Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2012:BW0823

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
27-03-2012
Datum publicatie
04-04-2012
Zaaknummer
AWB 10/568
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

accountantstucht, (on)partijdigheid, niet meewerken aan toetsing, strafmaat, beroepsverbod?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 10/568 27 maart 2012

20150 Wet tuchtrechtspraak accountants

Uitspraak op het hoger beroep van:

A AA, te B, appellant van een uitspraak van de accountantskamer van 21 mei 2010, met nummer 09/2129 WTRA AK.

1. Het procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft bij brief van 9 juni 2010, ingekomen bij het College op 10 juni 2010, hoger beroep ingesteld tegen bovenvermelde uitspraak van de accountantskamer, gegeven op een klacht, op 4 december 2009 door het Bestuur van de Nederlandse Orde van Accountants-Administratieconsulenten (hierna: klager) ingediend tegen appellant.

De accountantskamer heeft bij brief van 29 juni 2010 de stukken doen toekomen aan de griffier van het College.

Bij brief van 7 juli 2010 heeft appellant de gronden van het beroep ingediend.

Bij brief van 9 augustus 2010 heeft klager een reactie op het beroepschrift ingediend.

Bij brieven van 24 oktober 2010 en 26 oktober 2010 heeft appellant nadere stukken ingediend.

Bij brief van 22 november 2010 heeft klager hierop gereageerd.

Bij brief van 7 december 2010 heeft appellant een reactie ingediend.

Bij brief van 24 december 2010 heeft klager hierop gereageerd.

Bij brief van 17 februari 2011 heeft appellant nogmaals een reactie ingediend.

Op 12 mei 2011 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Appellant is niet verschenen. Namens klager is verschenen mr. L. Batting, advocaat te Den Haag, bijgestaan door H. Geerlofs AA.

2. De uitspraak van de accountantskamer

Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klacht gegrond verklaard en appellant de maatregel opgelegd van doorhaling van de inschrijving in het register bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten (hierna: Wet AA). Daarbij heeft de accountantskamer bepaald dat appellant niet binnen een termijn van vijf jaar opnieuw in het register kan worden ingeschreven.

Ter zake van de formulering van de klacht door de accountantskamer, de beoordeling van deze klacht en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer (www.tuchtrecht.nl, LJN: YH0066), die als hier ingelast wordt beschouwd.

3. De beoordeling van het hoger beroep

3.1 De klacht is door de accountantskamer aldus omschreven dat appellant in strijd met de Verordening op de Periodieke Preventieve Toetsing en de Verordening op de Raad van Toezicht Beroepsuitoefening AA’s zijn medewerking aan de hertoetsing ter plekke van zijn accountantspraktijk heeft onthouden, ondanks dat hij daartoe ruimschoots en herhaaldelijk in de gelegenheid is gesteld, en dat hij daarmee heeft gehandeld in strijd met artikel 24, derde lid, van de Wet AA.

3.2 In de Wet tuchtrechtspraak accountants (hierna: Wtra) is onder meer het volgende bepaald.

“Artikel 16

1. De voorzitter, de leden en de secretaris zijn geen lid van het bestuur van of werknemer bij de Autoriteit Financiële Markten, een klachtencommissie belast met het behandelen van klachten inzake externe accountants, Accountants-Administratieconsulenten of registeraccountants, de NOvAA of het NIVRA. Onze Minister kan regels stellen ten aanzien van functies of betrekkingen die zich niet verhouden tot het lidmaatschap van de accountantskamer.

(…)

Artikel 34

Op verzoek van betrokkene of de klager, kan de voorzitter of elk van de leden die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de onpartijdigheid van de accountantskamer schade zou kunnen lijden. De artikelen 513 tot en met 515 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.”

In artikel 24, derde lid, van de Wet AA is bepaald dat voor zover in de Wet AA niet anders is bepaald, de verordeningen van de Nederlandse Orde voor Accountants-Administratieconsulenten (hierna: NOvAA) verbindend zijn voor haar leden en organen.

In de Verordening op de Periodieke Preventieve Toetsing is onder meer het volgende bepaald.

“Artikel 2

Een accountantspraktijk wordt, om de kwaliteit van de beroepsuitoefening van een accountant te kunnen beoordelen, in beginsel eenmaal in de zes jaar aan toetsing onderworpen.

Artikel 3

(…)

2. De accountant verleent medewerking aan de toetsing van het stelsel van kwaliteitsbeheersing van de accountantspraktijk waarin hij optreedt.

3. Het bestuur legt, indien hij van oordeel is dat uit het handelen of nalaten van de accountant kan worden afgeleid dat deze niet aan zijn in het tweede lid vermelde verplichting voldoet, dit handelen of nalaten voor aan de accountantskamer te Zwolle.”

In de Verordening op de Raad van Toezicht Beroepsuitoefening AA’s (hierna: Verordening op de Raad van Toezicht) is onder meer het volgende bepaald.

“Artikel 2

1. Er is een Raad van Toezicht Beroepsuitoefening AA’s.

2. De Raad heeft tot taak het bij wege van mandaat of uit hoofde van volmacht namens het bestuur van de NOvAA houden van toezicht op de beroepsuitoefening door Accountants-Adminstratieconsulenten.

(…)

Artikel 7

(…)

2. De Raad voert de in de Verordening op de Periodieke Preventieve Toetsing bedoelde toetsing uit.

(…)

Artikel 8

1. De accountant dient op eerste aanvraag van de Raad alle gevraagde inlichtingen te verstrekken, inzage in zijn dossiers te geven en toe te staan dat afschriften worden gemaakt.

2. De accountant spant zich ervoor in dat de accountantspraktijk waarin hij optreedt, op dezelfde wijze aan een toetsing of onderzoek zijn medewerking verleent als waartoe hijzelf is gehouden.”

3.3 Appellant voert met zijn eerste grief aan dat C AA (hierna: C), één van de leden van de accountantskamer die de bestreden uitspraak heeft gedaan, in de periode van 2007 tot 2009 voorzitter is geweest van de NOvAA en in belangrijke mate uitvoering heeft gegeven aan het beleid van de NOvAA, in het bijzonder met betrekking tot de toetsingen.

Appellant stelt dat dit lid van de accountantskamer hierdoor in deze in feite partij is en niet onafhankelijk kon zijn en zich had moeten terugtrekken. Volgens appellant heeft dit lid in ieder geval de schijn van niet-onafhankelijke rechtspraak opgewekt.

In de brief van 24 oktober 2010 heeft appellant aangevoerd dat C als lid van het college dat de uitspraak heeft gedaan, nog niet lang geleden als lid van het bestuur van de NOvAA betrokken is geweest bij de discussie over onder andere de zwaarte van de toetsing, en daarin dus partij is geweest.

Het College begrijpt deze grief aldus dat appellant stelt dat C niet onpartijdig is geweest. Het College overweegt hieromtrent als volgt.

3.3.1 Blijkens de informatie van klager, die door appellant niet is bestreden, was C in de periode 2004-2008 bestuurslid van de NOvAA, en vervulde hij in 2008 binnen het bestuur van de NOvAA de functie van voorzitter. C maakte derhalve ten tijde van het indienen van de klacht noch ten tijde van de behandeling van deze klacht door de accountantskamer deel uit van het bestuur van de NOvAA. Van een onverenigbaarheid van functies, bedoeld in artikel 16, eerste lid, Wtra, is dan ook geen sprake.

3.3.2 Appellant was - zo kan worden afgeleid uit het proces-verbaal van de zitting van de accountantskamer - in ieder geval op de zitting van de accountantskamer op de hoogte van de achtergrond van C. Hij heeft hierin echter geen aanleiding gezien een verzoek tot wraking als bedoeld in artikel 34 Wtra van C in te dienen. Op grond van de in deze bepaling van overeenkomstige toepassing verklaarde artikelen van het Wetboek van Strafvordering dient een wrakingsverzoek te worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.

Het instellen van hoger beroep bij het College tegen een uitspraak van de accountantskamer kan er onder deze omstandigheden niet toe leiden dat in deze procedure onderzoek wordt gedaan naar de gegrondheid van de grief inzake de niet onpartijdigheid van een lid van de accountantskamer. Voor dit laatste is te minder reden nu door het instellen van hoger beroep de onderhavige uitspraak van de accountantskamer in volle omvang ter toetsing voorligt. Het College verwijst in dit verband naar hetgeen is overwogen in zijn uitspraak van 15 juni 2004 (AWB 03/747, <www.tuchtrecht.nl>

LJN: AQ5382).

Deze grief slaagt niet.

3.4 Met zijn tweede grief betoogt appellant dat “bij de weging van de factoren” onvoldoende naar voren is gekomen dat er grote oppositie bestaat tegen de regelgeving van de NOvAA. Hij stelt dat het feit dat hij uit principe niet meewerkt aan een hertoetsing nog niet wil zeggen dat door hem geen enkel inzicht noch enige sensitiviteit wordt getoond, zoals door de accountantskamer is geoordeeld in overweging 4.10 van de bestreden uitspraak.

3.4.1 Het College overweegt dat appellant als lid van de NOvAA, ingevolge artikel 24, derde lid, van de Wet AA gebonden is aan de verordeningen die door de ledenraad van de NOvAA worden vastgesteld. Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Verordening op de Periodieke Preventieve Toetsing is appellant derhalve gehouden medewerking te verlenen aan de toetsing - dan wel de hertoetsing - van het stelsel van kwaliteitsbeheersing van de accountantspraktijk waarin hij optreedt. Dat er volgens appellant grote oppositie bestaat tegen de regelgeving van NOvAA doet niet af aan deze gehoudenheid.

3.5 Met zijn derde grief voert appellant aan dat - zoals de accountantskamer in de bestreden uitspraak ook heeft overwogen - hij te kennen heeft gegeven binnen afzienbare tijd zijn accountantswerkzaamheden geheel te zullen staken. Hij stelt dat in de toetsingsregels is aangegeven dat een accountant die zijn praktijk staakt niet getoetst behoeft te worden en dat duidelijk is dat een voorgenomen staking van de praktijk een reden is om niet meer te toetsen.

3.5.1 Het College stelt vast dat appellant bij brief van 3 november 2009, nadat klager kenbaar had gemaakt dat bij het uitblijven van medewerking aan de hertoetsing een klacht zou worden ingediend, aan klager heeft medegedeeld dat het zijn bedoeling was op 62-jarige leeftijd “te stoppen” - op of na 19 juli 2011 - en dat dit nu ruim een jaar eerder zal worden. Uit deze mededeling kan naar het oordeel van het College niet worden afgeleid met ingang van welke datum wanneer appellant zijn praktijk daadwerkelijk zou staken. Het College ziet reeds hierom geen grond voor het oordeel dat toetsing van de accountantspraktijk van appellant achterwege had moeten blijven, daargelaten of de stelling van appellant omtrent het volgens “de toetsingsregels” afzien van de toetsing bij een (voorgenomen) staking van de accountantspraktijk, juist is.

Deze grief slaagt niet.

3.6 In zijn vierde grief stelt appellant dat het onmogelijk maken van de uitoefening van een beroep anders dan doordat iemand herhaaldelijk misslagen maakt in de uitoefening van dat beroep, neerkomt op een beroepsverbod en zeer waarschijnlijk in strijd is met het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM). De uitspraak heeft volgens appellant het karakter van een afrekening.

3.6.1 Het College stelt met betrekking tot deze grief voorop dat appellant daarin niet heeft onderbouwd waarom hij meent dat de hem opgelegde maatregel van doorhaling neerkomt op een beroepsverbod en strijdig is met enig in het EVRM gewaarborgd recht. Voor zover appellant heeft bedoeld te betogen dat het opleggen van de maatregel van doorhaling in zijn geval een ongeoorloofde inmenging zou vormen in het in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM gewaarborgde recht op het ongestoord genot van eigendom overweegt het College het volgende.

Indien ervan wordt uitgegaan dat het hier gaat om een inmenging in het eigendomsrecht van appellant, is deze naar het oordeel van het College gerechtvaardigd, omdat zij een gerechtvaardigd algemeen belang - te weten het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep - dient en tot stand is gekomen met inachtneming van voorwaarden welke voldoende toegankelijk en duidelijk zijn neergelegd in de wet en waarvan de toepassing voldoende voorzienbaar is. Met betrekking tot de proportionaliteit tussen de maatregel en het hiermee beoogde doel verwijst het College naar hetgeen hieronder is overwogen met betrekking tot de zwaarte van de op te leggen maatregel en overweegt dat met het opleggen van de in dit geval passend en geboden geachte maatregel is voldaan aan de proportionaliteitseis.

Gelet op het vorenstaande en in aanmerking genomen dat het College ook overigens geen aanknopingspunt heeft gevonden voor de juistheid van het standpunt van appellant dat het opleggen van de maatregel van doorhaling in strijd zou komen met het EVRM, faalt ook deze grief van appellant.

3.7 Ten aanzien van de zwaarte van de op te leggen maatregel overweegt het College als volgt.

3.7.1 Aangezien toetsing van de accountantspraktijk de grondslag vormt voor het beoordelen en daarmee het bewaken van de kwaliteit van de beroepsuitoefening van de Accountant-Administratieconsulent, is deze toetsing van groot maatschappelijk belang. Het door appellant niet tijdig verlenen van medewerking aan de (her)toetsing dient dan ook als een zeer ernstige overtreding van de Verordening op de Periodieke Preventieve Toetsing te worden aangemerkt. Naar het oordeel van het College heeft appellant hierdoor tevens gehandeld in strijd met het in artikel A-150.1 van de Verordening gedragscode (hierna: VGC) neergelegde fundamentele beginsel van professioneel gedrag.

3.7.2 Zoals het College heeft overwogen in de uitspraak van heden in de zaak AWB 10/46, acht het College in het geval een accountant die staat ingeschreven in het register bedoeld in artikel 36 van de Wet AA, weigert medewerking te verlenen aan de toetsing van de accountantspraktijk waarin hij optreedt, in beginsel het opleggen van de maatregel van doorhaling van de inschrijving in het register aangewezen.

Evenals de accountantskamer acht het College in het onderhavige geval dan ook het opleggen van de maatregel van doorhaling van de inschrijving in het register passend en geboden.

3.7.3 Het College ziet echter aanleiding om de termijn waarbinnen appellant niet opnieuw in het register kan worden ingeschreven, anders dan de accountantskamer heeft geoordeeld, te bepalen op één jaar. Het College is van oordeel dat hoewel appellant heeft aangegeven uit principe niet mee te willen werken aan de hertoetsing, er geen noodzaak bestaat appellant voor een langere periode dan één jaar de mogelijkheid op hernieuwde inschrijving te ontzeggen. Indien appellant zich na afloop van de ingevolge artikel 8, eerste lid, Wtra aan de doorhaling te verbinden termijn opnieuw zal willen doen inschrijven, zal hij daartoe een aanvraag moeten indienen. Bij de beslissing op die aanvraag zal onder andere aan de orde kunnen komen of er gegronde vrees bestaat dat appellant niet zal meewerken aan de toetsing van zijn praktijk.

3.8 Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat het hoger beroep gegrond is.

3.9 Na te melden beslissing op het hoger beroep berust op artikel 43, eerste lid, Wtra en artikel 40 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004.

4. De beslissing

Het College:

- verklaart het hoger beroep van appellant gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak van de accountantskamer voor zover het de opgelegde maatregel betreft;

- legt appellant de maatregel op van doorhaling van de inschrijving in het register bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de

Wet AA;

- bepaalt de termijn waarbinnen appellant niet opnieuw in het register kan worden ingeschreven op een jaar.

Aldus gewezen door mr. J.L.W. Aerts, mr. M.M. Smorenburg en mr. G.P. Kleijn, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Voskamp, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2012.

w.g. J.L.W. Aerts w.g. M.A. Voskamp