Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2012:BW3454

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
16-04-2012
Datum publicatie
20-04-2012
Zaaknummer
AWB 11/369
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

veiligheid kleine bedrijven; voorafgaand aan de subsidieaanvraag gemaakte kosten; aangaan van verplichtingen voorafgaand aan de subsidieaanvraag en de veiligheidsscan

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 11/369 16 april 2012

27300 Kaderwet EZ-subsidies

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

tegen

de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, verweerder,

gemachtigde: mr. G. Baarsma, werkzaam bij Agentschap NL.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 11 mei 2011, bij het College binnengekomen op 12 mei 2011, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 13 april 2011.

Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 maart 2011, waarbij verweerder de subsidie op grond van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen op nihil heeft vastgesteld, kennelijk ongegrond verklaard.

Bij brief van 10 juni 2011 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 3 februari 2012 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigde van verweerder is verschenen. Voor verweerder zijn tevens mr. C. Dohmen en C. de Rijke verschenen.

Ter zitting heeft het College het onderzoek geschorst om verweerder de gelegenheid te geven nadere informatie te verstrekken. Verweerder heeft bij brief van 13 februari 2012 aan dit verzoek voldaan.

Partijen hebben desgevraagd toestemming gegeven voor het achterwege laten van een nader onderzoek ter zitting, waarna het College het onderzoek heeft gesloten.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Het Kaderbesluit EZ-subsidies (Stb. 2008, nr. 499, nadien gewijzigd) bepaalde ten tijde en voor zover hier van belang:

"Artikel 10

(...)

2. Vóór indiening van de aanvraag door de subsidieontvanger gemaakte kosten komen niet voor subsidie in aanmerking."

De toelichting bij dit artikel vermeldt onder meer:

"Uitgangspunt van de voor subsidie in aanmerking komende kosten is dat het kosten zijn die direct verbonden zijn met de uitvoering van de activiteit waarvoor subsidie wordt verleend en die de gewone bedrijfsvoering betreffen. In het tweede tot en met het zesde lid wordt dit uitgangspunt verder uitgewerkt. In het tweede lid wordt bepaald dat alleen ná de indiening van de aanvraag gemaakte kosten voor subsidie in aanmerking komen. Dit betekent dus dat kosten die in de periode tussen de aanvraag en de beschikking tot subsidieverlening worden gemaakt, wel voor vergoeding in aanmerking komen."

De Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen (Stcrt. 2008, nr. 245, onder meer gewijzigd bij Stcrt. 2010, nr. 3896; hierna: Subsidieregeling) bepaalde ten tijde en voor zover hier van belang:

"Artikel 9.2

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een MKB-ondernemer voor:

a. een of meerdere veiligheidsscans;

b. het treffen van één of meer in de veiligheidsscan opgenomen veiligheidsmaatregelen.

Artikel 9.5

1. De subsidie voor een veiligheidsscan bedraagt de subsidiabele kosten verminderd met € 50, maar niet meer dan € 300 per scan.

2. Indien uit de veiligheidsscans blijkt dat de MKB-ondernemer veiligheidsmaatregelen kan treffen bedraagt de subsidie voor de veiligheidsmaatregelen 50 procent van de subsidiabele kosten, maar niet meer dan € 700.

3. De subsidie voor veiligheidsscans en veiligheidsmaatregelen bedraagt opgeteld niet meer dan € 1000."

De toelichting bij de wijziging van de Subsidieregeling van 8 maart 2010, geldend per 16 maart 2010 (Stcrt. 2010, nr. 3896), vermeldt onder meer:

"In 2009 kon er pas een aanvraag om VKB-subsidie worden ingediend nadat de veiligheidsscan was gedaan. De achtergrond hiervan was dat er dan inzicht was in de kosten voor de veiligheidsmaatregelen. Dit had ook het gevolg dat een ondernemer kosten moest maken, voordat zeker was of daarvoor ook subsidie kon worden verkregen. Gezien de ervaringen aan het eind van 2009 is dit niet langer wenselijk. Daarom is ervoor gekozen om in 2010 de subsidie aan te laten vragen voordat de veiligheidsscan wordt gedaan. Door de verlaging van het subsidiebedrag is het bovendien minder problematisch dat de uitkomsten van de veiligheidsscan nog niet bekend zijn op het moment van aanvraag van de subsidie."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 15 juni 2010 heeft appellant opdracht verleend voor de levering en installatie van een alarmsysteem.

- Op 20 juli 2010 heeft appellant met een aanvraagformulier op grond van de Subsidieregeling een subsidie van maximaal € 1000 aangevraagd voor een veiligheidsscan en de te nemen veiligheidsmaatregelen.

- Op 20 juli 2010 heeft appellant een aanbetaling voor het alarmsysteem ten bedrage van € 2.284,80 aan de installateur gedaan.

- Bij besluit van 6 augustus 2010 heeft verweerder appellant een subsidie van maximaal € 1000 verleend voor het laten uitvoeren van een veiligheidsscan en voor het treffen van de veiligheidsmaatregelen.

- Op 31 augustus 2010 is een veiligheidsscan uitgevoerd waarin appellant geadviseerd wordt een alarminstallatie, betere sloten en een traliewerk voor het raam in het magazijn te laten installeren. Voorts wordt appellant geadviseerd om de camera op de kassa te richten.

- Op 21 december 2010 heeft verweerder een door appellant ingevuld "Vaststellingsformulier 2010" ontvangen.

- Bij besluit van 1 maart 2011 heeft verweerder de subsidie voor de veiligheidsscan vastgesteld op € 300. De subsidie voor de veiligheidsmaatregelen is vastgesteld op € 0 omdat de daartoe vóór indiening van de aanvraag gemaakte kosten niet voor subsidie in aanmerking komen.

- Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 10 maart 2011 bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en het nadere standpunt van verweerder

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen zijn besluit om de subsidie voor veiligheidsmaatregelen op nihil vast te stellen, kennelijk ongegrond verklaard. Verweerder heeft daartoe overwogen dat appellant op 15 juni 2010 een overeenkomst voor een alarmsysteem heeft afgesloten. De betalingsverplichting voor het alarmsysteem vloeit voort uit deze overeenkomst. Hoewel appellant op dat moment nog niet heeft hoeven te betalen, heeft appellant, aldus verweerder, al wel kosten gemaakt. Appellant heeft op 20 juli 2010 een aanvraag tot subsidievaststelling ingediend, dus nadat appellant kosten heeft gemaakt. Omdat op grond van artikel 10, tweede lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies de kosten die vóór indiening van de aanvraag zijn gemaakt niet in aanmerking komen voor subsidie, is de subsidie voor de veiligheidsmaatregelen terecht op nihil vastgesteld.

Voorts heeft verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellant de overeenkomst voor de veiligheidsmaatregelen heeft gesloten vóórdat de veiligheidsscan heeft plaatsgevonden. Uit artikel 9.5, tweede lid, van de Subsidieregeling en de toelichting daarop volgt dat de ondernemer éérst een veiligheidsscan moet laten uitvoeren voordat hij de veiligheidsmaatregelen treft. Dat na de veiligheidsscan nog aanpassingen zijn gedaan doet niets af aan het feit dat de overeenkomst al was gesloten, de maatregelen zijn in essentie niet veranderd. Ook om die reden komen de getroffen veiligheidsmaatregelen niet voor subsidie in aanmerking.

Ter zitting heeft verweerder nog gewezen op het stimuleringsdoel van de Subsidieregeling. Gelet op dat stimuleringsdoel geldt de volgorde dat de ondernemer eerst een aanvraag voor een subsidie voor de kosten van de scan en maatregelen indient, vervolgens de scan laat opmaken en pas daarna opdracht geeft tot het uitvoeren van de veiligheidmaatregelen.

Met de nadere informatie die verweerder na de schorsing heeft verstrekt, heeft verweerder uiteengezet welke systematiek aan de verschillende wijzigingen van de Subsidieregeling ten grondslag heeft gelegen. Met de wijziging van de Subsidieregeling van 8 maart 2010 is gekozen voor een systeem waarbij de aanvraag vooraf gaat aan de veiligheidsscan. Hierdoor was het niet meer nodig om af te wijken van artikel 10, tweede lid van het Kaderbesluit EZ-subsidies. Immers, als de veiligheidsscan pas gedaan wordt na de aanvraag is het niet nodig en wenselijk dat een aanvrager voorafgaand aan de aanvraag verplichtingen aangaat en kosten maakt.

4. Het standpunt van appellant

Appellant voert tegen het bestreden besluit aan dat het onjuist is dat hij verplicht is om de betaling te doen na het ondertekenen van de offerte; Blijkens de offerte van de installateur dient 50 procent van de kosten pas betaald te worden betaald na oplevering. Dit is nadat appellant de subsidie heeft aangevraagd.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College dient te beoordelen of verweerder de subsidie voor de veiligheidsmaatregelen terecht op nihil heeft vastgesteld. Het College overweegt daartoe het volgende.

5.2 Het College stelt voorop dat in artikel 10, tweede lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies is bepaald dat vóór indiening van de aanvraag door de subsidieontvanger gemaakte kosten niet voor subsidie in aanmerking komen. Uit de bewoordingen van dit artikelonderdeel valt niet af te leiden dat daarmee ook is bedoeld kosten van subsidiëring uit te sluiten die na de indiening van de aanvraag zijn betaald voor toen uitgevoerde werkzaamheden waarvoor vóór de indiening van de aanvraag verplichtingen zijn aangegaan. Uit de toelichting op dit artikelonderdeel, zoals weergegeven in rubriek 2.1 van deze uitspraak, valt zulks evenmin af te leiden. Zoals het College al eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van 17 april 2003, AWB 02/1364, LJN AF8082) kan het aangaan van verplichtingen niet gelijkgesteld worden aan het maken van kosten. Het gaat hier om te onderscheiden begrippen. De Kaderwet EZ-subsidies gaat daarvan ook uit; in verschillende andere subsidieregelingen die hun grondslag vinden in deze wet wordt uitdrukkelijk de voorwaarde gesteld dat voorafgaand aan de indiening van de aanvraag om subsidie met betrekking tot de investering geen verplichtingen zijn aangegaan.

Gelet op het vorenstaande is het College van oordeel dat de primaire stelling van verweerder dat appellant met het sluiten van de overeenkomst tot het treffen van veiligheidsmaatregelen een betalingsverplichting is aangegaan en aldus kosten zijn gemaakt voorafgaand aan de aanvraag tot subsidieverlening, geen grondslag in de Subsidieregeling vindt. Deze primaire stelling kan het bestreden besluit dan ook niet dragen.

5.3 Verweerder heeft mede aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellant de overeenkomst voor de veiligheidsmaatregelen heeft gesloten vóórdat hij de veiligheidsscan heeft laten uitvoeren, hetgeen volgens verweerder in strijd is met artikel 9.5, tweede lid, van de Subsidieregeling.

Het College stelt voorop dat, ten tijde hier van belang, in artikel 9.5, tweede lid, van de Subsidieregeling is bepaald dat indien uit de veiligheidsscans blijkt dat de MKB-ondernemer veiligheidsmaatregelen kan treffen, de subsidie voor de veiligheidsmaatregelen 50 procent van de subsidiabele kosten bedraagt, maar niet meer dan € 700. Uit de bewoordingen van dit artikelonderdeel volgt niet dat de veiligheidsscan moet hebben plaatsgevonden vóórdat de overeenkomst tot het treffen van de veiligheidsmaatregelen wordt gesloten. Uit de toelichting op de wijziging van de Subsidieregeling, zoals weergegeven in rubriek 2.1 van deze uitspraak, valt dit evenmin af te leiden. Het beroep ter zitting van verweerder op het stimuleringsdoel van de Subsidieregeling kan dientengevolge evenmin slagen.

Gelet op het vorenstaande is het College van oordeel dat ook de subsidiaire stelling van verweerder het bestreden besluit niet kan dragen.

5.4 Het beroep is derhalve gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

5.5 Het College beschikt over voldoende gegevens om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, in samenhang met artikel 19 van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie, zelf in de zaak te voorzien.

Niet in geschil is dat appellant op 20 juli 2010 de subsidie heeft aangevraagd, dat op 31 augustus 2010 een veiligheidsscan is uitgevoerd waarin onder meer is geadviseerd een alarmsysteem te installeren en dat op 24 november 2010 het alarmsysteem is opgeleverd. Wat er ook zij van de betaling van appellant op 20 juli 2010, het College stelt vast dat met de betaling ten bedrage van € 2.314,55 van 6 december 2010 sprake is van kosten gemaakt ná de subsidieaanvraag. Deze kosten bedragen meer dan de maximale subsidie van € 700 voor de veiligheidsmaatregelen die kan worden gegeven op grond van de Subsidieregeling. Nu niet is gebleken is van enig ander beletsel voor de vaststelling van de subsidie herroept het College het besluit van 1 maart 2011, voor zover daarin de subsidie voor de veiligheidsmaatregelen op nihil is vastgesteld en stelt de subsidie voor de veiligheidsmaatregelen vast op € 700.

5.6 Het College ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, aangezien niet is gebleken van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het besluit van 1 maart 2011, voor zover daarin de subsidie voor de veiligheidsmaatregelen op nihil is

vastgesteld;

- stelt de subsidie voor de veiligheidsmaatregelen vast op € 700,- (zegge: zevenhonderd euro);

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- bepaalt dat verweerder het door appellant betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,- (zegge: honderdtweeënvijftig euro)

vergoedt.

Aldus gewezen door mr. J.A.M. van den Berk, mr. M. van Duuren en mr. M. Munsterman, in tegenwoordigheid van mr. F.E. Mulder als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 april 2012.

w.g. J.A.M. van den Berk w.g. F.E. Mulder