Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2012:BW0618

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
02-04-2012
Datum publicatie
03-04-2012
Zaaknummer
AWB 11/340 A
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Telecommunicatiewet, artikel 8:29, derde lid, Awb

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:29
Algemene wet bestuursrecht 8:31
Algemene wet bestuursrecht 8:42
Algemene wet bestuursrecht 8:62
Algemene wet bestuursrecht 8:78
Algemene wet bestuursrecht 8:88
Wet openbaarheid van bestuur
Wet openbaarheid van bestuur 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2012/133 met annotatie van S.M.C. Nuyten en H.P. Wiersema
NJB 2012/1232
AB 2012/238

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 11/340 2 april 2012

15300 Telecommunicatiewet

Beslissing op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak van:

Koninklijke KPN N.V. en KPN B.V., te Den Haag (hierna: KPN),

gemachtigde: mr. P.V. Eijsvoogel, advocaat te Amsterdam,

tegen

de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit (hierna: OPTA), verweerster,

gemachtigden: mr. G.M. Szakaly en mr. F. de Ruijter, beiden werkzaam bij OPTA.

Aan welk geding tevens als partij deelneemt:

Tele2 Nederland B.V., te Diemen (hierna: Tele2),

gemachtigden: mr. M. Geus en mr. drs. D.P. Kuipers, beiden advocaat te Den Haag.

1. De procedure

Bij besluit van 13 oktober 2010 (kenmerk: OPTA/AM/2010/202963) heeft OPTA het handhavingsverzoek van Tele2 aangaande de beweerdelijke overtreding door KPN van de op grond van het marktanalysebesluit Vaste Telefonie op haar rustende verplichtingen afgewezen.

Op 17 november 2010 heeft KPN tegen dit besluit bezwaar gemaakt en zich voorts tot de voorzieningenrechter van het College gewend met het verzoek om bij wijze van voorlopige voorziening het bestreden besluit te schorsen tot zes weken na de beslissing van OPTA op het bezwaarschrift, althans een dusdanige voorlopige maatregel te treffen dat aan de belangen van KPN wordt tegemoet gekomen.

Bij uitspraak van 20 december 2010 (AWB 10/1256; ‹www.rechtspraak.nl›, LJN: BO7997) heeft de voorzieningenrechter van het College het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Gelet op het bepaalde in artikel 17.1, eerste lid, van de Telecommunicatiewet en in het licht van de uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 december 2010 heeft OPTA het bezwaarschrift van KPN bij brief van 29 april 2011 aan het College doorgezonden teneinde dit als beroepschrift in behandeling te nemen.

KPN heeft de gronden van het beroep aangevuld en OPTA heeft verweer gevoerd.

Bij brief van 31 augustus 2011 heeft OPTA de op de zaak betrekking hebbende stukken toegezonden. Ten aanzien van de vertrouwelijke versies van een aantal van deze gedingstukken heeft OPTA met verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) medegedeeld dat uitsluitend het College kennis zal mogen nemen van deze stukken.

Bij beslissing van 12 oktober 2011 heeft het College beslist dat de beperking van de kennisneming van de op de zaak betrekking hebbende stukken gerechtvaardigd is, met uitzondering van de - voor zover hier van belang - door OPTA als vertrouwelijk aangemerkte persoonsgegevens van KPN-medewerkers. OPTA is verzocht om - met inachtneming van hetgeen in genoemde beslissing is overwogen - nieuwe openbare versies van de betreffende stukken over te leggen.

Bij brief van 21 oktober 2011 heeft OPTA de op de zaak betrekking hebbende stukken waarvan het College in haar beslissing van 12 oktober 2011 tot het oordeel is gekomen dat de beperking van de kennisneming niet gerechtvaardigd is, wederom aan het College toegezonden. In haar brief heeft OPTA opgemerkt dat KPN niet akkoord kan gaan met openbaarmaking van de persoonsgegevens van haar medewerkers. Gelet hierop heeft OPTA - onder verwijzing naar een door haar overgelegde brief van KPN van 21 oktober 2011 - andermaal medegedeeld dat in zoverre uitsluitend het College van de navolgende stukken kennis zal nemen:

- B6 Brief van OPTA aan KPN van 30 september 2010 (A16);

- B7 E-mail van KPN aan OPTA van 1 oktober 2010 (A17);

- B8 E-mail van KPN aan OPTA van 1 oktober 2010 (A18);

- B9 E-mail van KPN aan OPTA en brief van KPN aan OPTA van 4 oktober 2010 (A19);

- B10 Brief van OPTA aan KPN van 6 oktober 2010 (A20);

- B11 Conceptbesluit van 11 oktober 2010;

- B12 Zienswijze van KPN op conceptbesluit van 12 oktober 2010 (A23);

- B14 Besluit van 13 oktober 2010 (A25)

- B17 Sheetpresentatie KPN 'Tariefaanpassing WLR 2010 Q4' van 27 juli 2010 (A26).

2. Overwegingen

2.1 Ter beoordeling staat de vraag of de beperking van de kennisneming van de door OPTA als vertrouwelijk aangemerkte stukken in dit geding gerechtvaardigd is. Het College overweegt daarover het volgende.

2.2 Ingevolge het bepaalde bij artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie juncto artikel 8:29, eerste lid, Awb, voor zover hier van belang, kunnen partijen die verplicht zijn stukken over te leggen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, het College mededelen dat uitsluitend het College van die stukken kennis zal mogen nemen. Uit het derde lid van dit artikel volgt dat het College beslist of de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.

2.3 In de beslissing van 12 oktober 2011 heeft het College het volgende overwogen:

"In de onderhavige bodemprocedure heeft het College OPTA bij brief van 12 september 2011 in de gelegenheid gesteld een nadere toelichting te geven omtrent de vertrouwelijkheid van de op de zaak betrekking hebbende stukken. In haar brief van 30 september 2011 heeft OPTA gepersisteerd bij de vertrouwelijkheid van persoonsgegevens van KPN-medewerkers. Zoals het College reeds eerder heeft beslist met betrekking tot soortgelijke persoonsgegevens als hier aan de orde zijn (zie: beslissing op grond van artikel 8:29, derde lid, Awb van 22 december 2005 in de zaken AWB 05/83, 05/85, 05/86 en 05/88, ‹www.rechtspraak.nl›, LJN: AU8623) acht het College ook in dit geval de door OPTA gevraagde beperking van de kennisneming in beginsel niet gerechtvaardigd wat betreft - onder meer - in brieven of gespreksverslagen genoemde namen. Ingevolge artikel 10, tweede lid, Wob blijft het verstrekken van informatie achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. OPTA heeft niet gemotiveerd waarom in dit geval het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken KPN-medewerkers dient te prevaleren boven het belang van openbaarheid van de op onderhavige juridische procedure betrekking hebbende stukken. Daar komt bij dat de omstandigheid dat OPTA een verzoek om informatie ingevolge artikel 10, tweede lid, Wob zou kunnen afwijzen, niet zonder meer doorslaggevend is om een beroep op geheimhouding gerechtvaardigd te achten. In zodanig geval kan een beroep op artikel 8:29 Awb eerst gerechtvaardigd zijn indien sprake is van gewichtige redenen als bedoeld in die bepaling. Van zodanige gewichtige redenen is het College niet gebleken. Het College acht beperking van de kennisneming van voornoemde stukken dan ook niet gerechtvaardigd."

2.4 Bij haar mededeling ingevolge artikel 8:29, eerste lid, Awb heeft OPTA verwezen naar de brief van KPN aan het College van 21 oktober 2011. In deze brief licht KPN toe waarom naar haar mening de persoonlijke levenssfeer van de betrokken medewerkers in dit geval dient te prevaleren boven het belang van Tele2 om kennis te kunnen nemen van de in de betreffende stukken genoemde namen van de KPN-medewerkers.

KPN voert aan dat OPTA een verzoek om openbaarmaking ingevolge de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) van de betreffende stukken - onder verwijzing naar de uitzonderingsgrond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, Wob - gelet op jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State met betrekking tot die grond zou kunnen afwijzen. KPN meent dat verstrekking van de namen van de werknemers van KPN die betrokken zijn bij het feitencomplex dat onderwerp is van het onderhavige handhavingsonderzoek door OPTA in dit geval achterwege dient te blijven. Het gaat om de identiteit van de werknemers van KPN, zodat de persoonlijke levenssfeer van deze medewerkers in het geding is. Omdat het handhandhavingsonderzoek door OPTA zich niet richt tot de betrokken natuurlijke personen maar tot de onderneming KPN, is kennisname van de namen van de betrokken KPN-medewerkers voor Tele2 niet noodzakelijk om haar belangen naar behoren te kunnen bepleiten, aldus KPN.

2.5 In hetgeen OPTA middels voornoemde brief van KPN ter adstructie van de mededeling ingevolge artikel 8:29, eerste lid, Awb heeft aangevoerd, ziet het College geen aanleiding om zijn eerdere beslissing van 12 oktober 2011 te herzien. Daartoe overweegt het College dat, hoewel OPTA bij brief van 12 september 2011 uitdrukkelijk in de gelegenheid is gesteld een nadere toelichting te geven omtrent het vertrouwelijk karakter van onder meer de persoonsgegevens, zij in haar reactie van 30 september 2011 niet heeft gemotiveerd waarom het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken KPN-medewerkers dient te prevaleren boven het belang van openbaarheid van de betreffende stukken, zoals het College in zijn beslissing van 12 oktober 2011 ook heeft overwogen. Het College ziet geen reden om aan te nemen dat de door OPTA middels voornoemde brief van KPN gegeven motivering van de onderhavige mededeling ingevolge artikel 8:29, eerste lid, Awb door OPTA redelijkerwijs niet had kunnen worden ingebracht voordat het College op 12 oktober 2011 zijn beslissing op grond van artikel 8:29, derde lid, Awb nam. In die brief is sprake van een zuiver juridisch betoog aan de hand van gegevens die reeds bekend waren of bekend hadden kunnen zijn bij OPTA voordat evengenoemde beslissing werd genomen. Naar het oordeel van het College is derhalve geen sprake van bijzondere omstandigheden die nopen tot herziening van de beslissing van 12 oktober 2011. Het College acht beperking van de kennisneming van voornoemde stukken dan ook niet gerechtvaardigd.

3. De beslissing

Het College:

- beslist dat beperking van de kennisneming van stukken B6, B7, B8, B9, B10, B11, B12, B14 en B17 niet gerechtvaardigd

is;

- verzoekt OPTA om - met inachtneming van hetgeen in deze beslissing alsmede in de beslissing van het College van

12 oktober 2011 is overwogen - binnen een week na verzending van deze beslissing nieuwe openbare versies van de

hiervoor vermelde stukken over te leggen, onder gelijktijdige verzending van een afschrift daarvan aan KPN en Tele2.

Aldus gegeven op 2 april 2012 door mr. S.C. Stuldreher, in tegenwoordigheid van mr. G.D. Kleijne als griffier.

w.g. S.C. Stuldreher w.g. G.D. Kleijne