Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2012:BW0403

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
22-03-2012
Datum publicatie
30-03-2012
Zaaknummer
AWB 10/213
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Artikel 7:5 Awb. Hoorzitting in bezwaarfase. Aanwezigheid primair behandelend ambtenaar. Bejegening. Bestreden besluit met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 7:5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2012/154
JOM 2012/671

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(Enkelvoudige kamer)

AWB 10/213 22 maart 2012

11201 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Bestuursdwang

Uitspraak in de zaak van:

A B.V., te B, appellante,

gemachtigde: J.A. Rietveld, werkzaam bij Hans Rietveld Agrarisch Advies B.V.,

tegen

de Staatssecretaris van Economische zaken, Landbouw en Innovatie,

gemachtigde: drs. J.J.M. Schipper, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Bij besluit van 12 oktober 2009 heeft verweerder appellante, wegens overtreding van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: Gwd) en het Varkensbesluit, een last onder dwangsom opgelegd en daarbij gelast voor 7 november 2009 de in het besluit nader omschreven maatregelen te treffen.

Bij besluit van 28 januari 2010 (hierna: bestreden besluit) heeft verweerder het hiertegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 1 maart 2010, ingekomen bij het College op 1 maart 2010, beroep ingesteld. Bij brief van 2 juni 2010 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 11 juni 2010 heeft appellante gereageerd op het verweerschrift.

Bij brief van 6 juli 2010 heeft verweerder gereageerd op de brief van 11 juni 2010.

Bij fax van 3 januari 2011 heeft appellante de gronden van het beroep aangevuld.

Het College heeft de zaak op 15 maart 2012 ter zitting behandeld, alwaar namens appellante zijn verschenen C (hierna: C) en de gemachtigde. Van de zijde van de verweerder is de gemachtigde verschenen.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Op 6 en 7 mei 2009 en 28 en 29 september 2009 hebben ambtenaren van de Algemene Inspectiedienst controles uitgevoerd op verschillende bedrijfslocaties van appellante en geconstateerd dat niet werd voldaan aan verschillende bepalingen in de Gwd en het Varkensbesluit. Bij besluit van 12 oktober 2009 heeft verweerder, omdat appellante niet alle in de vooraankondiging bestuursdwang/last onder dwangsom van 11 augustus 2009 genoemde herstelmaatregelen volledig had uitgevoerd, appellante een last onder dwangsom opgelegd met een termijn tot 7 november 2009 om de overtredingen ongedaan te maken. Bij beslissing van 3 november 2009 is de termijn waarbinnen de herstelmaatregelen moesten worden uitgevoerd verlengd tot 28 november 2009. Tijdens een hercontrole op

10 november 2009 is gebleken dat appellante de herstelmaatregelen heeft uitgevoerd en dat de locaties per die datum voldoen aan de eisen als neergelegd in de Gwd en het Varkensbesluit. Dat appellante binnen de begunstigingstermijn aan de last onder dwangsom heeft voldaan heeft verweerder vermeld in het bestreden besluit.

2.2 Het beroep van appellante richt zich niet tegen de inhoud van het bestreden besluit, maar tegen de wijze waarop dit besluit tot stand is gekomen. Ten eerste betoogt appellante dat mevrouw drs. D (hierna: D), die betrokken was bij het opstellen van het primaire besluit, niet bij de hoorzitting in de bezwaarfase aanwezig behoorde te zijn en dat het horen niet conform het bepaalde in artikel 7:5 Awb heeft plaatsgevonden. Het College volgt appellante hierin niet. Uit het verslag van de hoorzitting blijkt dat het horen is geschied door mr. E, die niet bij de voorbereiding van het primaire besluit betrokken is geweest. Voorts kan uit de stukken en het verhandelde ter zitting niet worden opgemaakt dat de aanwezigheid van D op de hoorzitting was ingegeven door een ander belang dan het geoorloofde belang bestaande uit het geven van een toelichting op het in de primaire fase ingenomen standpunt.

Daarnaast richt het beroep zich tegen de wijze waarop appellante tijdens de hoorzitting door D is bejegend, nu C de opstelling van D als denigrerend heeft ervaren. Gelet op hetgeen hierover door C en de gemachtigde van appellante ter zitting van het College is verklaard, acht het College aannemelijk dat D op de hoorzitting uitlatingen over het bedrijf en de bedrijfsvoering van appellante heeft gedaan die door C, niet ten onrechte, als laatdunkend zijn ervaren. Het College neemt daarbij in aanmerking dat het door C en de gemachtigde van appellante geschetste beeld van de opstelling van D tijdens de hoorzitting door verweerder niet is betwist. Door de gemachtigde van verweerder is in dit verband ter zitting verklaard dat hij zich in dit door appellante geschetste beeld van de opstelling van D – voortkomend uit haar betrokkenheid bij het dierenwelzijn – wel kan herkennen.

2.3 Voorgaande neemt niet weg dat het niet is gebleken dat hierdoor de hoorzitting op zodanige wijze is beïnvloed dat dit gevolgen heeft gehad voor de inhoud van het bestreden besluit. Het College overweegt daartoe dat blijkens het verslag van de hoorzitting, dat zich beperkt tot een zakelijke weergave van het besprokene, de kernpunten van het bezwaar van appellante op de hoorzitting zijn besproken. Gelet hierop en in aanmerking nemend dat het bestreden besluit naar zijn inhoud niet door appellante is betwist, ziet het College geen aanleiding te oordelen dat dit besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen.

2.4 Het beroep moet derhalve ongegrond worden verklaard.

2.5 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. E. Dijt, in tegenwoordigheid van mr. L.B.J. Leunissen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2012.

w.g. E. Dijt w.g. L.B.J. Leunissen