Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2011:BV1429

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
20-12-2011
Datum publicatie
20-01-2012
Zaaknummer
ÀWB 10/825
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling GLB-inkomenssteun 2006, aangegeven oppervlakte versus geconstateerde oppervlakte, gewasgroep

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 10/825 29 december 2011

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A-B, te C, appellante,

tegen

de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, verweerder,

gemachtigde: mr. D.L. Hoogenkamp, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 5 augustus 2010 beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 16 juli 2010, waarbij verweerder de bezwaren van appellante tegen het besluit van 18 maart 2010 ongegrond heeft verklaard. Met dat laatste besluit heeft verweerder appellante een voorschot op de bedrijfstoeslag voor het jaar 2009 op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (hierna: Regeling) toegekend.

Bij brief van 4 oktober 2010 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Op 6 juli 2011 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Appellante is niet verschenen. Verweerder werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Verordening (EG) nr. 796/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, alsmede inzake de bij Verordening (EG) nr. 479/2008 van de Raad vastgestelde randvoorwaarden luidde, voor zover en ten tijde van belang als volgt:

" Artikel 49

Algemene beginselen

1. Voor de toepassing van deze afdeling worden, waar dat relevant is, de volgende gewasgroepen onderscheiden:

a) de voor de toepassing van de bedrijfstoeslagregeling bestemde oppervlakten (…)

Artikel 50

Bepaling van de berekeningsgrondslag in het licht van de aangegeven oppervlakten

1. Voor de aanvragen om steun in het kader van de oppervlaktegebonden steunregelingen (…) geldt dat, indien de voor een gewasgroep geconstateerde oppervlakte groter blijkt te zijn dan de in de steunaanvraag aangegeven oppervlakte, de aangegeven oppervlakte wordt gebruikt voor de berekening van de steun.

(…)

3. Onverminderd kortingen en uitsluitingen overeenkomstig de artikelen 51 en 53, geldt voor aanvragen om steun in het kader van de oppervlaktegebonden steunregelingen (…) dat, indien voor een gewasgroep de in de verzamelaanvraag aangegeven oppervlakte groter is dan de geconstateerde oppervlakte, de betrokken steun wordt berekend op basis van de voor die gewasgroep geconstateerde oppervlakte.

(…) "

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante heeft in de Gecombineerde opgave 2009 om uitbetaling van haar toeslagrechten over 2009 verzocht. Op het bijbehorende overzicht gewaspercelen zijn onder meer de percelen 2 en 3 met dezelfde gewascode 259 (snijmaïs) aangegeven voor een oppervlakte van respectievelijk 3.92 en 2.24 ha.

- Bij besluit van 18 maart 2010 heeft verweerder het voorschot op de bedrijfstoeslag vastgesteld op € 3.983,65. De geconstateerde oppervlakten van de percelen 2 en 3 zijn daarbij voorlopig vastgesteld op respectievelijk 2.11 ha. en 2.24 ha. Dit heeft geleid tot een korting op de bedrijfstoeslag.

- In haar bezwaar tegen dit besluit stelt appellante onder meer dat zij abusievelijk de percelen 2 en 3 heeft verwisseld.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Na sluiting van de aanvraagperiode is het niet meer mogelijk om de gecombineerde opgave zodanig te wijzigen, dat de verwisseling van percelen 2 en 3 ongedaan wordt gemaakt. Dit is alleen dan anders indien er sprake is van een kennelijke fout. Er is evenwel geen sprake van een kennelijke fout omdat de aanvraag, ondanks een onregelmatigheid, geen tegenstrijdigheden bevat: de aanvraag is immers niet onlogisch of onbegrijpelijk ingevuld. Het is bovendien de verantwoordelijkheid van de landbouwer om de percelen op de bedrijfskaart op de juiste wijze te nummeren.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft een fout gemaakt door de percelen met de nummers 2 en 3 te verwisselen. Verweerder had deze fout eenvoudig kunnen en moeten opmerken; in voorgaande jaren waren dezelfde percelen aangegeven en op het eerste gezicht is al te zien dat de oppervlakten in 2009 zijn verwisseld. Daarom is er sprake van een kennelijke fout, die te allen tijde en zonder sancties moet kunnen worden gecorrigeerd. Verweerder had ten aanzien van perceel 3 eenzelfde onderzoek kunnen en moeten doen als ten aanzien van perceel 4, waarvan de oppervlakte in bezwaar groter is vastgesteld.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College stelt voorop dat de brief van 18 maart 2010, waarin appellante is meegedeeld dat de bedrijfstoeslag 2009 in de vorm van een voorschot aan haar wordt uitbetaald, als een beslissing gericht op rechtsgevolg en derhalve als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet worden aangemerkt.

5.2 Bij de beoordeling van het beroep tegen de handhaving van dit besluit, te weten de beslissing op bezwaar van 16 juli 2010, is de toetsing van het College gericht op het beantwoorden van de vraag - met inachtneming van de door artikel 8:69 Awb bepaalde omvang van het geschil - of en in hoeverre appellante, met het oog op de daarbij toepasselijke Verordeningen en de Regeling, redelijkerwijs aanspraak zal kunnen maken op de uitbetaling van de bedrijfstoeslag. Voor een verdergaande toetsing is gelet op het karakter van het voorschotbesluit - een besluit tot voorlopige betaling van de nog definitief vast te stellen uitbetaling van bedrijfstoeslag - geen plaats. Dat verweerder (in het onderhavige geval) wel is over gegaan tot een verdergaande toetsing in bezwaar, maakt dit niet anders.

5.3 Gelet op hetgeen onder 5.2 is overwogen, beperkt de toetsing van het College zich in het onderhavige geval tot beantwoording van de vraag of appellante – gelet op het door haar aangevoerde – redelijkerwijs aanspraak zal kunnen maken op uitbetaling van alle aangevraagde toeslagrechten in plaats van het aantal toeslagrechten dat nu in het voorschotbesluit is uitbetaald. In dat kader zal moeten worden onderzocht of verweerder bij de vaststelling van de bedrijfstoeslag voor 2009 bij de percelen 2 en 3 is uitgegaan van de juiste geconstateerde oppervlakte. Het antwoord is afhankelijk van het antwoord op de vraag of verweerder per afzonderlijk perceel dient te controleren of de aangegeven oppervlakte juist is, of moet nagaan of het totaal van de aangegeven oppervlakte juist is.

5.4 De totale geconstateerde oppervlakte is 16.25 ha, waarbij perceel 2 is meegerekend voor 2.11 ha. in plaats van de aangegeven 3.92 ha. en perceel 3 voor de aangegeven 2.24 ha. Appellante heeft in beroep betoogd dat het voor verweerder duidelijk had moeten zijn dat zij bij haar aanvraag de percelen 2 en 3 heeft verwisseld, zodat verweerder voor perceel 2 een oppervlakte had moeten constateren van 2.24 ha. en voor perceel 3 een oppervlakte van 3.92 ha.

Verweerder is van mening dat hij de berekening van het aan appellante toegekende voorschot op de bedrijfstoeslag wat betreft perceel 2, gelet op artikel 50, derde lid, van Verordening (EG) nr. 796/2004, terecht heeft gebaseerd op de geconstateerde oppervlakte van 2.11 ha, nu deze oppervlakte kleiner is dan de door appellante aangegeven oppervlakte van 3.92 ha. Ter zitting heeft verweerder in dit verband betoogd dat genoemde bepaling moet worden toegepast op perceelsniveau.

Het College volgt verweerder hierin niet. Uit artikel 49, eerste lid, onder a, van Verordening (EG) nr. 796/2004 volgt dat voor de toepassing van artikel 50 van deze verordening in het onderhavige geval onder gewasgroep moet worden verstaan 'de voor de toepassing van de bedrijfstoeslag bestemde oppervlakten'. Gelet op de tekst van artikel 50, derde lid, van Verordening (EG) nr. 796/ 2004 kan er in redelijkheid geen twijfel over bestaan dat voor de toepassing van dit voorschrift bepalend is of de in de verzamelaanvraag voor een gewasgroep in evengenoemde zin aangegeven oppervlakte van alle percelen tezamen groter is dan de voor die gewasgroep gezamenlijk geconstateerde oppervlakte, in welk geval de betrokken steun moet worden berekend op basis van laatstgenoemde oppervlakte. Verweerder heeft voor zijn andersluidende standpunt met betrekking tot de toepassing van dit voorschrift geen enkel argument aangedragen op grond waarvan aan deze uitleg zou moeten worden getwijfeld.

5.5 Dit betekent dat verweerder bij de berekening van het aan appellante toegekende voorschot wat betreft perceel 2 heeft gehandeld in strijd met de wet en dat niet de verwachting bestaat dat appellante redelijkerwijs geen aanspraak kan maken op uitbetaling van al haar toeslagrechten. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Verweerder zal opnieuw moeten beslissen op het bezwaar van appellante met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Daarbij zal verweerder bij de berekening van het voorschot op de bedrijfstoeslag van appellante in het kader van artikel 50, derde lid, van Verordening (EG) nr. 796/2004 de in de aanvraag van appellante aangegeven oppervlakte van de voor de toepassing van de bedrijfstoeslag bestemde oppervlakten van de betreffende percelen samen tot uitgangspunt moeten nemen.

5.6 Gelet op het vorenstaande kan in het midden blijven of met betrekking tot de door appellante aangegeven oppervlakten van de percelen 2 en 3 sprake is van een kennelijke fout in de zin van artikel 19 van Verordening (EG) nr. 796/2004.

5.7 Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is het College niet gebleken.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellante met inachtneming van hetgeen in deze

uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat verweerder het door appellante betaalde griffierecht ad € 298,-- (zegge: tweehonderdachtennegentig euro)

vergoedt.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, mr. H.O. Kerkmeester en mr. S.C. Stuldreher, in tegenwoordigheid van mr. E. van Kerkhoven als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 december 2011.

w.g. W.E. Doolaard w.g. E. van Kerkhoven