Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2012:BW3459

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
17-04-2012
Datum publicatie
20-04-2012
Zaaknummer
AWB 10/1226
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

accountantstucht, nalaten, maatregel, doorhaling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 10/1226 17 april 2012

20150 Wet tuchtrechtspraak accountants

Uitspraak op het hoger beroep van:

A, te B, appellant van een uitspraak van de accountantskamer van 24 september 2010, met nummer 10/760 WTRA AK.

1. Het procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft bij brief van 5 november 2010, bij het College binnengekomen op 9 november 2010, hoger beroep ingesteld tegen bovenvermelde uitspraak van de accountantskamer, gegeven op een klacht, op 10 mei 2010 door C (hierna: klaagster) ingediend tegen appellant.

De accountantskamer heeft bij brief van 3 december 2010 de stukken doen toekomen aan de griffier van het College.

Op 6 oktober 2011 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Appellant is niet verschenen. Klaagster is ter zitting verschenen.

2. De beslissing van de accountantskamer

Bij de bestreden tuchtbeslissing heeft de accountantskamer de klacht gegrond verklaard en appellant de maatregel opgelegd van doorhaling van de inschrijving in het register, bedoeld in artikel 1, onder j, van de Wet tuchtrechtspraak accountants (hierna: Wtra).

De accountantskamer heeft de termijn waarbinnen appellant niet opnieuw in het register kan worden ingeschreven bepaald op tien jaren.

Ter zake van de formulering van de klacht door de accountantskamer, de beoordeling van deze klacht en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer (www.tuchtrecht.nl, LJN: YH0081) die als hier ingelast wordt beschouwd.

3. De beoordeling van het beroep

3.1 De klacht tegen appellant houdt in dat hij heeft verzuimd om zijn contractuele verplichtingen jegens klaagster na te komen en herhaaldelijk heeft verzuimd om te reageren op e mailberichten en telefoontjes van klaagster.

Volgens de klacht heeft appellant verzuimd om tijdig de aangiften omzetbelasting voor het derde en vierde kwartaal 2009 te verzorgen, in strijd met een bericht aan klaagster niet gezorgd voor een oplossing in overleg met de Belastingdienst voor het niet indienen van de aangifte omzetbelasting voor het vierde kwartaal 2009, de jaarrekening 2009 van klaagster niet samengesteld en de aangifte inkomstenbelasting 2009 niet verzorgd.

De accountantskamer heeft de klacht in al haar onderdelen gegrond verklaard.

3.2 Het College stelt vast dat appellant niet heeft gereageerd op het klaagschrift en niet ter zitting bij de accountantskamer is verschenen en eerst in hoger beroep heeft verklaard over zijn handelen.

In het beroepschrift erkent appellant dat hij de aangifte omzetbelasting voor het derde en vierde kwartaal 2009 en de aangifte inkomstenbelasting 2009 van klaagster niet heeft ingediend. Hij bestrijdt echter het oordeel van de accountantskamer dat hij daarmee tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

Appellant voert aan dat klaagster hem in de loop van 2009 heeft bericht dat zij de tussen hen gesloten overeenkomst per ultimo 2009 wilde beëindigen, en dat hij deze opzegging aan haar heeft bevestigd. Hij stelt dat appellante hem geen administratie over het derde kwartaal 2009 heeft gestuurd en hij daarom niet kon weten of er wel een aangifte ingediend moest worden. De aangifte omzetbelasting voor het vierde kwartaal 2009 en de aangifte inkomstenbelasting 2009 heeft hij niet ingediend omdat - zo stelt appellant - de factuur voor de aangifte omzetbelasting voor het vierde kwartaal 2009 niet was betaald.

Het College overweegt hieromtrent het volgende.

3.3 Blijkens de als bijlage bij het klaagschrift gevoegde stukken heeft klaagster appellant per

e-mail van 8 december 2009 bericht dat zij een aanslag had gekregen van de Belastingdienst met een boete voor het niet doen van aangifte en een boete voor te laat betalen van BTW over het derde kwartaal 2009. Klaagster stelt in de e-mail dat zij dit kwartaal niets heeft omgezet en geen administratie heeft opgestuurd omdat zij “midden in een verhuizing zat”. In de e-mail merkt klaagster op dat zij niet begrijpt waarom appellant niet, zoals in voorgaande jaren, een nul-aangifte heeft gedaan, en vraagt zij appellant hoe dit wordt opgelost.

Niet gebleken is dat appellant op enigerlei wijze op deze e-mail heeft gereageerd.

3.4 Voor zover appellant met de mededeling in het beroepschrift inzake het beëindigen van de overeenkomst met klaagster per ultimo 2009 heeft willen betogen dat hij, na constatering van het niet toezenden van de administratie van klaagster over het derde kwartaal 2009 en het uitblijven van een verzoek tot het doen van aangifte, mocht concluderen dat hij geen opdracht had voor de aangifte omzetbelasting voor het derde kwartaal 2009, volgt het College appellant daarin niet. Appellant was op grond van de overeenkomst gehouden voor 2009 de overeengekomen werkzaamheden voor klaagster te verrichten. De eerder genoemde opzegging doet daaraan niet af. Appellant had bij het ontbreken van de administratie een zogenoemde nul-aangifte voor klaagster kunnen indienen, hetgeen hij kennelijk al vaker had gedaan, dan wel had hij met klaagster contact moeten opnemen om met zekerheid te kunnen vaststellen dat geen aangifte behoefde te worden gedaan. Door dit na te laten heeft appellant tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.

3.5 Ten aanzien van het niet indienen van de aangifte omzetbelasting vierde kwartaal 2009 en de aangifte inkomstenbelasting 2009 overweegt het College als volgt.

3.5.1 Blijkens de als bijlage bij het klaagschrift gevoegde stukken heeft klaagster appellant op 24 februari 2010 per e-mail medegedeeld dat zij wederom een naheffingsaanslag en een boete heeft ontvangen - ditmaal voor het niet doen van de aangifte omzetbelasting vierde kwartaal 2009 - en hem gevraagd wat er gaande is. In reactie hierop heeft appellant, bij e-mail van 25 februari 2010, aan klaagster medegedeeld dat zich problemen hebben voorgedaan bij het elektronisch verzenden van de aangiften omzetbelasting vierde kwartaal 2009 en dat hij met de Belastingdienst heeft afgesproken dat hij deze aangiften opnieuw zal indienen. Dit geldt volgens appellant tevens als bezwaarschrift tegen de ambtshalve opgelegde aanslag waarmee de boete wordt ingetrokken.

Bij e-mail van 24 maart 2010 heeft klaagster appellant bericht dat zij een aanmaning en een boete heeft gekregen in verband met het uitblijven van de aangifte omzetbelasting vierde kwartaal 2009. Blijkens informatie van de Belastingdienst, zo stelt klaagster in het klaagschrift, heeft appellant in het geheel geen actie ondernomen. Ondanks herhaalde verzoeken daartoe heeft appellant niet inhoudelijk gereageerd op e-mails hieromtrent van klaagster.

3.5.2 Het College stelt vast dat appellant in het beroepschrift een andere verklaring geeft voor het niet indienen van de betreffende aangiften dan de verklaring die hij eerder in de e-mail aan klaagster van 25 februari 2010 heeft gegeven.

Bij gebrek aan een toelichting van appellant hieromtrent houdt het College het ervoor dat de eerder door appellant gegeven verklaring als onjuist moet worden beschouwd.

3.5.3 Appellant heeft geen stukken overgelegd waaruit zou kunnen worden afgeleid dat klaagster de betreffende factuur inderdaad niet zou hebben betaald. Klaagster stelt de facturen voor 2009 te hebben voldaan.

Het College is van oordeel dat, indien de stelling van appellant zou worden gevolgd, het in de rede zou hebben gelegen dat appellant - juist ook vanwege het blijkens de stukken door appellant aan klaagster gedane verzoek om de factuur voor het vierde kwartaal 2009 op een ander rekeningnummer te voldoen - klaagster op enigerlei wijze zou hebben gewezen op het nog openstaan van deze factuur alvorens hij tot het niet uitvoeren van de betreffende werkzaamheden zou hebben besloten. Daarvan is niet gebleken. Evenmin heeft appellant in zijn reactie op de e-mail van klaagster van 24 februari 2010 het uitblijven van de betaling van de factuur voor het vierde kwartaal 2009 aan de orde gesteld.

3.5.4 Het College is gelet op het vorenstaande van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat klaagster de factuur niet heeft betaald. Dit leidt tot de conclusie dat appellant zonder dat daarvoor goede redenen zijn aan te wijzen heeft nagelaten de aangifte omzetbelasting vierde kwartaal 2009 en de aangifte inkomstenbelasting 2009 voor klaagster in te dienen. Daardoor heeft appellant tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.

Appellant heeft klaagster tevens onjuist geïnformeerd omtrent het indienen van de aangifte omzetbelasting vierde kwartaal 2009, en daaromtrent herhaalde toezeggingen gedaan zonder deze na te komen. Ook hierdoor heeft appellant tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.

3.6 Ten aanzien van het niet samenstellen van de jaarrekening 2009 zijn door appellant geen gronden ingediend zodat het oordeel van de accountantskamer omtrent dit klachtonderdeel onbesproken kan blijven.

3.7 Appellant heeft als subsidiaire grond aangevoerd dat er een enorme discrepantie bestaat tussen de klacht en de opgelegde maatregel. Het College overweegt hieromtrent als volgt.

3.7.1 Het College onderschrijft het oordeel van de accountantskamer dat het handelen van appellant zoals hiervoor omschreven in strijd is met het fundamentele beginsel van deskundigheid en zorgvuldigheid als bedoeld in artikel A-130.1 en A-130.4 van de Verordening gedragscode (hierna: VGC), het fundamentele beginsel van professioneel gedrag als bedoeld in artikel A-100.4 onder e. VGC en het fundamentele beginsel van integriteit, als bedoeld in artikel A-100.4 en nader uitgewerkt in A-110.1 VGC.

Het College is met de accountantskamer van oordeel dat het opleggen van de maatregel van doorhaling van de inschrijving van betrokkene als accountant in het register bedoeld in artikel 1, onder j, Wtra passend en geboden is.

3.7.2 Ten aanzien van de termijn waarbinnen betrokkene niet opnieuw in het register kan worden ingeschreven, overweegt het College als volgt.

Het College heeft appellant in de uitspraak op zijn beroep tegen de beslissing van de raad van tucht van 2 november 2009 (AWB 09/1475, www.tuchtrecht.nl, LJN: BT6913) de maatregel van schorsing als registeraccountant voor de duur van drie maanden opgelegd in verband met het bij herhaling doen van toezeggingen omtrent het verrichten van werkzaamheden en het telkens niet nakomen van die toezeggingen. Daarbij heeft het College in aanmerking genomen dat aan appellant eerder, bij beslissing van de raad van tucht van 25 april 2006 (Jurisprudentie Tuchtrechtspraak 2007-36), vanwege soortgelijk handelen en nalaten de maatregel van schriftelijke berisping is opgelegd.

De klacht in de onderhavige zaak ziet wederom op soortgelijk handelen en nalaten, hetgeen onontkoombaar tot de conclusie leidt dat appellant de laakbaarheid van zijn handelen niet inziet, althans daarvan geen blijk geeft.

De handelwijze van appellant is ernstig tuchtrechtelijk verwijtbaar. Het College acht evenwel onvoldoende gronden aanwezig om appellant voor de maximale termijn van tien jaren uit te sluiten van de mogelijkheid om opnieuw in het register te worden ingeschreven, zoals de accountantskamer heeft geoordeeld.

Het College acht het aangewezen dat appellant voor een termijn van drie jaren de mogelijkheid op hernieuwde inschrijving in het register wordt ontzegd.

3.8 Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat het hoger beroep gegrond is.

3.9 Na te melden beslissing op het hoger beroep berust op artikel 43, eerste lid, Wtra, en artikel 40 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004.

4. De beslissing

Het College:

- verklaart het hoger beroep van appellant gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak van de accountantskamer voor zover het de opgelegde maatregel betreft;

- legt appellant de maatregel op van doorhaling van de inschrijving in het register bedoeld in artikel 1, onder j, van de Wtra;

- bepaalt de termijn waarbinnen appellant niet opnieuw in het register kan worden ingeschreven op drie jaren.

Aldus gewezen door mr. E.R. Eggeraat, mr. G.P. Kleijn en mr. J.A.M. van den Berk, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Voskamp, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 april 2012.

w.g. E.R. Eggeraat w.g. M.A. Voskamp