Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2012:BV9099

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
06-03-2012
Datum publicatie
16-03-2012
Zaaknummer
AWB 10/1188
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Ambtshalve herstel registratie in I&R-systeem. Bezwaar tegen kostenverhaal in beginsel in procedure tegen factuur, niet in procedure tegen herstelbesluit zoals i.c.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(enkelvoudige kamer)

AWB 10/1188 6 maart 2012

11221 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Regeling keuring en handel dierlijke producten

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

tegen

de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (voorheen: de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit), verweerder,

gemachtigde: mr. R. Kuipers, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Bij besluit van 23 juni 2010, abusievelijk gedateerd op 22 december 2010, heeft verweerder melding gemaakt van een door hem op grond van artikel 22, derde lid, van de Regeling identificatie en registratie van dieren (hierna: Regeling) uitgevoerde ambtshalve registratie in het I&R-systeem van de afvoer van een rund. Tevens is in het besluit vermeld dat de kosten van deze ambtshalve registratie ten laste van appellant zullen worden gebracht.

Bij besluit van 14 oktober 2010 heeft verweerder het hiertegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 27 oktober 2010, bij het College binnengekomen op 1 november 2010, beroep ingesteld.

Bij brief van 23 december 2010 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 2 februari 2012 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant en de gemachtigde van verweerder zijn verschenen.

2. De beoordeling van het geschil

2.1. In verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juli 2000 tot vaststelling van een identificatie-en registratieregeling voor runderen inzake de etikettering van rundvlees en rundvleesproducten en tot intrekking van verordening (EG) nr. 820/97 van de Raad (Pb 2000, L 204, p.1 ev.) is onder meer het volgende bepaald:

“ Artikel 7

1. Elke houder van dieren, met uitzondering van vervoerders:

- houdt een register bij,

- stelt, (…) de bevoegde autoriteit binnen een door de lidstaat vastgestelde termijn, die zich uitstrekt over drie tot zeven dagen, in kennis van alle verplaatsingen van en naar het bedrijf en van elke geboorte of sterfte van een dier op het bedrijf, samen met de data waarop het een en ander heeft plaatsgevonden.

(…)

De Regeling identificatie en registratie van dieren (Stcrt. 2002, 248, nadien gewijzigd, hierna: Regeling) luidde voor zover en ten tijde van belang:

“Artikel 20

1. De termijn, bedoeld in artikel 7, eerste lid, tweede gedachtestreepje, van verordening 1760/2000, waarbinnen de houder de minister in kennis stelt van de in dat onderdeel bedoelde gegevens, bedraagt 3 werkdagen, te rekenen vanaf de dag na de dag waarop de gebeurtenis waarvan kennisgeving wordt gedaan, heeft plaatsgevonden.

2. Bij de in het eerste lid bedoelde kennisgeving doet de houder opgave van zijn relatienummer, het UBN van het betrokken bedrijf en van de identificatiecode van het betrokken rund, alsmede in voorkomend geval van het feit dat merkverlies is opgetreden.

(…)

Artikel 21

1. De kennisgevingen, bedoeld in artikel 20, eerste en vijfde lid, geschieden per telefoon via het daartoe ingerichte voice response systeem, of elektronisch.

2. Het eerste lid is tevens van toepassing op een kennisgeving die niet binnen de termijn, bedoeld in artikel 20, eerste en zesde lid, is gedaan.

Artikel 22

(…)

3. Indien de houder de kennisgeving, bedoeld in artikel 20, eerste en vijfde lid, heeft nagelaten of bij deze kennisgeving onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt, kan hierin op kosten van de nalatige houder door de minister worden voorzien.

Artikel 23

1. De houder kan een kennisgeving herstellen.

2. Het verzoek tot herstel van een kennisgeving geschiedt per telefoon via het daartoe ingerichte voice response systeem of elektronisch.

(…)

Artikel 43e

(…)

2. Voor het in artikel 22, derde lid, bedoelde invoeren van ontbrekende of juiste gegevens is de houder namens wie de kennisgeving is verricht de volgende vergoedingen per kennisgeving per rund verschuldigd:

a. ingeval aanvullend onderzoek nodig is: € 27,83;

b. ingeval geen aanvullend onderzoek nodig is: € 16,79.”

2.2. Verweerder heeft als volgt overwogen.

Op grond van de regelgeving moet, onder meer, de aan- en afvoer van een rund binnen drie dagen na de dag van aan- of afvoer door de houder van het dier aan het I&R-systeem gemeld worden. Op 26 mei 2010 is de melding ontvangen van de afvoer van het dier met werknummer 5210 en de afvoer van het dier met werknummer 5212. Uit de registratie van het bestemmingsbedrijf blijkt dat de aanvoer is gemeld van twee dieren met werknummer 5210 en 5164. Onder het UBN van appellant was geen afvoermelding gedaan van het dier met werknummer 5164. Daarom is aan appellant op 7 juni 2010 een ‘Overzicht maatregelen’ met mogelijkheid tot herstel gestuurd en heeft verweerder, na uitblijven van een reactie, een afvoermelding van het dier met werknummer 5164 gedaan. Per 26 mei 2010 stonden aldus drie bij appellant afgevoerde dieren geregistreerd, waarvan er slechts twee voorkwamen als aangevoerd bij het bestemmingsbedrijf. Om die reden heeft een medewerkster van het LNV-loket appellant op 5 augustus 2010 telefonisch benaderd en is gebleken dat het dier met werknummer 5212 ten onrechte als afgevoerd stond geregistreerd. Vervolgens is de eerder door appellant gemelde afvoer van het dier met werknummer 5212 ingetrokken.

Appellant stelt dat de afvoer telefonisch gemeld is en dat hij de mededeling kreeg “uw melding is geaccepteerd en zal de volgende werkdag worden verwerk”. Uit de geregistreerde gegevens blijkt dat appellant het Nederlands Rundvee Syndicaat (NRS) heeft gemachtigd voor het doen van meldingen in het VRS-systeem en dat appellant op 26 mei 2010 via het systeem van het NRS twee afvoermeldingen aan het I&R-systeem heeft gedaan. Ook al heeft appellant het doen van de meldingen uitbesteed, hij blijft zelf verantwoordelijk voor het voldoen aan zijn verplichting tot melding. Via de optie ’mijn dossier’ op de website had appellant overigens kunnen zien dat de melding niet was verwerkt, nog voor het ‘Overzicht maatregelen’ werd gestuurd. Met dat overzicht werd vervolgens de onjuistheid in de registratie van het dier kenbaar gemaakt en zijn mogelijkheden tot herstel geboden, waarop appellant niet heeft gereageerd.

In het beroepschrift heeft appellant aangevoerd dat hem op 5 augustus 2010 telefonisch is toegezegd dat geen kosten in rekening zouden worden gebracht voor het herstel van de registratie. Dit blijkt niet uit de van dit gesprek gemaakte telefoonnotitie. Bovendien ging het gesprek niet over de ontbrekende afvoermelding van het dier met werknummer 5164 (die afvoermelding was toen immers al hersteld), maar over het intrekken van de afvoermelding van een dier werknummer 5212. Ten slotte oppert verweerder dat bij appellant wellicht verwarring is ontstaan, doordat de medewerkster mogelijk heeft gezegd dat het intrekken van een melding geen kosten met zich meebrengt.

2.4 Appellant heeft het volgende aangevoerd.

Op 26 mei 2010 zijn twee dieren, waaronder het dier met werknummer 5164, afgevoerd en is van deze afvoer op diezelfde datum melding gedaan. Op 7 juni 2010 heeft verweerder schriftelijk bericht dat een afvoermelding ontbreekt, waarna appellant vergeefs meerdere malen contact heeft geprobeerd op te nemen met verweerder. Vervolgens heeft een medewerkster van verweerder allereerst telefonisch contact gehad met de betrokken handelaar over de foutieve registratie van de dieren. Omdat het probleem hiermee niet werd opgelost heeft diezelfde medewerkster op 5 augustus 2010 contact opgenomen met appellant. In dit gesprek heeft de medewerkster aangegeven dat de fout in de verwerking van de meldingen voor verweerders rekening dient te komen en dat geen kosten in rekening zullen worden gebracht. Deze afspraak is echter niet uitgevoerd met als resultaat dat de kosten voor het niet melden van de afvoer van het dier met werknummer 5164 ten onrechte (alsnog) voor rekening van appellant komen.

2.5 Tussen partijen is in geschil of verweerder terecht ambtshalve op kosten van appellant de registratie van de afvoer van het dier met werknummer 5164 in het I&R-systeem heeft uitgevoerd. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

2.6 Uit artikel 20 van de Regeling volgt dat appellant verantwoordelijk is voor de melding aan het I&R-systeem van, onder meer, de aan- en afvoer van zijn dieren. Appellant heeft niet aangetoond dat hij de melding van de afvoer van het dier met werknummer 5164 heeft verricht. Gebleken is dat de door appellant op 26 mei 2010 verrichte melding niet de afvoer van het dier met werknummer 5164 betrof, maar dat de afvoer van de dieren met werknummers 5210 en 5212 is gemeld aan het I&R-systeem. Vervolgens heeft verweerder gewezen op het ontbreken van een afvoermelding van het dier met werknummer 5164 (door middel van een ‘Overzicht maatregelen’) en verzocht de registratie te herstellen door de melding alsnog te doen. Appellant heeft deze mogelijkheid tot herstel onbenut gelaten. Hieruit volgt naar het oordeel van het College dat verweerder, gezien het belang van een juiste registratie en een adequaat functionerend I&R-systeem, terecht gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid tot ambtshalve herstel van het registratiegebrek op grond van artikel 22, derde lid, Regeling.

Ten aanzien van de stelling van appellant in verband met het in rekening brengen van de kosten van ambtshalve herstel, overweegt het College als volgt. In de rechtsmiddelenclausule van het besluit van 23 juni 2010 is opgenomen dat tegen het betreffende besluit kan worden opgekomen in geval men het oneens is met de manier van registratie van de afvoermelding en dat tegen de factuur I&R-kosten opgekomen moet worden in geval men het oneens is met de kosten die in verband met de registratie in rekening worden gebracht.

Voor zover appellant heeft gesteld geen kosten verschuldigd te zijn omdat het gebrek in de registratie is te wijten aan een (systeem)fout aan de kant van verweerder, kan die stelling in deze procedure aan de orde komen vanwege de nauwe samenhang met het oordeel over de rechtmatigheid van de ambthalve registratie. Het College oordeelt ten aanzien daarvan dat geen aanknopingspunt te zien voor het oordeel dat een (systeem)fout aan de kant van verweerder ten grondslag heeft gelegen aan het registratiegebrek.

Aan de beoordeling van de stelling van appellant dat geen kosten verschuldigd zijn omdat een medewerkster van verweerder zou hebben toegezegd dat geen kosten in rekening worden gebracht voor herstel van de registratie, komt het College in het kader van deze procedure niet toe. Een bezwaarprocedure tegen de I&R-factuur waar de kosten van het voorliggende ambtshalve herstel onderdeel van uitmaken, is daarvoor aangewezen.

Ten overvloede overweegt het College hieromtrent dat uit het verhandelde ter zitting overigens lijkt te volgen dat de medewerkster van verweerder telefonisch contact heeft gezocht met appellant naar aanleiding van het ontbreken van een aanvoermelding van het dier met werknummer 5212 en dat, toen tijdens het gesprek bleek dat de afvoer per abuis was gemeld dan wel geregistreerd, is afgesproken de afvoermelding in te trekken. In verband hiermee zijn appellant geen kosten in rekening gebracht. Dat het gesprek niet ging over het ambtshalve registratie van de afvoer van dier met werknummer 5164 in het I&R-systeem en de daarmee samenhangende kosten, lijkt, gezien het moment waarop het gesprek plaatsvond en de omstandigheid dat het gebrek in de registratie van het dier met werknummer 5164 toen reeds was hersteld, aannemelijk.

2.7 Het College oordeelt dat verweerder terecht ambtshalve op kosten van appellant de registratie van de afvoer van het dier met werknummer 5164 in het I&R-systeem heeft uitgevoerd. Het beroep is derhalve ongegrond.

2.8 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M. van Duuren, in tegenwoordigheid van mr. L.B.J. Leunissen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2012.

w.g. M. van Duuren De griffier is niet in de gelegenheid

de uitspraak te ondertekenen