvoorziening in dit geval geen deel uitmaakt van de aansluitdienst, dan nog is Liander verplicht een deugdelijke aarding aan te bieden, omdat sprake is van het met toestemming aarden op het net van de netbeheerder.

Ter zitting heeft appellante dit subsidiaire standpunt als volgt toegelicht.

De lichtmasten in Amsterdam zijn doorverbonden met het aardscherm dat deel uitmaakt van het door Liander beheerde openbare net. Uit het onderzoek van Movares blijkt dat dit moet worden aangemerkt als een TN-stelsel, waarbij elektrische installaties (i.c. lichtmasten) worden geaard op het net van de netbeheerder. Liander was er mee bekend dat de lichtmasten op haar net worden geaard. Dit blijkt uit de door Liander en de met haar verbonden groepsmaatschappijen gebruikte aansluitinstructies. In dit licht kan niet worden volgehouden dat Liander geen toestemming heeft gegeven voor het gebruik van haar net als aardingsvoorziening. Omdat de lichtmasten zijn geaard en Liander heeft ingestemd met deze praktijk, rust op Liander de verantwoordelijkheid er voor te zorgen dat de lichtmasten blijvend en deugdelijk geaard zijn op het door haar beheerde net. Immers, het net (inclusief de daarmee samenhangende aardingsfunctie daarvan) valt krachtens artikel 16, derde lid, van de Wet onder de uitsluitende beheersverantwoordelijkheid van Liander.

Het door appellante aangelegde net is ontwikkeld op basis van het uitgangspunt dat de lichtmasten deugdelijk konden worden geaard door deze te verbinden met het aardscherm. Door minimaal onderhoud en wijzigingen in het net door Liander is de aardingsfunctie niet meer in alle gevallen voldoende en schendt Liander haar beheerstaken als neergelegd in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a en b van de Wet.

5. Het standpunt van Liander

Liander heeft, samengevat weergegeven, het volgende naar voren gebracht.

Appellante heeft in bezwaar een poging gedaan het geschil te verbreden. Zij stelt daar voor het eerst dat de aansluitconfiguratie van de lichtmasten van dien aard is dat sprake zou zijn van grote veiligheidsrisico’s. Verweerder heeft terecht het bezwaar op de betreffende punten niet-ontvankelijk verklaard. Een andersluidend oordeel is in strijd met onder meer de eisen van een goede procesorde en een adequate rechtsbescherming voor Liander, de reikwijdte van de heroverwegingsplicht en de aard en de reikwijdte van de geschilprocedure van artikel 51 van de Wet. Appellante gaat voorbij aan haar eigen rol als ontwerper en aanlegger van het bestaande laagspanningsnet volgens het TT-stelsel en niet volgens het TN-stelsel. Appellante weet als geen ander dat het fysiek onmogelijk is voor het bestaande net aarding te bieden volgens het TN-stelsel. Zelfs als juist zou zijn dat appellante haar net heeft ontwikkeld op basis van het uitgangspunt dat lichtmasten konden worden geaard door deze te verbinden met het aardscherm dan is zij er lang geleden al achter gekomen dat deze vorm van ‘aarding’ onvoldoende was. In 1983 is appellante namelijk al begonnen met het doorverbinden van de aarde met de nul. Zij heeft er voorts in het verleden bewust voor gekozen om de hoofdfase in te voeren in haar lichtmasten. Wat betreft maatregelen ter verhoging van de veiligheid van de lichtmasten heeft Liander in 2005 op ambtelijk niveau overeenstemming bereikt over onder meer het doorverbinden van de aarde met de nul, waarbij de kosten zouden worden verdeeld tussen appellante en Liander. Het gemeentebestuur heeft hiervan afgezien.

Er is noch een publiekrechtelijke noch een privaatrechtelijke verplichting voor Liander om een deugdelijke aarding aan te bieden voor de lichtmasten.

6. De beoordeling van het geschil

6.1 Ter zitting is de vraag aan de orde gesteld welk belang appellante nog heeft bij vernietiging van het bestreden besluit, gelet op de aan Liander op 16 juli 2010 gegeven bindende aanwijzing. Appellante heeft in reactie daarop onder meer gewezen op de mogelijkheid om, indien het bestreden besluit wordt vernietigd, schadevergoeding te vorderen. Nu niet op voorhand kan worden uitgesloten dat een dergelijke vordering enige kans van slagen heeft, kan het College niet tot het oordeel komen dat appellante geen enkel belang bij dit beroep meer heeft.

6.2 Het College ziet zich ten aanzien van het geschilpunt over de aarding voor de vraag gesteld of verweerder in het geschil tussen appellante en Liander terecht heeft vastgesteld dat Liander bij de uitoefening van haar taken en bevoegdheden op grond van de Wet deze wet niet heeft geschonden en heeft voldaan aan de op grond van deze wet geldende verplichtingen.

6.2.1 Het College ziet geen grond voor het oordeel dat in dit geval, gelet op de specifieke aansluitconfiguratie, de aardingsvoorziening deel uitmaakt van de aansluitdienst. Ingevolge artikel 23 van de Wet is een netbeheerder verplicht om degene die daarom verzoekt te voorzien van een aansluiting op het door hem beheerde net tegen een tarief en tegen voorwaarden die in overeenstemming zijn met de paragrafen 5 en 6 van hoofdstuk 3 van de Wet. Noch in genoemde paragrafen, noch in de hierop gebaseerde voorwaarden, zoals de Netcode, is een bepaling aan te wijzen op grond waarvan de netbeheerder in zijn algemeenheid of in specifieke situaties verplicht is om aarding als onderdeel van de aansluitdienst aan te bieden. Uit de artikelen 2.2.1.2 en 2.2.1.3 van de Netcode, die uitgaan van een systeem waarbij de netbeheerder de keuze wordt gelaten om al dan niet toe te staan dat op zijn net wordt geaard, valt veeleer het tegendeel af te leiden.

Dat de netbeheerder voor een voldoende veilige aansluiting moet zorgen, brengt niet met zich dat hij verplicht is de installatie van de afnemer, die geen deel uitmaakt van de aansluiting, te aarden op zijn net.

6.2.2 Appellante heeft subsidiair betoogd dat Liander niet voldoet aan haar verplichting om de aardevoorziening op haar net deugdelijk in stand te houden.

Vertrekpunt van dit betoog is dat sprake is van een TN-stelsel, hetgeen volgens appellante inhoudt dat het net geschikt is om op te aarden. Appellante baseert zich hierbij op het eerste rapport van Movares. Naar het oordeel van het College heeft appellante hiermee onvoldoende onderbouwd dat het net geschikt is om op te aarden. Uit het rapport blijkt dat Movares haar conclusie dat het OV-net in Amsterdam fungeert als TN-stelsel baseert op de feitelijke aansluitsituatie van de lichtmasten op de nul en de aardmantel (het aardscherm) van de aansluitkabel. Echter, wat er zij van deze feitelijke aansluitsituatie, hieruit kan niet worden geconcludeerd dat het net geschikt is om op te aarden. Of het net geschikt is, hangt af van de technische constellatie van het net in zijn geheel en niet van de configuratie die in de individuele aansluitsituaties wordt gekozen om een aardende werking te bewerkstelligen.

De enkele stelling dat appellante als netontwerper destijds een net heeft aangelegd dat geschikt was om een destijds voldoende geachte aardende werking te hebben, kan niet tot de conclusie leiden dat dit net naar de huidige maatstaven geschikt is om op te aarden. Bovendien zijn tussen de aanleg door appellante en het beheer door Liander decennia verstreken.

Voorts is het College van oordeel dat appellante de volgende stap in haar betoog – Liander heeft toestemming gegeven om op het net te aarden – evenmin van voldoende bewijs heeft voorzien. Appellante heeft in dit verband naar voren gebracht dat Liander op de hoogte was van de doorverbinding met de aardschermen en dat Liander deze doorverbinding ook uitdrukkelijk heeft voorgeschreven. Het College acht dit onvoldoende om aan te nemen dat Liander toestemming heeft gegeven voor aarding op haar net. Liander beschouwt de doorverbinding met de aardschermen niet als een volwaardige aarding, zodat uit de kennis van Liander over deze doorverbinding niet de conclusie kan worden getrokken dat Liander op de hoogte was van aarding. Aan de formulering in de werkinstructie kan niet de betekenis toekomen die appellante hieraan verbindt, nu het gaat om een interne instructie die als doel heeft er voor te zorgen dat de werkzaamheden op een technisch juiste wijze worden uitgevoerd.

Nu appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van aarding op het net van Liander met toestemming van Liander, ontvalt de grondslag aan het subsidiaire betoog van appellante dat Liander gehouden is een deugdelijke aardevoorziening in stand te houden en kan het bestreden besluit op dit punt in stand blijven.

6.3 Ten aanzien van het niet-ontvankelijk verklaren van een aantal bezwaren van appellante over de veiligheid van de aansluitingen, komt het bestreden besluit evenwel voor vernietiging in aanmerking. In haar klacht op grond van artikel 51 van de Wet heeft appellante de veiligheid van de aansluitingen expliciet naar voren gebracht. Verweerder heeft zich vervolgens in het dictum van het primaire besluit niet uitgelaten over de veiligheid van de aansluitingen. Reeds hierom was appellante gerechtigd in bezwaar gronden aan te voeren ten aanzien van de veiligheid van de aansluitingen. Voorts stond niets haar in de weg om de bezwaren te concretiseren naar bepaalde aspecten van de veiligheid van de aansluitingen.

6.4 De conclusie luidt dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:11 Awb dient te worden vernietigd voor zover de bezwaren van appellante niet-ontvankelijk zijn verklaard.

6.5 Het College ziet, met inachtneming van artikel 8:72, vierde lid, Awb in samenhang met artikel 19 van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie, aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en overweegt daartoe als volgt.

Verweerder heeft na het nemen van het bestreden besluit onderzoek gedaan naar de veiligheid van de aansluitingen. Vervolgens heeft verweerder Liander op 16 juli 2010 een bindende aanwijzing gegeven in verband met overtreding van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet. Tegen deze bindende aanwijzing heeft appellante geen bezwaar gemaakt. Ter zitting is gebleken dat Liander de bindende aanwijzing uitvoert. Dit betekent dat – ex-nunc bezien – de bezwaren van appellante ten aanzien van de veiligheid van de aansluitingen ongegrond zijn, nu Liander uitvoering geeft aan de bindende aanwijzing en derhalve haar verplichtingen ter zake nakomt.

6.6 Gelet op overweging 42 van het bestreden besluit en de op het bestreden besluit gevolgde bindende aanwijzing, concludeert het College dat verweerder destijds, als hij tot een inhoudelijke beoordeling van de bezwaren van appellante over de veiligheid van de aansluitingen was gekomen, deze bezwaren gegrond zou hebben verklaard en het primaire besluit zou hebben herroepen wegens aan hem te wijten onrechtmatigheid. Bijgevolg had verweerder dan de op grond van artikel 7:15 Awb gevraagde vergoeding dienen toe te wijzen. Het College zal ook op dit punt zelf voorzien. De hoogte van de vergoeding wordt vastgesteld op € 644,-- (1 punt ter waarde van € 322,-- voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, wegingsfactor 1 voor het gewicht van de zaak).

6.7 Het College ziet ten slotte aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht, zoals dit luidde ten tijde van belang, worden deze kosten vastgesteld op € 644,-- (1 punt ter waarde van € 322,-- voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1 voor het gewicht van de zaak).

6. De beslissing

Het College

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover de bezwaren van appellante niet-ontvankelijk zijn verklaard;

- verklaart de bezwaren van appellante ten aanzien van de veiligheid van de aansluitingen ongegrond;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- stelt de door verweerder aan appellante te betalen kostenvergoeding in bezwaar vast op € 644,-- (zegge:

zeshonderdvierenveertig euro);

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante, die worden vastgesteld op € 644,-- (zegge:

zeshonderdvierenveertig euro);

- bepaalt dat verweerder aan appellante het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,-- (zegge:

tweehonderdvijfentachtig euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. R.F.B. van Zutphen en mr. H.S.J. Albers, in tegenwoordigheid van mr. I.C. Hof als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 april 2012.

w.g. C.M. Wolters w.g. I.C. Hof