Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2012:BV8237

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
29-02-2012
Datum publicatie
08-03-2012
Zaaknummer
AWB 11/873
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Minder dan € 500,- aan rechtstreekse betalingen. Artikel 44 Regeling GLB-inkomenssteun 2006.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 11/873 29 februari 2012

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellante,

gemachtigde: C,

tegen

de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, verweerder,

gemachtigde: mr. R. Lamain-Nuijen, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. Het procesverloop

Bij besluit van 10 mei 2011 heeft verweerder appellantes aanvraag voor bedrijfstoeslag 2010 op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (hierna: Regeling) afgewezen.

Bij besluit van 16 september 2011 heeft verweerder het hiertegen gerichte bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 18 oktober 2011, bij het College binnengekomen op 21 oktober 2011, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken toegezonden en een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Op 15 februari 2012 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen zich hebben laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Appellante heeft uitbetaling van bedrijfstoeslag 2010 aangevraagd. Zij beschikte in 2010 over 2,56 toeslagrechten met een totale bruto waarde van € 429,34 en heeft voor de benutting van deze rechten drie gewaspercelen met een gezamenlijke oppervlakte van 2,61 ha - 2,56 ha geconstateerde oppervlakte volgens verweerder - opgegeven. Bij besluit van 10 mei 2011 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen omdat appellante voor minder dan € 500,-- aan bedrijfstoeslag heeft aangevraagd.

2.2 Bij het bestreden besluit heeft verweerder appellantes bezwaar ongegrond verklaard en daaraan het volgende ten grondslag gelegd.

Uit artikel 44 Regeling volgt dat in alle gevallen waarin het totaalbedrag aan rechtstreekse betalingen, waaronder de bedrijfstoeslag, in een jaar lager is dan € 500,-- deze betalingen niet worden toegekend. Aan appellante is dus terecht geen bedrijfstoeslag 2010 toegekend. Het hiertoe strekkende besluit van 10 mei 2011 is, gelet op artikel 29, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 73/2009, bovendien tijdig genomen. Daarbij had appellante al vóór de aanvraagperiode voor de bedrijfstoeslag 2010 kunnen weten dat in de regelgeving de ondergrens van € 500,-- was opgenomen. Van een producent wordt voorts verwacht dat hij zich op de hoogte stelt van de voor hem relevante (juridische) ontwikkelingen. In de 'Toelichting bij de Gecombineerde opgave 2010' en in Nieuwsbrief #8 van december 2009 van Dienst Regelingen is ruimschoots aandacht besteed aan de veranderde regelgeving. Appellante is dus naar behoren geïnformeerd. Appellantes verzoek om de toeslagrechten aan te passen voordat ze vervallen, kan niet gehonoreerd worden. Immers, het vervallen van onbenutte toeslagrechten volgt rechtstreeks uit de regelgeving (artikel 28, derde lid, van Verordening (EG) nr. 73/2009).

2.3 Appellante heeft in haar beroepschrift aangegeven de afwijzende reactie van verweerder onjuist te achten. De stelling van verweerder dat van een producent wordt verwacht dat hij zich op de hoogte stelt van de voor hem relevante ontwikkelingen, acht appellante letterknechterij. Appellante beroept zich op de zorgplicht van de overheid. Zij wijst er bovendien op dat zij tussen 10 mei 2011 en 30 juni 2011 nog maar een heel korte tijd had om haar aanvraag aan te passen. Het is de overheid bekend dat dit soort regelingen en aanvragen voor een kleine producent geen dagelijks werk is. Daar had de verantwoordelijke instantie appellante op behoren te wijzen. Deze zorgplicht geldt voor niet-dagelijkse transacties.

2.4 Het College oordeelt als volgt.

Niet in geschil is dat het totaalbedrag van appellantes rechtstreekse betalingen voor 2010 op minder dan € 500,-- is vastgesteld. Gelet op artikel 44 Regeling wordt dit totaalbedrag dan niet uitbetaald. Uit hetgeen appellante tegen het bestreden besluit heeft aangevoerd - zoals toegelicht ter zitting - begrijpt het College dat zij haar pijlen niet zozeer richt op verweerders beslissing om haar wegens de uitbetalingsondergrens van € 500,-- voor 2010 geen bedrijfstoeslag uit te betalen, maar op de omstandigheid dat verweerder haar niet (tijdig) duidelijk heeft gemaakt dat zij haar toeslagrechten definitief zal verliezen als deze door de ondergrens twee achtereenvolgende jaren niet uitbetaald worden. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat ook over de bedrijfstoeslag 2011 reeds een besluit is genomen, waarbij appellantes toeslagrechten opnieuw niet worden uitbetaald. Naar appellante heeft verklaard heeft zij hiertegen geen bezwaar gemaakt. Het College is van oordeel dat het door appellante aangevoerde geen afbreuk kan doen aan de juistheid van het bestreden besluit. Artikel 44 Regeling is een bepaling van dwingend recht, zodat verweerder rechtens geen ander besluit kon nemen. Over het al dan niet vervallen van de toeslagrechten dient verweerder een apart besluit te nemen. Dit besluit is - naar verweerder ter zitting heeft aangegeven - nog niet genomen. Het staat hoe dan ook niet in deze procedure ter beoordeling.

Overigens blijkt uit de door verweerder overgelegde 'Toelichting bij de Gecombineerde opgave 2010' en in Nieuwsbrief #8 van december 2009 van Dienst Regelingen dat daarin aandacht is besteed aan de invoering per 2010 van de ondergrens van € 500,--. Met name de Toelichting bij de Gecombineerde opgave dient er bij uitstek toe landbouwers van actuele ontwikkelingen rondom (onder meer) de bedrijfstoeslag en andere rechtstreekse betalingen op de hoogte te stellen. Appellante had derhalve bekend kunnen zijn met genoemde bepaling en de eventuele gevolgen daarvan in haar situatie, zodat zij daarmee rekening had kunnen houden.

2.5 Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond verklaard dient te worden. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. S.C. Stuldreher, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van Veen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 februari 2012.

w.g. S.C. Stuldreher w.g. M.J. van Veen