Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2012:BW2285

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
05-04-2012
Datum publicatie
13-04-2012
Zaaknummer
AWB 09/119
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Verordening PT vakheffing bloembollen leverbaar oogstjaar 2005.

Einduitspraak na bestuurlijke lus. Nadere motivering houdt stand.

Heffingsplicht buitenlandse koper indien transactie plaatsvindt in Nederland.

Grondslag heffing is omzet minus behandelingskosten. Hogere aftrek behandelingskosten in verband met specifieke behandelingsmethode door appellante onvoldoende onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 09/119 5 april 2012

4242 Heffing

Vakheffing bloembollen

Uitspraak in de zaak van:

A B.V., te B, appellante,

gemachtigde: C, werkzaam bij appellante,

tegen

het Productschap Tuinbouw, verweerder,

gemachtigde: mr. C.J.A. Groenewoud, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Voor een beschrijving van het verloop van de procedure tot en met 26 augustus 2011 verwijst het College naar rubriek 1 van zijn tussenuitspraak van die datum (LJN: BR6586).

Bij brief van 6 oktober 2011 heeft verweerder mededeling gedaan van het herstel van het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek door toezending van de nadere motivering van het besluit van 18 december 2008, zoals gewijzigd bij besluit van 20 januari 2011. Het besluit van 18 december 2008 en de wijziging van 20 januari 2011 worden hierna gezamenlijk aangehaald als: het bestreden besluit.

Bij brieven van 14, 15 oktober en 8 november 2011 heeft appellante haar zienswijze over de nadere motivering aan het College kenbaar gemaakt en stukken overgelegd.

Verweerder heeft een stuk overgelegd en bij brief van 22 december 2011 zijn reactie op de zienswijze van appellante gegeven.

Op 12 januari 2012 is de zaak opnieuw ter zitting behandeld, waarbij gemachtigden van partijen hun standpunten hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Wet op de bedrijfsorganisatie (hierna: Wbo) is onder meer het volgende bepaald:

?Artikel 126

1. Bedrijfslichamen kunnen bij verordening aan degenen, die de ondernemingen, waarvoor zij zijn ingesteld, drijven, heffingen opleggen. (…).?

In het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw (Stb. 2003, 567, hierna: Instellingsbesluit) is onder meer het volgende bepaald:

? Artikel 3

1. Er is een Productschap Tuinbouw.

2. Het productschap is ingesteld voor de ondernemingen waarin:

(…)

c. de handel wordt uitgeoefend in:

(…)

3º. siergewassen of delen daarvan, met uitzondering van voortkwekingsmateriaal van bloemgewassen en van zaden van bloemgewassen, bloemkwekerijproducten en boomkwekerijproducten;

(…)?

De Verordening PT vakheffing bloembollen leverbaar oogstjaar 2005 (hierna: Verordening) bepaalt onder meer het volgende:

?Artikel 1

(…)

c. factuurbedrag: het bedrag van de factuur, exclusief behandelingskosten en

exclusief kosten kleinverpakkingsmateriaal;

(…)

Artikel 2

1. De koper en verkoper van bloembollen leverbaar (…) zijn aan het productschap een heffing verschuldigd, (…).

(…)

Artikel 4

1. De heffing die de koper en verkoper van bloembollen leverbaar zijn verschuldigd, wordt over iedere transactie opgelegd.

(…)

Artikel 7

Degene die zonder tussenkomst van een veiling door hem geteelde bloembollen-leverbaar verkoopt is verplicht: 2.1% van het factuurbedrag van de door hem aldus verkochte bollen aan de desbetreffende kopers door te berekenen.

Artikel 8

1. Degene die zonder tussenkomst van een veiling bloembollen-leverbaar koopt van een teler is aan het productschap een heffing verschuldigd over iedere transactie.

2. De heffing als bedoeld in het eerste lid, bedraagt: 2,1% van het factuurbedrag.

3. De in het eerste lid bedoelde heffing dient door de koper te worden betaald aan de desbetreffende teler, die daartoe namens het productschap het betrokken heffingsbedrag in rekening brengt bij de koper en de aldus geïncasseerde heffing, aan het productschap afdraagt.

4. Door deze betaling voldoet de koper aan de heffingsplicht als bedoeld in het eerste [lid]. Het derde lid laat onverlet de bevoegdheid van het productschap om in voorkomende gevallen zelf tot oplegging en invordering van (…) ingevolge het eerste lid verschuldigde heffing over te gaan.

(…).?

Het Besluit 2005/1 PT vakheffing bloembollen leverbaar oogstjaar 2005 (hierna: Besluit 2005) bepaalt onder meer het volgende:

? Artikel 4

Indien op de factuur de behandelingskosten niet apart zijn vermeld, worden de volgende bedragen als zijnde behandelingskosten aangemerkt:

Soort Periode waarin behandelkosten worden berekend Prijs in €

Tulpen Vanaf december 0.48/100 stuks

(…)

(…)?

2.2 In het bestreden besluit heeft verweerder (voor zover van belang voor deze uitspraak) bezwaren van appellante tegen heffingen die aan haar zijn opgelegd als teler/verkoper over 2005 ongegrond verklaard. In de tussenuitspraak van 26 augustus 2011 (LJN: BR6586) heeft het College geoordeeld dat het bestreden besluit niet voldoet aan de vereisten van artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Daartoe heeft het College overwogen dat verweerder zich niet zonder nader onderzoek op het standpunt mocht stellen dat de buitenlandse koper (een Canadese afnemer) heffingsplichtig is. Tevens heeft verweerder volgens het College de aftrek van 12% van de omzet in verband met behandelingskosten, bedoeld in artikel 1, onder c, van de Verordening, niet afdoende gemotiveerd. Het College heeft verweerder opgedragen deze gebreken te herstellen door het bestreden besluit van een deugdelijke motivering te voorzien dan wel een ander besluit te nemen.

3. Het standpunt van verweerder

Ter uitvoering van deze tussenuitspraak heeft verweerder bij brief van 6 oktober 2011 een nadere motivering van het bestreden besluit gegeven. Deze motivering luidt, samengevat weergegeven, en nader toegelicht in verweerders brief van 22 december 2011 en ter zitting, als volgt.

Ten aanzien van de heffingsplicht van de buitenlandse koper heeft verweerder gesteld dat er geen onderscheid wordt gemaakt naar de vestigingsplaats van de onderneming. Een onderneming is de heffing verschuldigd voor zover zij actief is in een sector waarvoor het productschap is ingesteld. Blijkens artikel 3 van het Instellingsbesluit is het productschap (onder meer) ingesteld voor ondernemingen waarin de teelt of de handel wordt uitgeoefend in siergewassen. Ook het Instellingsbesluit maakt geen onderscheid naar plaats van vestiging. Dit betekent dat een buitenlandse onderneming heffingsplichtig kan zijn, mits het heffingsplichtige feit in Nederland plaats vindt. Het heffingsplichtige feit is de transactie tussen koper en verkoper. Nu appellante, ondanks het verzoek van verweerder, geen informatie heeft aangereikt waaruit de plaats van de transactie kan blijken, heeft verweerder gekeken naar de in het Nederlandse recht gebruikelijke beginselen om de plaats van de transactie vast te kunnen stellen. Verweerder acht daarbij het volgende van belang. Een transactie is het nauwst verbonden met het land waar de partij die de kenmerkende prestatie moet verrichten haar vestiging heeft. In het geval van een verkoop is de kenmerkende prestatie de levering van het goed. De levering is verricht door appellante, gevestigd in Nederland, zodat vaststaat dat het heffingsplichtige feit in Nederland heeft plaatsgevonden en de Canadese afnemer als koper heffingsplichtig is. Een andere uitleg zou afbreuk doen aan het nuttig effect van de heffingsverordeningen en eenvoudig aanleiding kunnen geven tot ontduiking van de heffingsplicht.

De plicht van de verkoper om de heffing (inclusief het door hem geïncasseerde kopersdeel) af te dragen aan het productschap staat voorop. Op grond van artikel 8 van de Verordening kan het productschap de heffing eigenstandig opleggen aan de koper, indien doorberekening door de verkoper niet mogelijk is. Van een dergelijke onmogelijkheid is verweerder niet gebleken. De bestreden heffingen zijn derhalve terecht opgelegd. Verweerder merkt ook op dat het de sector zelf is die voor de heffingssystematiek heeft gekozen.

Ten aanzien van de aftrek van 12% van de omzet als behandelingskosten heeft verweerder het volgende betoogd. Indien behandelingskosten niet zichtbaar op de factuur zijn vermeld, wordt op grond van artikel 4 van het Besluit 2005 een forfaitaire aftrek gehanteerd, van 0,48 (euro)cent per bol. Appellante heeft de behandelingskosten niet op de factuur vermeld, maar wil een hogere aftrek dan het forfait, te weten 5 cent per bol, vanwege een innovatieve vroegbloeibehandeling. Een exacte kostenonderbouwing geeft zij echter niet. Appellante volstaat met een opsomming van kostenonderdelen, waarvan een aantal onderdelen onvoldoende samenhangt met de behandelingskosten om voor aftrek in aanmerking te komen. Het gaat daarbij om kosten als loonkosten, goodwill, reiskosten en administratiekosten. Andere kosten, zoals het verpakken van bollen onder plastic, worden – bij gebreke van nadere informatie - aangemerkt als teeltkosten.

Verweerder is nagegaan of de hoogte van de behandelingskosten die wel in aanmerking komen nog steeds reëel zijn. Daarvoor heeft zij overleg gepleegd met Praktijkonderzoek Plant en Omgeving (PPO) en de Koninklijke Algemene Vereniging voor Bloembollencultuur (KAVB). Uit dit onderzoek is gebleken dat de forfaitaire bedragen nog steeds een reële waarde vertegenwoordigen. Naar aanleiding van dit onderzoek is een kostenberekening gemaakt en zijn de behandelingskosten vastgesteld op 12% per bol. Dat resulteert dan in een bedrag van 1,32 cent per bol. Het is verweerder niet duidelijk geworden welke meerkosten de innovatieve vroegbloeibehandeling met zich meebrengt. Appellante heeft dit niet concreet onderbouwd.

4. Het standpunt van appellante

Appellante stelt zich op het standpunt dat zij het kopersdeel van de heffing over de verkoop van bloembollen aan een Canadese koper niet aan verweerder verschuldigd is. Zij hoefde het kopersdeel niet door te berekenen aan deze koper, nu sprake is van een buitenlandse koper. Ten eerste zou de redenering van verweerder dat geen onderscheid wordt gemaakt naar de plaats van vestiging ertoe moeten leiden dat elke buitenlandse agrariër een debiteurennummer van PT heeft. Daarnaast legt verweerder appellante een bankfunctie op door appellante het geld te laten innen. Appellante is echter niet in het bezit van een bankvergunning en verweerder heeft niet nagedacht over de risico’s die een eventueel faillissement van appellante met zich mee zou brengen.

Ten derde vindt appellante dat zij de klant niet iets in rekening kan brengen waar die klant niet om heeft gevraagd, omdat dit leidt tot het weglopen van klanten.

Het PT heeft bovendien, op grond van artikel 8, vierde lid, van de Verordening, zelf de mogelijkheid om het geld bij de Canadese koper te innen.

Tenslotte hoeft een Nederlandse kweker die bollen teelt in het buitenland en deze bollen exporteert geen heffing te betalen. Verweerder meet dus met twee maten.

Appellante betoogt daarnaast dat de behandelingskosten zoals die door verweerder worden gehanteerd onjuist zijn. De door appellante opgegeven kosten behoren wel tot de behandelingskosten: zij worden namelijk gemaakt om de temperatuurbehandelingen van tulpenbollen geteeld onder plastic uit te voeren. De bij PPO ingewonnen informatie betreft niet de onder plastic geteelde bollen, waardoor deze informatie niet van toepassing is op appellante. Daarnaast bezitten PPO en de KAVB geen kennis over onder plastic geteelde bloembollen, waardoor zij niet kunnen oordelen over de kosten. Dat blijkt ook uit het feit dat kosten worden meegenomen voor koeling, terwijl dat soort koeling niet wordt toegepast door appellante.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College stelt voorop dat het beroep van appellante, gezien het in de tussenuitspraak gegeven oordeel dat het bestreden besluit niet voldoet aan de vereisten van artikel 7:12, eerste lid, Awb, gegrond is en dat het bestreden besluit om die reden zal worden vernietigd. Ter beoordeling staat thans of de door verweerder ingediende nadere motivering stand kan houden en aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten.

5.2 De systematiek van de Verordening gaat er van uit dat zowel de koper als de teler die verkoopt een heffing verschuldigd is en dat bij verkoop buiten de veiling om de door de koper verschuldigde heffing in beginsel door de verkopende teler wordt geïnd en afgedragen aan verweerder. Dat innen gebeurt via de doorberekening van een bepaald percentage van het transactiebedrag door de verkopende teler aan de koper. Dit uiteindelijk door de koper aan de verkoper betaalde percentage draagt de verkopende teler vervolgens af aan verweerder nadat verweerder de verkopende teler een heffing – het deel dat de verkoper zelf verschuldigd is alsmede het deel dat door de verkoper in rekening moet zijn gebracht bij de koper – heeft opgelegd. In het onderhavige geval heeft appellante geweigerd dit percentage door te berekenen aan haar Canadese afnemer, maar heeft zij dit deel wel opgelegd gekregen als onderdeel van de door haar te betalen heffing.

De doorberekening kan naar het oordeel van het College - zoals neergelegd in de tussenuitspraak - enkel aan de orde zijn indien de koper - ook de buitenlandse koper - heffingsplichtig is. De vraag rijst of de Canadese koper aan wie appellante bloembollen verkoopt, heffingsplichtig is.

5.3 Het College is van oordeel dat de Wbo en het Instellingsbesluit onvoldoende aanknopingspunten bieden voor het standpunt van appellante dat een buitenlandse koper niet onder de werkingssfeer van het Productschap kan vallen vanwege het enkele feit dat zij is gevestigd in het buitenland. Een heffing kan ook aan een buitenlandse ondernemer worden opgelegd mits er sprake is van een heffingsplichtig feit.

Op grond van artikel 4 van de Verordening is de transactie als het heffingsplichtige feit aan te merken. Naar het oordeel van het College mag verweerder er, zoals hij in de nadere motivering heeft uiteengezet, in beginsel van uitgaan dat bij verkoop door een Nederlandse teler de transactie met de koper – ook als dat een buitenlandse koper betreft - plaatsvindt in Nederland. Het ligt dan ook op de weg van appellante om aannemelijk te maken dat de transactie niet in Nederland, maar in het buitenland heeft plaatsvonden. Appellante heeft die gelegenheid gekregen, maar ondanks verzoek daartoe, geen nadere informatie verstrekt. Onder die omstandigheden mocht verweerder ervan uitgaan dat de transactie met de Canadese koper plaats heeft gehad in Nederland en dat er sprake is van een heffingsplichtige koper.

Het betoog van appellante dat verweerder op grond van artikel 8 zelf moet overgaan tot het innen van de heffing bij de buitenlandse koper kan niet slagen. Weliswaar heeft verweerder op grond van dit artikel de mogelijkheid om de heffing zelf bij de koper te innen, maar zoals verweerder heeft gesteld - en niet valt in te zien dat sprake is van een onjuiste of onredelijke uitleg van de Verordening - is deze bevoegdheid in het leven geroepen voor situaties waarin de verkoper het percentage wel doorberekent, maar de koper weigert het percentage te betalen. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat hier sprake is van een dergelijke situatie.

De grief die ziet op een opgedrongen bankfunctie kan ook niet slagen. De door appellante weergegeven praktijk is inherent aan het gekozen systeem. Daarbij is geen onderscheid te maken tussen een Nederlandse en een buitenlandse koper, zodat deze grief niet specifiek is voor de oplegging van de heffing aan een buitenlandse koper.

Met de grief dat een Nederlandse kweker die bollen teelt in het buitenland geen heffing is verschuldigd en dat verweerder met twee maten meet, betoogt appellante – zo begrijpt het College – dat verweerder de teler in die situatie gunstiger behandelt dan appellante. Naar het oordeel van het College ziet appellante hiermee voorbij aan de omstandigheid dat dit betoog de omvang van het geding zoals dat na de tussenuitspraak van 26 augustus 2011 is ontstaan, te buiten gaat.

Gelet op vorenoverwogene, is het College van oordeel dat de nadere motivering van verweerder inzake de heffingsplicht van de buitenlandse koper van appellante stand kan houden.

5.4 Ook de nadere motivering met betrekking tot de aftrek van de behandelingskosten kan naar het oordeel van het College stand houden. Daartoe is van belang dat op grond van het Besluit 2005 een forfaitaire aftrek (van 0,48 cent per bol) wordt toegepast indien de behandelingskosten niet zijn vermeld op de factuur. Appellante heeft verweerder verzocht om een hogere aftrek voor behandelingskosten toe te passen dan de forfaitaire aftrek. Verweerder is – ondanks dat appellante de behandelingskosten niet heeft vermeld op de factuur - appellante gedeeltelijk tegemoet gekomen met een aftrek (van 1,32 cent per bol) die neerkomt op 12% van de omzet. In de brieven van 6 oktober en 22 december 2011 heeft verweerder uiteengezet dat hij tot deze aftrek is gekomen door een algemeen onderzoek te doen naar de omstandigheden op de markt. Naar aanleiding daarvan heeft hij een opstelling gemaakt waarin de kostencomponenten van appellante worden weergegeven.

Dat de hoogte waartoe verweerder is gekomen representatief is voor de gemiddelde marktdeelnemer is door appellante niet bestreden. Appellante is echter van mening dat zij hogere kosten mag aftrekken. In die omstandigheden is het aan appellante om met een nadere specificatie te komen. De informatie die appellante heeft overgelegd over de kosten van haar specifieke vroegbloeibehandelingsmethode is naar het oordeel van het College te algemeen. Voorts heeft verweerder terecht gesteld dat sommige kostencomponenten onvoldoende samenhangen met de behandelingskosten om voor aftrek in aanmerking te komen. Ook heeft verweerder zich redelijkerwijs op het standpunt mogen stellen dat - bij gebreke van nadere informatie - kosten die betrekking hebben op de fase waarin de bollen in de grond zitten, zijn aan te merken als teeltkosten en niet als behandelingskosten.

5.5 Vanwege het hiervoor overwogene ziet het College aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand te laten.

5.6 Het College zal het beroep van appellante gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en met toepassing van artikel 8:72, derde lid, Awb bepalen dat de rechtsgevolgen in stand blijven. Het College zal tevens bepalen dat verweerder het door appellante betaalde griffierecht vergoedt.

Voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 Awb zijn geen termen aanwezig.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;

- bepaalt dat verweerder het door appellante voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ad € 288,-- (zegge:

tweehonderdachtentachtig euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. M.M. Smorenburg, mr. R.F.B. van Zutphen en mr. M. Munsterman, in tegenwoordigheid van mr. J.A. de Koning als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 april 2012.

w.g. M.M. Smorenburg w.g. J.A. de Koning