Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2011:BV0939

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
24-06-2011
Datum publicatie
16-01-2012
Zaaknummer
AWB 10/71
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Kaderwet EZ-subsidies

Besluit stimulering duurzame energieproductie (SDE)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 10/71 24 juni 2011

27301Kaderwet EZ-subsidies

Besluit stimulering duurzame energieproductie (SDE)

Uitspraak in de zaak van:

Matex Vastgoed I B.V., te Rijssen, appellante,

gemachtigde: drs. M.P.T.M. Muurmans,

tegen

de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, verweerder,

gemachtigden: mr. dr. R.F. Jassies en mr. L. Kamps, werkzaam bij verweerders dienst Agentschap NL.

1. Het procesverloop

Bij besluit van 28 augustus 2009 heeft verweerder de aanvragen van appellante voor subsidie op grond van het Besluit stimulering duurzame energieproductie afgewezen.

Bij besluit van 15 december 2009 heeft verweerder het hiertegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Op 28 april 2011 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij namens verweerder genoemde gemachtigden zijn verschenen. Namens appellante is verschenen A.

Het College heeft bij beslissing van 13 mei 2011 het onderzoek heropend omdat onduidelijk was gebleven op welk moment de aanvragen van appellante zijn ingediend.

Bij brief van 23 mei 2011 heeft verweerder nadere informatie verstrekt.

Op 16 juni 2011 heeft het nadere onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigden van verweerder zijn verschenen. Namens appellante is niemand verschenen.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 In het bestreden besluit en tijdens de eerste zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de aanvragen van appellante voor subsidie voor zonnepanelen in de categorie “Zon-PV groot” zijn afgewezen omdat het beschikbare subsidiebudget al was uitgeput door verstrekking van subsidie aan andere aanvragers. Volgens verweerder zijn de aanvragen van appellante blijkens de daarop geplaatste stempels “afgegeven bij de balie 6 april 2009” en de handgeschreven tijdsvermelding van 17.25 uur aangemerkt als te zijn ontvangen op 7 april 2009. Van de formulieren waarop de ontvangstbevestiging betrekking had, zijn er 9 in de administratie gevonden. Onder die 9 bevinden zich niet de aanvragen van Matex. Niet aannemelijk is dat de ontvangstbevestiging van 6 april 2009 16.40 uur betrekking heeft op de 14 aanvragen van Matex. Van een verkeerde voorlichting is geen sprake geweest. De mededeling dat de stukken bij de balie konden worden afgegeven is juist. Dat kon tot 17.30 uur.

2.2 Naar aanleiding van de heropening van het onderzoek door het College heeft verweerder in de SDE-administratie en het SDE-archief gezocht naar de andere 6 aanvragen waarop de ontvangstbevestiging betrekking had. Uiteindelijk zijn die 6 aanvragen achterhaald. In één van die zaken bevindt zich de originele doorslag van de ontvangstbevestiging. In de overige 14 zaken bevindt zich een kopie van de doorslag van de ontvangstbevestiging. Ook de 6 aanvragen die nu zijn achterhaald, betreffen niet de aanvragen van appellante. Dat maakt duidelijk dat de ontvangstbevestiging van 6 april 2009, 16.40 uur geen betrekking heeft op de 14 aanvraagformulieren van appellante.

2.3 In beroep heeft appellante het volgende aangevoerd. Alle aanvragen voor de 15 locaties, waarvoor subsidie is aangevraagd in de categorie “Zon-groot” zijn gelijktijdig en tegen ontvangst van het genoemde ontvangstformulier met daarop “15 x Zon-PV” vermeld, op 6 april 2009 16.40 uur – dus vóór 17.00 uur – ingediend. De aanvragen van appellante hadden dus moeten worden betrokken in de loting met de binnengekomen aanvragen op 6 april 2009.

2.4 Het College overweegt als volgt. Het Besluit stimulering duurzame energieproductie (hierna: het Besluit) bepaalt in artikel 58 dat indien honorering van alle aanvragen die op één dag zijn ontvangen ertoe zou leiden dat het beschikbare subsidieplafond zou worden overschreden, de volgorde van ontvangst van de aanvragen wordt vastgesteld door middel van loting. Aanvragen die worden ontvangen op werkdagen na 17.00 uur of op andere dagen, worden aangemerkt als ontvangen op de eerstvolgende werkdag. Dat is bepaald in artikel 58, derde lid van het Besluit.

Uit artikel 4:25, tweede lid, Awb volgt dat een subsidie wordt geweigerd, voor zover door de verstrekking hiervan het subsidieplafond zou worden overschreden. Dit heeft tot gevolg dat indien de dag waarop de aanvraag voldoet aan de wettelijke vereisten ligt na de dag waarop het subsidieplafond is bereikt, deze aanvraag dient te worden geweigerd wegens budgetuitputting.

Vast staat dat in dit geval het gestelde subsidieplafond op 6 april 2009 (de eerste dag van de indieningstermijn) is bereikt. Dat betekent dat indien de aanvragen na die datum zijn ontvangen, deze aanvragen wegens budgetuitputting dienen te worden afgewezen.

In de onderhavige zaak is in geschil op welk moment de aanvragen van appellante zijn ontvangen door verweerder, op 6 april 2009 om 16.40 uur of diezelfde dag om 17.25 uur. In het eerste geval zijn de aanvragen ontvangen op 6 april 2009 en in het tweede geval worden de aanvragen aangemerkt als te zijn ontvangen op 7 april 2009.

Naar het oordeel van het College blijkt uit de door verweerder verstrekte informatie naar aanleiding van de heropeningsbeslissing in samenhang met de zich reeds in het dossier bevindende informatie dat de ontvangstbevestiging waarop appellante haar stelling baseert geen betrekking heeft op de aanvragen van appellante. Gelet hierop moet worden uitgegaan van de juistheid van de op de aanvragen van appellante geplaatste stempel, te weten “Afgegeven aan de balie, datum: 6 april 2009” met daarbij de handgeschreven aantekening “17.25”. Dat betekent dat de aanvragen van appellante terecht zijn aangemerkt als te zijn ontvangen op 7 april 2009 en terecht zijn afgewezen op grond van artikel 4:25 van de Awb wegens budgetuitputting.

Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 Awb zijn geen termen aanwezig.

3. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M. Munsterman in tegenwoordigheid van mr. O.C. Bos, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2011.

w.g. M. Munsterman w.g. O.C.Bos