Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2012:BV7086

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
15-02-2012
Datum publicatie
28-02-2012
Zaaknummer
AWB 10/640
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling GLB-inkomenssteun 2006

kennelijke fout

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 10/640 15 februari 2012

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak in de zaak van:

V.o.f. A-B, te C, appellante,

vertegenwoordigd door: D,

tegen

de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, verweerder,

gemachtigde: mr. A. Suzen-Alkan , werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. Het procesverloop

Appellante heeft bij brief van 25 juni 2010, bij het College binnengekomen op 29 juni 2010, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 27 mei 2010.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen een besluit van 7 april 2010, waarbij verweerder de bedrijfstoeslag voor het jaar 2009 van appellante heeft vastgesteld op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006.

Bij brief van 26 augustus 2010 heeft appellante nadere stukken overgelegd.

Bij brief van 27 augustus 2010 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Op 3 november 2011 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij voor appellante is verschenen haar vennoot D. Verweerder werd ter zitting vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Bij het besluit van 7 april 2010 heeft verweerder een voorschot op de bedrijfstoeslag voor het jaar 2009 ter hoogte van € 15.799,51 toegekend. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard.

2.2 Verweerder heeft vastgesteld dat appellante in haar bezwaarschrift van 9 april 2010 verzocht de aanvraag aan te passen.

Ingevolge de toepasselijke regelgeving dient een verzoek om wijziging van de aanvraag afgewezen te worden indien het is ingediend na het verstrijken van de zogenoemde kortingsperiode, die in 2009 eindigde op 11 juni, tenzij de aanvraag een kennelijke fout in de zin van artikel 19 van Verordening (EG) nr. 796/2004 bevat.

Volgens verweerder is er in dit geval geen sprake van een kennelijke fout: in de gecombineerde opgave heeft appellante de gewaspercelen met de nummers 1 tot en met 9, 12 tot en met 18, 25, 26, 30 en 31 aangekruist, maar de overige 23 percelen niet. Daardoor heeft zij € 6.000,44 van in totaal € 22.612,82 aan gewone toeslagrechten niet benut. Het verschil tussen hetgeen appellante heeft aangevraagd en hetgeen zij maximaal kon aanvragen is niet zo groot, dat dit bij summier onderzoek direct had moeten opvallen. Bovendien kon verweerder niet uitsluiten dat er voor appellante een reden bestond om een aantal percelen niet voor uitbetaling in aanmerking te brengen. Op de percelen met de nummers 10 en 39 staat blijvend bos met herplantplicht en zij kunnen niet voor uitbetaling van toeslagrechten in aanmerking komen.

Onder deze omstandigheden was er geen aanleiding om de aanvraag van appellante als niet samenhangend in de zin van het Werkdocument te beschouwen.

Het is de verantwoordelijkheid van de landbouwer om ervoor zorg te dragen dat de Gecombineerde opgave juist en conform zijn bedoeling wordt ingevuld. De keuze om deze opgave digitaal te verzenden en de opgave voor de verzending niet te controleren, kan niet aan verweerder worden tegengeworpen en dient dan ook in beginsel voor rekening en risico van appellante te blijven.

2.3 Appellante heeft – voor zover thans relevant – aangevoerd dat er sprake is van een kennelijke fout; dat zij te weinig percelen heeft aangekruist is veroorzaakt door een vergissing bij het online invullen van de aanvraag, dat appellante in 2009 voor het eerst deed. Volgens appellante valt voorts niet te begrijpen dat een onopzettelijk begane fout niet meer kan worden rechtgezet, te meer daar zij over voldoende percelen beschikt. Ter zitting van het College heeft appellante hieraan nog toegevoegd dat verweerder op het eerste gezicht had kunnen zien dat de aanvraag niet klopte omdat in voorgaande jaren wel alle toeslagrechten waren aangevraagd en uitbetaald.

2.3 Het College overweegt dat er voor een geval als het onderhavige, buiten de in artikel 19 van Verordening (EG) nr. 796/2004 geboden mogelijkheid, rechtens geen herstelmogelijkheid bestaat. Dit betekent dat voor wijziging van appellantes aanvraag om uitbetaling van bedrijfstoeslag voor 2009 alleen plaats is, indien sprake is van een kennelijke fout in de zin van dit artikel.

2.4.1 Mede onder verwijzing naar zijn uitspraken van 2 oktober 2009 (zie bijvoorbeeld www.rechtspraak.nl, LJN: BJ9418) overweegt het College met betrekking tot de aanwezigheid van een kennelijke fout het volgende.

2.4.2 De Europese Commissie heeft met betrekking tot de vraag wanneer een kennelijke fout als zodanig erkend moet worden Werkdocument nr. AGR 49533/2002 (hierna: Werkdocument) uitgebracht. Verweerder hanteert dit document bij de beoordeling van verzoeken om na de uiterste indieningstermijn nog wijzigingen in een aanvraag te mogen aanbrengen. In vaste rechtspraak heeft het College deze benadering aanvaardbaar geoordeeld.

In het Werkdocument wordt als beginsel geformuleerd dat de beslissing of sprake is van een kennelijke fout afhankelijk is van alle feiten en omstandigheden in het individuele geval. Daarom moet elk geval afzonderlijk worden onderzocht. Belangrijkste invalshoek daarbij is de aanwezigheid van samenhang, dan wel het gebrek daaraan, tussen de in de aanvraag opgenomen gegevens.

Het College heeft het Werkdocument in eerdere jurisprudentie aldus uitgelegd en samengevat, dat van een kennelijke fout over het algemeen alleen kan worden gesproken indien verweerder bij een summier onderzoek van de aanvraag had kunnen vaststellen dat de aanvraag waarschijnlijk geen goede weergave was van hetgeen de aanvrager beoogde aan te vragen.

Verweerder heeft op basis van het Werkdocument voor zichzelf als criterium geformuleerd dat slechts dan een kennelijke fout erkend kan worden, als sprake is van een tegenstrijdigheid in de aanvraag die wijst op een vergissing, terwijl het redelijkerwijs uitgesloten is dat de aanvraag conform de bedoeling van de aanvrager is ingevuld. Verweerder stelt zich in het algemeen op het standpunt, dat het de landbouwer vrij staat zijn toeslagrechten al dan niet te laten uitbetalen. Verweerder ziet het dan ook niet als zijn taak om zich te verdiepen in de eventuele motieven van de aanvrager om van het laten uitbetalen van de rechten af te zien. Hij vindt het evenmin op zijn weg liggen om met de aanvrager mee te denken en te bezien of deze door de aanvraag anders in te vullen, wellicht meer subsidie had kunnen krijgen. Derhalve kan het feit dat een landbouwer zijn toeslagrechten blijkens zijn aanvraag niet of niet geheel wil laten uitbetalen, naar zijn mening op zichzelf niet als een kennelijke fout beschouwd worden.

2.4.3 Ingevolge artikel 12, eerste lid, onder c, van Verordening (EG) nr. 796/2004 moet in de verzamelaanvraag het aantal en het bedrag van de toeslagrechten worden vermeld. Ingevolge artikel 12, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 796/2004 wordt op de aan de landbouwers verstrekte voorbedrukte formulieren, waarop een verzamelaanvraag gedaan moet worden, melding gemaakt van de identificatie van de toeslagrechten.

In Nederland wordt aan deze bepalingen geen gevolg gegeven. Naar het oordeel van het College mag een landbouwer hiervan geen nadelige gevolgen ondervinden. Daarom zal het College het hier te beslechten geschil beoordelen alsof er sprake is van een situatie waarin de genoemde informatie wel uit de ingediende aanvraag kan worden opgemaakt. Derhalve wordt er bij de vraag of sprake is van een kennelijke fout vanuit gegaan dat ook de ambtenaar die de aanvraag bij ontvangst beoordeelt, er op dat moment van op de hoogte is over hoeveel toeslagrechten de aanvrager kan beschikken.

2.4.4 Ter beantwoording ligt dan voor de vraag of de aanvraag van appellante, die over 78,60 toeslagrechten met een totale waarde van € 22.612,82 beschikt en die met 101,82 hectaren over voldoende grond beschikt om al deze toeslagrechten uit te laten betalen, geacht kan worden een kennelijke fout in te houden, als zij slechts voor 52,38 van deze toeslagrechten om uitbetaling vraagt.

Bij beantwoording van die vraag dient onder ogen gezien te worden dat slechts die landbouwers over toeslagrechten beschikken, die in het verleden steeds Europese landbouwsteun hebben gevraagd en gekregen en vervolgens uitdrukkelijk om toewijzing van toeslagrechten verzocht hebben, alsmede landbouwers die dergelijke rechten gekocht of, in verband met bijzondere omstandigheden, op hun aanvraag verkregen hebben. Derhalve kan in beginsel worden aangenomen, dat het gaat om landbouwers die Europese landbouwsteun wensen te ontvangen. Gelet ook op de mogelijkheid dat toeslagrechten wegens het niet-gebruiken daarvan vervallen, zullen landbouwers in beginsel een zo groot mogelijk deel van hun toeslagrechten willen laten uitbetalen.

Het College tekent daarbij echter aan, dat denkbaar is dat een landbouwer voornemens zou zijn om bepaalde percelen nog gedurende het aanvraagjaar aan de bestemming als landbouwgrond te onttrekken. In een dergelijk geval kunnen er redenen zijn die percelen niet in de aanvraag op te geven. Ook kunnen zich misschien incidenteel nog andere gronden voordoen om percelen niet op te geven.

Het College kan verweerder in het algemeen volgen in de gedachte dat het een landbouwer vrij staat om hem moverende redenen geen steun aan te vragen en dat het niet aan verweerder is om zich in zijn motieven te verdiepen, zodat het niet of niet maximaal aanvragen van steun in beginsel niet als een kennelijke fout aangemerkt kan worden.

2.4.5 Het College is van oordeel dat gelet op de omstandigheden van dit geval sprake is van een kennelijke fout in evenbedoelde zin en overweegt hiertoe als volgt.

Appellante heeft in de gecombineerde opgave 2009 zonder voorbehoud opgegeven haar toeslagrechten te willen laten uitbetalen. Zij heeft echter voor een opvallend groot deel van de ter beschikking staande toeslagrechten (26,22 van 78,60) en (subsidiabele) hectaren (49.06 van 101.82) geen gebruik gemaakt. Appellante heeft bovendien slechts 20 van haar 41 (subsidiabele) percelen voor uitbetaling van haar toeslagrechten opgegeven. Het verschil tussen hetgeen appellante aanvraagt en hetgeen zij maximaal kan aanvragen is zo groot (zij benut slechts 67 % van hetgeen zij maximaal kon aanvragen) dat het bij een summier onderzoek direct in het oog moet vallen. Voorts moet vrijwel uitgesloten worden geacht dat er voor appellante een reden bestond om uitsluitend 20 percelen ter grootte van 52.38 ha voor uitbetaling van toeslagrechten in aanmerking te brengen en 21 (subsidiabele) percelen van samen 49.06 ha niet. Daarbij neemt het College in aanmerking dat het onaannemelijk is dat appellante deze 49.06 ha grond in de loop van 2009 zodanig zou gaan benutten dat deze percelen niet langer aan de voorwaarden voor uitbetaling van toeslagrechten zouden voldoen.

Het is het College gebleken dat er een relevant verschil is tussen de gedrukte versie van het overzicht gewaspercelen 2009 en de digitale versie daarvan. Dit verschil betreft het volgende: in de gedrukte versie is een extra controlevak opgenomen waarmee landbouwers in de gelegenheid worden gesteld om het aantal hectaren dat zij voor uitbetaling van toeslagrechten wensen op te geven expliciet te bevestigen door dit aantal in het controlevak in te vullen; in het door verweerder als gedingstuk overgelegde overzicht gewaspercelen 2009, zoals dit door appellante online is ingevuld, ontbreekt dit controlevak echter. Vaststaat derhalve dat appellant niet in de gelegenheid is gesteld tot een expliciete bevestiging van het aantal hectaren dat zij voor uitbetaling wenste op te geven.

Gelet op al het voorgaande is er aanleiding de gegevens, opgenomen in de ingediende aanvraag in de zin van het Werkdocument als niet samenhangend aan te merken. Dat levert voldoende grond op om aan te nemen dat de aanvraag waarschijnlijk geen goede weergave bevat van hetgeen appellante beoogde aan te vragen.

Het College concludeert dat het in dit geval op de weg van verweerder had gelegen om appellante erop te wijzen dat de aanvraag waarschijnlijk niet conform haar bedoelingen is ingevuld en haar de gelegenheid te bieden om de aanvraag te wijzigen.

2.4.6. Aangezien appellante, zoals uit het voorgaande volgt, ten onrechte geen gelegenheid is geboden om haar aanvraag te wijzigen, dient het beroep gegrond te worden verklaard. Verweerder zal opnieuw op het bezwaar van appellante moeten beslissen.

2.5 Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is het College niet gebleken.

3. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder opnieuw op het bezwaar van appellante beslist met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak

is overwogen;

- bepaalt dat verweerder appellante het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 298,-- (zegge:

tweehonderdachtennegentig euro) zal vergoeden.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, mr. R.C. Stam en mr. S.A.M.C. Lavrijsen, in tegenwoordigheid van mr. E. van Kerkhoven als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2012.

w.g. W.E. Doolaard w.g. E. van Kerkhoven