Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2011:BU9731

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
20-12-2011
Datum publicatie
30-12-2011
Zaaknummer
AWB 10/1286
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Besluit verdachte dieren

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 10/1286 20 december 2011

11230 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Besluit verdachte dieren

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellante,

gemachtigde: C,

tegen

de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, voorheen de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. R. Duisterhof, werkzaam bij verweerder.

1. Het procesverloop

Bij besluit van 12 februari 2010 heeft verweerder alle geiten (inclusief de bokken) op het bedrijf van appellante op grond van artikel 2, aanhef en onder b en c, van het Besluit verdachte dieren als verdacht van besmetting met Q-koorts aangemerkt. Daarbij heeft verweerder de maatregel tot doding van deze dieren opgelegd.

Bij besluit van 15 oktober 2010 heeft verweerder de hiertegen gerichte bezwaren ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: bestreden besluit) heeft appellante bij brief van

22 november 2010, bij het College binnengekomen op 24 november 2010, beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Op 8 september 2011 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Voor appellante zijn verschenen C en A. Verweerder is verschenen bij genoemde gemachtigde, bijgestaan door dr. C.J.M. Bruschke, bij verweerder werkzaam als eerste veterinair deskundige.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 In de Gwd is - voor zover van belang - het volgende bepaald:

" Artikel 15

(…)

2. Een besmettelijke dierziekte kan worden aangewezen, indien:

a. de ziekte zich snel kan uitbreiden, ernstige schade kan berokkenen aan de betrokken diersoort en niet of niet volledig kan worden voorkomen of bestreden met normale bedrijfsmiddelen;

(…)

c. de ziekte naar het oordeel van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een ernstig gevaar voor de volksgezondheid oplevert.

Artikel 21

1. Onze Minister besluit zo spoedig mogelijk tot het nemen van de door hem nodig geachte maatregelen tot bestrijding van een besmettelijke dierziekte.

Artikel 22

1. De in artikel 21 bedoelde maatregelen kunnen zijn:

(…)

d. het door het plaatsen van kentekenen besmet of van besmetting verdacht verklaren van gebouwen en terreinen;

(…)

f. het doden van zieke en verdachte dieren."

In het Besluit verdachte dieren is - voor zover van belang - het volgende bepaald:

"Artikel 2

Onze Minister besluit dieren als verdacht aan te merken, indien:

(…)

b. de dieren zich met zieke of verdachte dieren in dezelfde verblijfplaats bevinden of binnen de in artikel 3 genoemde termijn hebben bevonden dan wel binnen deze termijn daarmee in aanraking zijn geweest, of

c. Onze Minister redenen heeft om aan te nemen dat de dieren in de gelegenheid zijn geweest om te worden besmet, en de diersoort voor de betreffende besmettelijke dierziekte vatbaar is."

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder ac, van de Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s is Q-koorts als besmettelijke dierziekte als bedoeld in artikel 15 van de Gwd aangewezen.

2.2 Het College stelt allereerst vast dat, gelet op hetgeen appellante heeft aangevoerd, het geschil zich beperkt tot de vraag of verweerder terecht 966 drachtige lammeren als verdacht met Q-koorts heeft aangemerkt en of hij dientengevolge in redelijkheid de maatregel tot doding van deze dieren heeft opgelegd.

2.3 Volgens appellante zijn de lammeren niet in de gelegenheid geweest te worden besmet omdat deze dieren bij de geboorte schoon zijn opgevangen, daarna direct zijn weggehaald bij de moeder en vervolgens in een afzonderlijke stal op het bedrijf zijn gehuisvest. Het risico dat deze dieren besmet zouden zijn geraakt is verwaarloosbaar klein. Dit had voor verweerder acceptabel moeten zijn. Bovendien zijn deze dieren, die als Q-koorts vrij moeten worden beschouwd, gevaccineerd.

2.4 Naar het oordeel van het College heeft verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat hij, zoals bepaald in artikel 2, aanhef en onder c, Besluit verdachte dieren, redenen heeft aan te nemen dat de 966 drachtige lammeren van appellante in de gelegenheid zijn geweest te worden besmet met de bacterie die Q-koorts veroorzaakt.

Hiertoe overweegt het College het volgende.

2.4.1 Vast staat dat monsters afkomstig uit de tankmelk van appellante positief zijn getest op de aanwezigheid van de bacterie die Q-koorts veroorzaakt. Aangezien de Q-koortsveroorzakende bacterie zeer persistent is en jarenlang aanwezig kan zijn, kan niet worden bepaald op welk moment besmetting heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft zich, mede met het oog op het belang van de volksgezondheid, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de dieren in de gelegenheid zijn geweest te worden besmet. De stelling van appellante dat deze geiten bij de geboorte schoon zijn opgevangen en direct na de geboorte bij de moeder zijn weggehaald en gescheiden zijn opgefokt (in een afzonderlijke stal op het bedrijfsterrein van appellante), laat onverlet dat de bacterie overdraagbaar is van dier op dier via faeces en urine, en dat bij de partus miljoenen bacteriën en bij abortus miljarden bacteriën vrijkomen. Het door appellante in dit verband ter zitting genoemde percentage besmetting bij de geboorte, doet - wat daar ook van zij - er niet aan af dat er mogelijk dieren bij de geboorte besmet zijn geraakt, die vervolgens andere dieren hebben besmet.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder deze dieren terecht als verdachte dieren aangemerkt.

2.5 Voorts heeft verweerder in redelijkheid kunnen besluiten tot het opleggen van de maatregel van doding van deze dieren. Daartoe overweegt het College als volgt.

2.5.1 Blijkens het advies van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (hierna: RIVM) van 4 december 2009 wordt door de op dat moment gehanteerde bestrijding van de verspreiding van de Q-koortsveroorzakende bacterie - het verplicht vaccineren van alle melkgeiten- en schapenhouderijen in heel Nederland, vervoersbeperkingen voor besmette bedrijven om het ontstaan van nieuwe bronnen te voorkomen, hygiëne- en mestmaatregelen om verspreiding vanuit stallen naar de omgeving zoveel te beperken en een vervoersverbod - een daling verwacht van het aantal humane infecties in het zogenoemde vaccinatiegebied 2009. De vaccinatiecampagne heeft in dit gebied effect op het aantal abortussen bij de gevaccineerde dieren waardoor de uitscheiding afneemt. Niettemin is er toch nog blijkens dit advies sprake van verspreiding van de Q-koortsveroorzakende bacterie bij het normaal aflammeren van positieve dieren en zijn er bedrijven waar de vaccinatie te laat heeft plaatsgevonden.

Uit het advies van het Centraal Veterinair Instituut (hierna: CVI) van 13 december 2009 blijkt voorts dat uit studies bij geiten is aangetoond dat bij (niet-drachtige dieren) die al besmet zijn op moment van vaccinatie, het vaccin de uitscheiding van de Q-koortsveroorzakende bacterie niet voorkomt of reduceert.

Voorts blijkt uit het advies van het CVI van 13 december 2009 en uit het advies van het RIVM van 15 december 2009 dat het maken van een absoluut onderscheid tussen besmette en niet besmette dieren op gevaccineerde bedrijven niet mogelijk is omdat op basis van het onderzoek van één monster op een eenmalig tijdstip voor een abortus of een normale partus er een grote kans bestaat op vals-negatieve uitslagen.

Appellante heeft naar het oordeel van het College deze conclusies van de deskundigen niet, althans onvoldoende, bestreden. De enkele stelling van appellante dat uit de literatuur blijkt dat wel een onderscheid kan worden gemaakt tussen besmette en onbesmette dieren, heeft voor verweerder dan ook geen reden hoeven te vormen aan deze conclusies en het daarop gevolgde advies om ook gevaccineerde dieren te laten doden te twijfelen. De in dit verband aangevoerde stelling van appellante dat deze lammeren op moment van vaccinatie in 2008 en 2009 vrij waren van Q-koorts omdat het bedrijf van appellante met ingang van 12 februari 2010 besmet is verklaard, kan niet slagen, reeds nu het enkele opleggen van de maatregel tot besmetverklaring niet aangeeft wanneer de geiten feitelijk zijn geïnfecteerd met de Q-koortsveroorzakende bacterie.

Verweerder heeft dan ook in redelijkheid de maatregel tot doding kunnen opleggen.

2.6 Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

2.7 Het College ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. E.R. Eggeraat, mr. M. van Duuren en mr. G.P. Kleijn, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Beishuizen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 december 2011.

w.g. E.R. Eggeraat w.g. P.M. Beishuizen