Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2012:BW2480

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
03-04-2012
Datum publicatie
16-04-2012
Zaaknummer
AWB 09/1449
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Besluit subsidies energieprogramma's (BSE) en Besluit uitvoeringsregeling BSE-2005 duurzame energie (haalbaarheidsstudies en kennisoverdrachtprojecten); vaststelling subsidie op € 0,-; geen haalbaarheidsproject; feitelijk reeds een keuze gemaakt voor een biogasinstallatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 09/1449 3 april 2012

27314 Kaderwet EZ-subsidies

Besluit subsidies energieprogramma's

Uitspraak in de zaak van:

A B.V., te B, appellante,

gemachtigde: mr. W.M.J. Saes, advocaat te Roermond,

tegen

de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, verweerder,

gemachtigde: mr. drs. R.F. Jassies, werkzaam bij Agentschap NL (voorheen SenterNovem).

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 7 december 2009, bij het College binnengekomen op 8 december 2009, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 28 oktober 2009.

Bij dit besluit heeft verweerder ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen een besluit van 6 augustus 2009, waarbij de aan appellante verleende subsidie op grond van het Besluit subsidies energieprogramma’s (hierna: BSE) en de Uitvoeringsregeling BSE-2005 duurzame energie (haalbaarheidsstudies en kennisoverdrachtprojecten) (hierna: Uitvoeringsregeling BSE-2005) op € 0,- is vastgesteld.

Bij brief van 19 januari 2010 heeft appellante de gronden van het beroep aangevuld.

Bij brief van 18 maart 2010 heeft verweerder op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Op 21 februari 2012 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Appellante en haar gemachtigde zijn – met kennisgeving – niet verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Het BSE luidde, ten tijde en voor zover hier van belang, als volgt:

“Artikel 1

In dit besluit en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

c. project: een haalbaarheidsproject (…)

d. haalbaarheidsproject: een samenhangend geheel van activiteiten, bestaande uit een analyse en een beoordeling van de mogelijkheden om een apparaat, systeem of techniek te ontwikkelen of in de praktijk toe te passen (…)

Artikel 2

1. Onze Minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan degene die in Nederland een project uitvoert, dat past in een energieprogramma en naar het oordeel van Onze Minister het beste bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma.

2. Onze Minister stelt bij ministeriële regeling de energieprogramma’s vast. Een energieprogramma bevat een beschrijving van met elkaar samenhangende doelstellingen en soorten projecten, gericht op het bereiken van energiebesparing, de inzet van duurzame energie of de toepassing van energietechnieken die tot een geringere belasting van het milieu leiden. (…)

Artikel 12

1. Op de subsidie-ontvanger rusten de in de artikelen 13, 14 en 15 opgenomen verplichtingen. (…)

Artikel 13

1. De subsidie-ontvanger voert het project uit overeenkomstig het projectplan waarop de subsidieverlening betrekking heeft en voltooit het uiterlijk op het bij de subsidieverlening bepaalde tijdstip, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van Onze Minister voor het vertragen, het essentieel wijzigen of het stopzetten van het project.

(…)”

De Uitvoeringsregeling BSE-2005 luidde, ten tijde en voor zover hier van belang, als volgt:

“Artikel 2

1. Als energieprogramma als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Besluit subsidies energieprogramma’s, wordt vastgesteld het programma opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage.

(…)”

De bijlage behorend bij artikel 2, eerste lid, Uitvoeringsregeling BSE-2005 (hierna: Bijlage) luidde, ten tijde en voor zover hier van belang, als volgt:

“Programma duurzame energie

A. Doel, afbakening

In het kader van het Besluit subsidies energieprogramma’s wordt via diverse energieprogramma’s subsidie verleend voor activiteiten op het gebied van energiebesparing en duurzame energie. Het doel van het energieprogramma duurzame energie (haalbaarheidstudies en kennisoverdrachtprojecten) (hierna: het programma) is het bevorderen van projecten die een bijdrage leveren aan de doelstellingen van het beleid inzake duurzame energie van de Nederlandse overheid en waarvan de resultaten van betekenis zijn voor de Nederlandse energievoorziening, door middel van:

het wegnemen van knelpunten voor de toepassing van technologieën op het gebied van duurzame energie.

In het kader van het programma is verstrekking van subsidie mogelijk voor de volgende typen projecten (…)

- haalbaarheidsprojecten (…)

C. Voorwaarden

Geen subsidie wordt verstrekt:

(…)

11. voor een duurzame-energiescan:

a. die niet kan worden aangemerkt als een haalbaarheidsproject voor een samenwerkingsverband van bedrijven of een belangenvereniging van bedrijven waarmee, met behulp van de door SenterNovem ontwikkelde duurzame-energiescan, bepaald kan worden waar de kansen voor duurzame energie liggen (…)”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij een daartoe bestemd formulier, gedateerd 29 augustus 2005, heeft appellante een aanvraag ingediend voor subsidie op grond van het BSE en de Uitvoeringsregeling BSE-2005 voor het project “C” (hierna: het project).

- Bij besluit van 22 december 2005 heeft verweerder appellante subsidie verleend voor het project als omschreven in de projectbeschrijving. De subsidie bedraagt 50% van de daadwerkelijk gemaakte subsidiabele kosten tot een maximum van € 7.000,-. De looptijd van het project is van 1 oktober 2005 tot en met 31 augustus 2006, later desgevraagd verlengd tot 31 december 2006.

- In februari 2007 heeft D BV (hierna: D) in het kader van dit project het rapport “E” (hierna: DE-scan) uitgebracht.

- Bij een daartoe bestemd formulier, gedateerd 21 maart 2007, heeft appellante verzocht om vaststelling van de subsidie voor het project.

- Op 12 februari 2008 is door twee medewerkers van SenterNovem, in het kader van de vaststelling van de subsidie voor het project, een controlebezoek afgelegd bij appellante. De bevindingen van dit bezoek zijn neergelegd in een “bevindingenverslag” van 9 juni 2008.

- Bij het besluit van 6 augustus 2009 heeft verweerder de subsidie vastgesteld op € 0,-.

- Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt.

- Op 15 oktober 2009 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

- Vervolgens heeft verweerder het besluit van 28 oktober 2009 (hierna: bestreden besluit) genomen.

3. Het bestreden besluit

3.1 Bij het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat de in het verzoek om subsidievaststelling genoemde projectkosten geen betrekking hebben op het uitvoeren van een haalbaarheidsstudie, waarvoor de subsidie is verleend, maar op het adviseren bij c.q. optimaliseren van de door appellante reeds gekozen duurzame energieoptie, te weten (oprichting van) een biogasinstallatie. De bedoeling van de Uitvoeringsregeling BSE-2005 is echter om de haalbaarheid van verschillende duurzame energieopties te laten onderzoeken voordat deze in het bedrijf van de aanvrager worden toegepast, aldus verweerder. Gebleken is dat de keuze voor een biogasinstallatie als duurzame energieoptie feitelijk al door appellante was gemaakt en deze met de implementatie daarvan al was begonnen voordat het project was afgelopen. De aanvraag voor een bouwvergunning tot het oprichten van de biogasinstallatie was reeds ingediend op 21 maart 2006, terwijl het project liep tot en met 31 december 2006.

3.2 In het verweerschrift heeft verweerder zich nader op het standpunt gesteld dat de DE-scan niet is uitgevoerd ten behoeve van de aanvrager van de subsidie (appellante), maar voor het samenwerkingsverband F B.V., waardoor de relatie met de aanvraag als basis voor de subsidieverlening is komen te vervallen. Het rapport van D beschouwt verweerder bovendien niet als een haalbaarheidsstudie, omdat daarin niet centraal staat de vraag welke optie gekozen moet worden, maar uitsluitend nog wordt onderzocht hoe restwarmte van de biogasinstallatie nuttig gebruikt kan worden.

4. Het standpunt van appellante

4.1 Appellante stelt zich op het standpunt dat de kosten van de DE-scan wel ten behoeve van het project waarvoor subsidie is aangevraagd zijn gemaakt. In dat kader betwist appellante dat het doel van de Uitvoeringsregeling BSE-2005 is het onderzoeken van de haalbaarheid van verschillende duurzame energieopties voordat deze worden toegepast. Volgens appellante blijkt de bedoeling van de Uitvoeringsregeling BSE-2005 uit onderdeel A van de Bijlage, te weten het bevorderen van projecten die een bijdrage leveren aan de doelstellingen van het beleid inzake duurzame energie door middel van het wegnemen van knelpunten voor de toepassing van technologieën op het gebied van duurzame energie. Energie uit biomassa is een vorm van duurzame energie, waarmee met het project deze bedoeling derhalve is nagestreefd, aldus appellante. Daarnaast heeft zij wel degelijk de haalbaarheid van verschillende duurzame energieopties laten onderzoeken. Dit blijkt uit het rapport van D, waarin vier verschillende duurzame energieopties zijn onderzocht op het gebied van fysieke, juridische en financiële haalbaarheid. Ook als appellante alleen geïnteresseerd zou zijn geweest in biomassa, dan zou er nog steeds sprake zijn van een haalbaarheidsproject. Volgens appellante behoort toetsing van eigen inzichten en kennis op het gebied van biomassa tot een haalbaarheidsproject. Verweerder verliest naar de mening van appellante uit het oog dat het gaat om een haalbaarheidsproject dat gericht is op het in de praktijk toepassen van een duurzame energieoptie. Uit de toelichting bij artikel 10, onderdeel C, Bijlage blijkt voorts dat subsidie wordt verstrekt voor haalbaarheidsprojecten die gericht zijn op analyseren of beoordelen van de mogelijkheden om een apparaat, systeem of techniek in de praktijk toe te passen. Appellante had weliswaar al op 21 maart 2006 een bouwvergunning aangevraagd, maar dat heeft zij alleen maar gedaan omdat het soms jaren duurt voordat een vergunning verleend wordt.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College dient in dit geding de vraag te beantwoorden of verweerder op goede gronden de subsidie op grond van het BSE en de Uitvoeringsregeling BSE-2005 voor het project op € 0,- heeft vastgesteld. Daartoe overweegt het College als volgt.

5.2 Voldoende aannemelijk is geworden dat appellante ten tijde van het project reeds een keuze had gemaakt voor het bouwen van een biogasinstallatie. Daartoe verwijst het College onder meer naar het bevindingenverslag van het controlebezoek aan appellante, waarvan de inhoud door appellante niet is betwist. Daaruit blijkt dat G, directeur van appellante, heeft verklaard dat wat in het rapport van D wordt beschreven over vergisting wordt beschouwd als een toetsing van de eigen inzichten en kennis op het gebied van het vergisten. Doel van de DE-scan was om na te gaan in hoeverre de bij het vergistingsproces in een biogasinstallatie vrijkomende restwarmte benut kan worden voor houtdroging. Volgens G stond voorafgaand aan het uitbrengen van het rapport vast dat appellante (samen met twee buurbedrijven in F B.V.) het project zou uitvoeren. Appellante levert te vergisten producten aan F B.V. Gelet hierop heeft verweerder naar het oordeel van het College met juistheid overwogen dat in het rapport van D geen sprake is van een evenwichtige vergelijking en beoordeling van verschillende duurzame energieopties en de focus nagenoeg geheel is gericht op één reële duurzame energieoptie.

Voorts stelt het College vast dat gedurende de looptijd van het project (1 oktober 2005 tot en met 31 december 2006) daadwerkelijk met de implementatie van de biogasinstallatie als duurzame energieoptie is aangevangen. Op 21 maart 2006 is een aanvraag bouwvergunning 1e fase tot het oprichten van een biogasinstallatie ingediend. Op 13 juni 2006 is een ontwerpbesluit voor een vergunning ingevolge de Wet Milieubeheer voor het oprichten en inwerking hebben van een biogasinstallatie op aanvraag van H B.V. i.o. afgegeven. De bouwvergunning 2e fase voor de biogasinstallatie is op 15 november 2006 verleend. De in het subsidievaststellingsverzoek genoemde projectkosten hebben vrijwel geheel betrekking op (het adviseren bij) de oprichting van de biogasinstallatie door F B.V.

Het vorenstaande in aanmerking nemende is het College van oordeel dat verweerder terecht heeft overwogen dat de keuze voor een specifieke duurzame energieoptie feitelijk al gemaakt was voordat het project was afgelopen, zodat de uitgevoerde DE-scan niet kan worden aangemerkt als een haalbaarheidsproject in de zin van het BSE en de Uitvoeringsregeling BSE-2005.

Nu vaststaat dat de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet hebben plaatsgevonden, komt verweerder op grond van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht om die reden de bevoegdheid toe de subsidie lager vast te stellen dan is verleend.

5.3 Het College is van oordeel dat verweerder in dit geval in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt door de subsidie vast te stellen op € 0,-. Van voor subsidie in aanmerking komende activiteiten en daaruit voortvloeiende kosten is immers geen sprake. Het enkele feit dat een biogasinstallatie een bijdrage levert aan de doelstelling van het beleid inzake duurzame energie en van betekenis is voor de Nederlandse energievoorziening, betekent niet, zoals door appellante is betoogd, dat het project dat daarop betrekking heeft om die reden alsnog voor subsidie op grond van het BSE en de Uitvoeringsregeling BSE-2005 in aanmerking dient te komen. Daarvoor moet immers worden voldaan aan de in die regeling opgenomen voorwaarden en daarvan is in dit geval geen sprake.

5.4 Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, komt het College tot de slotsom dat het beroep van appellante niet slaagt en derhalve ongegrond moet worden verklaard.

5.5 Voor een veroordeling in de proceskosten of een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mrs. H.A.B. van Dorst-Tatomir, G.P. Kleijn en J.A.M. van den Berk, in tegenwoordigheid van mr. P.H. Broier als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 april 2012.

w.g. H.A.B. van Dorst-Tatomir w.g. P.H. Broier