Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2011:BV0997

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
24-06-2011
Datum publicatie
17-01-2012
Zaaknummer
AWB 10/821
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Premieregeling rundvleesproducenten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 10/821 24 juni 2011

5100 Premieregeling rundvleesproducenten

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: C, bestuurslid Nederlandse Melkveehouders Vakbond

tegen

de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, verweerder,

gemachtigde: W. Zn. Oomen, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 3 augustus 2010, bij het College binnengekomen op 6 augustus 2010, beroep ingesteld tegen een besluit van 5 juli 2010, waarbij verweerder de bezwaren van appellant tegen het besluit van 30 juli 2009 ongegrond heeft verklaard. Bij dit laatste besluit is met toepassing van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (hierna: Regeling) de slachtpremie 2008 vastgesteld.

Bij brief van 7 oktober 2010 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Op 13 mei 2011 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant, zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder zijn verschenen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Verordening (EG) nr. 796/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (hierna te noemen: Verordening (EG) nr. 796/2004) luidt, voor zover en ten tijde van belang als volgt:

" Artikel 23

1. De administratieve controles en de controles ter plaatse waarin deze verordening voorziet, worden zo uitgevoerd dat een doeltreffende verificatie wordt gegarandeerd van de naleving van de voorwaarden voor de steunverlening en van de eisen en normen die relevant zijn in het kader van de randvoorwaarden.

2. Indien de landbouwer of zijn vertegenwoordiger de uitvoering van een controle ter plaatse verhindert, worden de betrokken steunaanvragen afgewezen. "

2.2 Het College gaat uit van de volgende feiten.

- Ambtenaren van de Algemene Inspectiedienst (hierna: AID) hebben op 26 mei 2008 gecontroleerd of het bedrijf van appellant de randvoorwaarden van de Regeling naleeft. Hiervan is een proces-verbaal, gedateerd 1 juli 2008, opgemaakt. Hieruit komt naar voren dat appellant de controle heeft verhinderd.

- Bij besluit van 30 juli 2009 heeft verweerder de aanvragen om slachtpremie voor het jaar 2008 afgewezen en een uitbetaald bedrag ad € 4.992,-- teruggevorderd.

- Tegen dit besluit is bij brief van 22 augustus 2009 bezwaar gemaakt, in welk kader appellant op 18 maart 2010 is gehoord.

3. Het bestreden besluit

Volgens de controleurs van de AID heeft appellant niet toegestaan dat de controle, nadat deze was begonnen, werd voortgezet en afgerond. De afwijzing van de slachtpremie 2008 vloeit voort uit het feit dat appellant aldus een doelmatige controle op zijn bedrijf heeft verhinderd. Hierbij heeft appellant niet aangetoond dat de AID op zodanige manier onjuist of onzorgvuldig heeft gehandeld, dat voortzetting van de controle in redelijkheid niet van hem kon worden verlangd. Dat de AID appellant bij het afbreken van de controle niet heeft gewezen op de gevolgen voor de subsidieaanvraag, doet niet af aan de vaststelling dat er geen doelmatige controle heeft kunnen plaatsvinden. De steunaanvraag wordt krachtens artikel 23 Verordening (EG) nr. 796/2004 afgewezen. Hierbij bestaat geen ruimte om tot een ander oordeel dan gehele afwijzing te komen.

4. Het standpunt van appellant

Appellant voert – samengevat weergegeven – aan dat hij in eerste instantie alle medewerking verleende. Toen de controle zich ging richten op vermeende illegale vliegenbestrijdingsmiddelen – die later legaal bleken – voelde appellant zich onheus bejegend en heeft hij na de opmerking van de AID dat hij zich verdacht maakte door hierover in discussie te gaan, verdere medewerking geweigerd. De controle heeft plaatsgehad, maar is tussentijds afgebroken. Appellant heeft niet te horen gekregen dat hij zaken die ogenschijnlijk niet in orde waren behoefde te verbeteren en werd evenmin gewezen op de consequenties van het weigeren van de controle. Bij een tweede controle in april 2009 heeft appellant alle medewerking verleend. Dat tot deze tweede controle geen schriftelijke waarschuwingen en geen gelegenheid om de bedrijfsvoering aan te passen zijn gegeven, is een ontoelaatbare nalatigheid van de AID en verweerder. De algehele inhouding staat niet in verhouding tot de ernst, de omvang en het permanente karakter van de onderbreking van de controle.

Tot slot voert appellant aan, dat ter hoorzitting de mogelijkheid van een korting op de slachtpremie in plaats van een algehele inhouding niet per definitie werd uitgesloten.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Artikel 23 van Verordening (EG) nr. 796/2004 schrijft voor dat de controles zo worden uitgevoerd dat een doeltreffende verificatie wordt gegarandeerd van de in het kader van de randvoorwaarden relevante eisen en normen.

Het College overweegt dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen doeltreffende verificatie in vorenbedoelde zin heeft plaats gevonden omdat appellant de controle heeft verhinderd. Uit het bedrijfscontrolerapport komt immers naar voren dat een groot aantal standaardtoetsingsaspecten niet kon worden gecontroleerd door de weigering van appellant om de AID de controle te laten voortzetten. Weliswaar is een aantal van de bedoelde aspecten beoordeeld, maar de controle is op een zodanig tijdstip in het begin verhinderd, dat van een doeltreffende verificatie niet meer kan worden gesproken.

Voorts overweegt het College dat, indien appellant zich de wettelijke gevolgen van zijn weigering om mee te werken niet ten volle heeft gerealiseerd, dit voor zijn rekening en risico blijft.

Gelet op het bepaalde in artikel 23 van Verordening (EG) nr. 796/2004 heeft verweerder de aanvraag om slachtpremie 2008 terecht geweigerd. Daarbij overweegt het College dat verweerder geen mogelijkheid had om anders te beslissen dan de aanvraag af te wijzen, en niet verplicht was om appellant een schriftelijke waarschuwing te geven dan wel hem in de gelegenheid te stellen om de bedrijfsvoering naar aanleiding van de controle aan te passen.

5.2 De beroepsgronden falen.

5.3 Het College ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. R.C. Stam, mr. C.J. Waterbolk en mr. H.S.J. Albers, in tegenwoordigheid van mr. E. van Kerkhoven als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2011.

w.g. R.C. Stam w.g. E. van Kerkhoven