Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2012:BV8973

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
22-02-2012
Datum publicatie
15-03-2012
Zaaknummer
AWB 11/312
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

winkeltijdenwet, zondagopenstelling, dwangsom hoogte

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 11/312 22 februari 2012

12510 Winkeltijdenwet

Bestuursdwang/dwangsom

Proces verbaal van mondelinge uitspraak ingevolge artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in de zaak van:

A B.V., te B, appellante,

gemachtigde: mr. J.W.O. Croockewit, advocaat te Amsterdam,

tegen

burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer, verweerders,

gemachtigde: mr. H.M. Kooi-Aikema, werkzaam bij de gemeente Haarlem.

Zitting hebben: mr. R.C. Stam, voorzitter,

mr. J. van Santvoort, waarnemend griffier.

Ter zitting zijn partijen bij voornoemde gemachtigden verschenen.

Bij besluit van 26 november 2010 hebben verweerders appellante een last onder dwangsom opgelegd, inhoudende dat appellante voor elke dag dat zij in strijd met de Winkeltijdenwet op zondagen, die niet zijn aangewezen als koopzondagen, haar winkel voor het publiek geopend heeft, een dwangsom verbeurt van € 20.000,-- per geconstateerde overtreding tot een maximum van € 80.000,--.

Bij besluit van 9 maart 2011 hebben verweerders het hiertegen gericht bezwaar ongegrond verklaard en het maximum bedrag dat aan dwangsom verbeurd kan worden vastgesteld op € 60.000,--.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 19 april 2011 beroep ingesteld.

Na het onderzoek ter zitting te hebben gesloten heeft de voorzitter aan partijen de beslissing en de gronden van de beslissing medegedeeld.

Beslissing: het College verklaart het beroep ongegrond.

Gronden:

- Appellante heeft ter zitting aangevoerd dat zij, als gevolg van de uitspraak van het College van 16 december 2011 (LJN: BV0942), mogelijk nog aanspraak kan maken op een ontheffing om op zondag geopend te zijn. Voorts heeft appellante ter zitting aangevoerd dat verweerders bij de oplegging van de last onder dwangsom ten onrechte geen begunstigingstermijn in de zin van artikel 5:32a, tweede lid, Awb in acht hebben genomen. Eveneens hebben verweerders de last onder dwangsom niet vooraf aangekondigd. Het College gaat in deze uitspraak voorbij aan deze tardief en in strijd met de goede procesorde ingebrachte beroepsgronden.

- Tussen partijen is niet in geschil dat appellante het verbod op zondagopenstelling heeft overtreden. Zij beschikt niet over een ontheffing van dat verbod.

- De enige beroepsgrond die thans ter beoordeling staat is de vraag of verweerders de dwangsom terecht op € 20.000,-- per geconstateerde overtreding, met een maximum van € 60.000,--, hebben vastgesteld. Het College beantwoordt die vraag bevestigend en oordeelt daartoe als volgt.

- Met betrekking tot het argument van appellante dat de hoogte van de opgelegde dwangsom onevenredig is overweegt het College dat de hoogte van een vastgestelde dwangsom in redelijke verhouding dient te staan tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging. Volgens vaste jurisprudentie – verwezen wordt naar de uitspraak van het College van 27 oktober 2009 (LJN: BK1424) – bestaat er bij de beoordeling van een last onder dwangsom geen aanleiding voor de, bij punitieve sancties passende, indringende toetsing aan de in artikel 3:4, tweede lid, Awb besloten liggende evenredigheidsmaatstaf, ook niet wat betreft de hoogte van de dwangsom. Op grond van de uit artikel 5:32b, derde lid, Awb voortvloeiende maatstaf geldt daarbij slechts de beperking dat het bedrag van de dwangsom niet disproportioneel hoog mag zijn in verhouding tot de ernst van de overtreding. Voorts biedt deze maatstaf naar zijn strekking ruimte voor een bestuurlijke afweging van belangen bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom. De wijze waarop een bestuursorgaan gebruik heeft gemaakt van deze beoordelingsvrijheid dient door de rechter terughoudend te worden getoetst.

- In het voorliggende geval is het College van oordeel dat verweerders in het bestreden besluit, alsmede in een toelichtend memorandum van 15 februari 2011 dat is opgesteld in het kader van de bezwaarprocedure, in voldoende mate uiteen hebben gezet waarom een dwangsom van € 20.000,-- per geconstateerde overtreding, met een maximum van € 60.000,-- redelijk is. Het College neemt daarbij voorts nog in aanmerking dat de hoogte van de dwangsom per geconstateerde overtreding in overeenstemming is met het Programma Handhaving en Toezicht 2011 van verweerders.

- Voor zover appellante een beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft gedaan slaagt dit niet. De enkele verwijzing naar de oplegging van een last onder dwangsom door een ander bestuursorgaan in een andere situatie is daarvoor onvoldoende. Daarnaast heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat haar situatie onderscheiden dient te worden van twee andere supermarkten aan wie verweerders een last onder dwangsom hebben opgelegd.

- Het College ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 Awb.

w.g. R.C. Stam w.g. J. van Santvoort