Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2011:BU9152

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
07-12-2011
Datum publicatie
23-12-2011
Zaaknummer
AWB 10/130
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

kennelijke fout

GLB inkomenssteun

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 10/130 7 december 2011

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: mr. C.M.H. Cohen, werkzaam bij Accon Avm Juridisch advies B.V. te Arnhem,

tegen

de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, verweerder,

gemachtigde: mr. S.M. Oude Lage Venterink, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellant heeft bij faxbericht van 10 februari 2010 beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 31 december 2009, waarbij verweerder de bezwaren van appellant tegen het besluit van 5 november 2009 ongegrond heeft verklaard. Met dat laatste besluit heeft verweerder appellant een voorschot op de bedrijfstoeslag voor het jaar 2009 op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (hierna: Regeling) toegekend.

Bij brief van 30 maart 2010 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Op 18 november 2011 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Appellant is in persoon verschenen, vergezeld van zijn echtgenote. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Verordening (EG) nr. 796/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 en (EG) nr. 73/2009 van de Raad, en inzake de randvoorwaarden waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 479/2008 van de Raad luidde, voor zover en ten tijde van belang als volgt:

" Artikel 15

Wijziging van de verzamelaanvragen

1. Na de uiterste datum voor de indiening van de verzamelaanvraag mogen individuele percelen landbouwgrond (...) aan de verzamelaanvraag worden toegevoegd mits de in de betrokken steunregelingen gestelde eisen in acht worden genomen.

(...)

2. Onverminderd (...) worden overeenkomstig lid 1 (...) aangebrachte wijzigingen schriftelijk aan de bevoegde autoriteit meegedeeld uiterlijk op

31 mei (...) van het betrokken kalenderjaar (...).

(...)

Artikel 19

Verbetering van kennelijke fouten

Onverminderd de artikelen 11 tot en met 18, kan een steunaanvraag te allen tijde na de indiening ervan worden gecorrigeerd in geval van een kennelijke fout die door de bevoegde autoriteit wordt erkend. "

2.2 Het College gaat uit van de volgende feiten.

- Appellant heeft om uitbetaling van zijn toeslagrechten over 2009 verzocht en hiervoor 2 percelen met een totale oppervlakte van 12.33 hectare opgegeven.

- Bij het besluit van 5 november 2009 heeft verweerder het voorschot op de bedrijfstoeslag vastgesteld op € 7.377,94.

- In zijn bezwaar tegen dit besluit heeft appellant gesteld dat de aanvraag geen goede weergave is van hetgeen hij beoogde aan te vragen. Er is sprake van een kennelijke fout.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Met het bezwaarschrift doet appellant een verzoek tot aanpassing van de aanvraag. Dit verzoek kan, gelet op het moment waarop het wordt gedaan, alleen worden gehonoreerd indien sprake is van een kennelijke fout. Daarvan kan sprake zijn, indien de aanvraag een tegenstrijdigheid bevat, die op een vergissing wijst en het redelijkerwijs is uitgesloten dat de aanvraag overeenstemde met de werkelijke bedoeling van de aanvrager.

Appellant heeft voor slechts een klein gedeelte van zijn toeslagrechten (12,33 van 23,07) een aanvraag tot uitbetaling gedaan en daarvoor 12.33 hectaren (van de beschikbare 51.32 ha) opgegeven. De gewaspercelen met de nummers 2 tot en met 7 en 9 zijn niet aangekruist voor de uitbetaling van toeslagrechten. Hierdoor heeft appellant € 6.347,09 van totaal

€ 13.904,02 (op basis van 10,74 gewone toeslagrechten, zonder modulatiekorting) aan gewone toeslagrechten niet benut. Het verschil tussen het aangevraagde en hetgeen maximaal kon worden aangevraagd is niet zo groot, dat verweerder dit bij summier onderzoek direct had moeten opvallen. Er kon voor appellant een reden zijn om deze percelen niet voor uitbetaling in aanmerking te brengen. Onder deze omstandigheden was er geen aanleiding om de aanvraag van appellant als niet samenhangend te beschouwen.

4. Het standpunt van appellant

In de verzamelaanvraag heeft appellant aangegeven dat hij uitbetaling van toeslagrechten wenst op alle negen percelen zoals die zijn aangegeven op het overzicht gewaspercelen. Vermoedelijk is er bij het digitaal verwerken van het aanvraagformulier iets mis gegaan; appellant mag niet de dupe worden van complexiteit rondom het invullen en bewerken van formulieren. De kennelijke fout wordt geïllustreerd door het feit dat appellant op de verzamelaanvraag heeft aangegeven uitbetaling van alle toeslagrechten te wensen, maar feitelijk slechts een klein deel van de beschikbare toeslagrechten aanvraagt. Het verschil tussen hetgeen appellant heeft aangevraagd en hetgeen hij had kunnen aanvragen is dermate groot, dat het verweerder bij summier onderzoek direct had moeten opvallen dat sprake is van een incongruentie in de aanvraag.

Het besluit is in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het rechtszekerheids-, gelijkheids en zorvuldigheidsbeginsel.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College overweegt allereerst dat er in het onderhavige geval, buiten artikel 19 van verordening (EG) nr. 796/2004, rechtens geen herstelmogelijkheid bestaat. Dit betekent dat voor wijziging van appellants aanvraag om uitbetaling van bedrijfstoeslag voor 2009 alleen plaats is, indien sprake is van een kennelijke fout in de zin bedoeld artikel 19.

5.2 Met betrekking tot de aanwezigheid van een kennelijke fout overweegt het College, mede onder verwijzing naar zijn uitspraken van 2 oktober 2009 (LJN: BJ9418, BJ9420, BJ9441 en BJ9445), het volgende.

De Europese Commissie heeft met betrekking tot de vraag wanneer sprake is van een kennelijke fout een Werkdocument uitgebracht. Verweerder hanteert dit document bij de beoordeling van verzoeken om na de uiterste indieningstermijn nog wijzingen in een aanvraag te mogen aanbrengen. In vaste rechtspraak heeft het College deze benadering aanvaardbaar geacht.

Het College heeft het werkdocument eerder zo uitgelegd en samengevat, dat van een kennelijke fout als regel alleen kan worden gesproken indien verweerder bij een summier onderzoek bij ontvangst van de aanvraag had kunnen vaststellen dat de aanvraag waarschijnlijk geen goede weergave was van hetgeen de aanvrager beoogde aan te vragen.

Verweerder heeft op basis van het Werkdocument voor zichzelf als criterium geformuleerd dat slechts dan een kennelijke fout erkend kan worden, als sprake is van een tegenstrijdigheid in de aanvraag die wijst op een vergissing, terwijl het redelijkerwijs is uitgesloten dat de aanvraag conform de bedoeling van de aanvrager is ingevuld.

5.3 Ter beantwoording ligt de vraag voor of de aanvraag van appellant geacht kan worden een kennelijke fout in te houden nu hij blijkens de Gecombineerde opgave 2009 slechts voor 12,33 van de 23,07 ter beschikking staande toeslagrechten om uitbetaling heeft gevraagd.

Daarbij stelt het College, eveneens onder verwijzing naar zijn eerdergenoemde uitspraken van 2 oktober 2009, alsmede naar meer recente uitspraken van 2 juli 2010 (LJN: BN0914, LJN: BN0915, LJN: BN0919), voorop dat aangenomen kan worden dat landbouwers in beginsel een zo groot mogelijk deel van hun toeslagrechten willen laten uitbetalen. Aan de andere kant is het niet ondenkbaar dat er voor een landbouwer redenen kunnen zijn om bepaalde percelen niet op te geven, bijvoorbeeld omdat het in de bedoeling ligt om die percelen aan de bestemming als landbouwgrond te onttrekken. Het College kan verweerder in het algemeen volgen in de gedachte dat een landbouwer ervoor kan kiezen om bepaalde redenen geen steun aan te vragen en dat het niet aan verweerder is om zich in zijn motieven te verdiepen, zodat het niet of niet maximaal aanvragen van steun in beginsel niet als een kennelijk fout aangemerkt kan worden.

5.4 In dit specifieke geval is er voldoende reden om een kennelijke fout aan te nemen. Appellant heeft in de Gecombineerde opgave 2009 zonder voorbehoud opgegeven zijn toeslagrechten te willen laten uitbetalen, maar hij heeft daarbij voor een opvallend groot deel van de ter beschikking staande toeslagrechten (12,33 van 23,07) en hectaren (12.33 van 51.32) geen gebruik gemaakt. Appellant heeft slechts 2 van zijn percelen voor uitbetaling van toeslagrechten opgegeven en dus 7 op zich steunwaardige percelen niet. Hierdoor heeft appellant slechts € 7.377,94 van de totaalwaarde van de toeslagrechten van € 13.904,02 benut. Het verschil tussen hetgeen appellant heeft aangevraagd en hetgeen hij maximaal had kunnen aanvragen is zo groot - hij benut slechts 53% van hetgeen maximaal ter beschikking stond - dat het bij summier onderzoek direct in het oog had moeten vallen. Voorts moet het vrijwel uitgesloten worden geacht dat er voor appellant een reden bestond om uitsluitend 2 percelen van samen 12.33 ha voor uitbetaling van toeslagrechten in aanmerking te brengen en niet ten minste ook enige van de 7 niet voor uitbetaling opgegeven percelen van samen bijna 39 ha. Daarbij neemt het College mede in aanmerking dat appellant over veel meer grond beschikte dan nodig was om al zijn toeslagrechten te benutten. Verder is het onaannemelijk dat appellant een aanzienlijk deel van zijn grond in de loop van 2009 zodanig zou gaan benutten dat deze niet langer aan de voorwaarden voor uitbetaling van toeslagrechten zou voldoen.

Onder deze omstandigheden was er aanleiding de gegevens, opgenomen in de ingediende aanvraag in de zin van het Werkdocument als niet samenhangend aan te merken.

Dat levert voldoende grond op om aan te nemen dat de aanvraag waarschijnlijk geen goede weergave bevatte van hetgeen appellant beoogde aan te vragen.

In een dergelijk geval ligt het op de weg van verweerder om de aanvrager erop te wijzen dat hij de aanvraag niet conform zijn bedoelingen heeft ingevuld en hem de gelegenheid te bieden om de aanvraag desgewenst te wijzigen.

5.5 Nu appellant, zoals uit het voorgaande volgt, ten onrechte geen gelegenheid is geboden om zijn aanvraag te wijzigen, dient het beroep gegrond te worden verklaard. Verweerder zal opnieuw op het bezwaar van appellant moeten beslissen.

5.6 Het College ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht berekend op € 437,-- (beroepschrift 1 punt, wegingsfactor 1, bedrag per punt € 437,--).

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder opnieuw op het bezwaar van appellant beslist met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is

overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 437,-- (zegge: vierhonderdzevenendertig

euro);

- bepaalt dat verweerder appellant het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,-- (zegge: honderdvijftig euro)

zal vergoeden.

Aldus gewezen door mr. C.J. Waterbolk, in tegenwoordigheid van mr. E. van Kerkhoven als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 december 2011.

w.g. C.J. Waterbolk w.g. E. van Kerkhoven