Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2011:BU7293

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
30-11-2011
Datum publicatie
08-12-2011
Zaaknummer
AWB 09/312
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Vervolg op uitspraak DWT III (LJN: AZ5800). Uitleg van de in die uitspraak gegeven opdracht aan het Productschap Wijn. Vervolgens wordt geconcludeerd dat Productschap Wijn buiten die opdracht is getreden. Rechtsgevolgen kunnen wel in stand worden gelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 09/312 30 november 2011

4126 Heffing

Bestemmingsheffing wijn

Uitspraak in de zaak van:

Dutch Wine Traders B.V., te Utrecht,

Goessens Wijnimport B.V., te Maastricht,

Laurus N.V., te ’s-Hertogenbosch,

FG Roders B.V., te Rotterdam,

Metro Cash & Carry BV., h.o.d.n. Makro, te Diemen,

appellanten,

gemachtigde: mr. G.P. van Malkenhorst, werkzaam bij M&P/Bakkerberaad te Utrecht,

tegen

het Productschap Wijn, verweerder,

gemachtigden: mr. R.J.M. van den Tweel en mr. M.C. van Engelen, beiden advocaat te Den Haag.

1. De procedure

Appellanten hebben gezamenlijk beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 14 januari 2009 (hierna: het bestreden besluit).

Verweerder heeft dit besluit genomen ter uitvoering van de uitspraak van het College van 29 november 2006 in de zaken AWB 05/224 e.a., LJN: AZ5800.

Appellanten hebben de beroepsgronden aangevuld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 23 september 2011 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigden van partijen zijn verschenen. Voor verweerder zijn voorts verschenen A. Franken, J.N. Burghoorn en E.R. Kleijwegt.

2. Beoordeling van het geschil

2.1 In de uitspraak van 29 november 2006 heeft het College verweerder opdracht gegeven alsnog te beslissen op de bezwaren van appellanten ten aanzien van de heffingsverordeningen van het Productschap Tuinbouw voor zover daarover in die uitspraak nog niet definitief is beslist.

2.2 Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat de opdracht om opnieuw te beslissen ziet op de vraag of de Verordening (PT) algemene heffing vruchtenwijn 2002 en 2003 en de Verordening PT aanvullende financieringsheffing vruchtenwijn 2003 een bestemmingsheffing bevatten en ten onrechte niet door de betrokken ministers zijn goedgekeurd. Volgens verweerder betreffen deze verordeningen geen bestemmingsheffingen en behoefden daarom niet de goedkeuring van de betrokken minister(s). Deze verordeningen zijn op juiste wijze goedgekeurd en gepubliceerd en hebben derhalve verbindende kracht. Dat betekent dat ook de financieringsheffing van verweerder over de jaren 2002 en 2003 en de aanvullende financieringsheffing over het jaar 2003 verbindende kracht hebben. Van strijd met het discriminatieverbod van artikel 90 EG is geen sprake, omdat gelijksoortige vruchtenwijn gedurende die periode werd belast door de heffingen van het Productschap Tuinbouw.

Ter zitting heeft verweerder hier nog aan toegevoegd dat de vruchtenwijnproducenten geen rechtsmiddelen hebben aangewend tegen de aan hen door het Productschap Tuinbouw opgelegde heffingen. Van een situatie waarin zij niet en appellanten wel aan een heffing worden onderworpen, is dus geen sprake.

2.3 Appellanten zijn van mening dat verweerder ten onrechte alleen is ingegaan op de goedkeuring van de betreffende verordeningen van het Productschap Tuinbouw. Verweerder diende ook nog te beslissen op de andere destijds aangevoerde bezwaren tegen de heffingsverordeningen van het Productschap Tuinbouw. Wat de goedkeuring betreft stellen appellanten dat de heffingen in deze verordeningen van het Productschap Tuinbouw wel bestemmingsheffingen zijn, omdat zij zijn bestemd ter aanvulling van de financiële reserves van verweerder.

2.4 Het College oordeelt als volgt.

De door het College in de meergenoemde uitspraak van 29 november 2006 gegeven opdracht om te beslissen op de bezwaren ten aanzien van de heffingsverordeningen van het Productschap Tuinbouw vloeit voort uit overweging 5.4.3 van genoemde uitspraak. Daarin heeft het College het volgende overwogen.

"Het College heeft in overweging 5.10 van zijn uitspraak van 15 juni 2004 ten aanzien van gelijkluidende grieven tegen de verordeningen van het Productschap Tuinbouw als hierboven in overweging 4.5 weergegeven, geoordeeld dat verweerder daarop in de nieuwe beslissing op bezwaar gemotiveerd diende te beslissen. Het College stelt vast dat verweerder dit evenwel in de onderhavige bestreden besluiten, in strijd met artikelen 7:11 en 7:12 Awb, heeft nagelaten.(…)"

Overweging 5.10 van de uitspraak van 15 juni 2004 in de zaak AWB 02/1985, LJN: AQ5558) luidt als volgt:

"Bij het ter uitvoering van deze uitspraak nieuw te nemen besluit dient verweerder mede aandacht te besteden aan de door appellante betrokken – onder 4.10 van deze uitspraak weergegeven – stelling dat de heffingsverordeningen van het Productschap Tuinbouw niet op de vereiste wijze zijn goedgekeurd. Aan deze stelling zou, bij beantwoording van de vraag of art. 90 is nageleefd, immers betekenis kunnen toekomen ingeval vruchtenwijnproducenten de heffingen van het Productschap Tuinbouw over de heffingsperiode die thans aan de orde is (april 2002) in rechte nog bestrijden en op grond van het ontbreken van een of meer verbindende verordeningen (gedeeltelijk) in het gelijk gesteld zouden worden."

Uit het samenstel van de geciteerde rechtsoverwegingen volgt dat de opdracht van het College om een nieuwe beslissing op de bezwaren te nemen zich niet uitstrekte tot andere bezwaren dan die zijn geuit met betrekking tot de goedkeuring van de heffingsverordeningen van het Productschap Tuinbouw. Verder volgt uit deze citaten dat de stelling van appellanten ten aanzien van de goedkeuring van de heffingsverordeningen van het Productschap Tuinbouw dient ter onderbouwing van de stelling dat met betrekking tot de aan appellanten opgelegde heffingen sprake is van een met artikel 90 EG Verdrag (thans: artikel 110 VWEU) strijdige situatie en dat aan deze stelling alleen betekenis zou kunnen toekomen in geval de vruchtenwijnproducenten de heffingen van het Productschap Tuinbouw over de in geding zijnde periode hebben aangevochten en in die procedure in het gelijk zijn gesteld. Alleen dan zou er immers sprake kunnen zijn van een situatie waarin er mogelijk een ongerechtvaardigd verschil is tussen enerzijds producenten van vruchtenwijn en anderszijds producenten of importeurs van druivenwijn. Dat leidt tot de conclusie dat het beoordelen van de stelling met betrekking tot het ontbreken van de goedkeuring van de betreffende Verordeningen van het Productschap Tuinbouw alleen dient plaats te vinden in het geval de vruchtenwijnproducenten rechtsmiddelen hebben aangewend tegen de opgelegde heffingen van het Productschap Tuinbouw en daarbij in het gelijk zijn gesteld.

Ter zitting is gebleken dat de vruchtenwijnproducenten geen bezwaar hebben gemaakt tegen de bedoelde heffingen van het Productschap Tuinbouw. Dat betekent dat voor het beantwoorden van de vraag of de heffingsverordeningen van het Productschap Tuinbouw op de juiste wijze zijn goedgekeurd, in dit geding geen plaats meer was. Met het bestreden besluit waarin verweerder de goedkeuring van deze heffingsverordeningen van het Productschap Tuinbouw wel heeft beoordeeld, is verweerder derhalve buiten de door het College gegeven opdracht getreden.

2.5 Dat leidt tot de conclusie dat het beroep van appellanten gegrond is en het bestreden besluit moet worden vernietigd. Nu andere bezwaren van appellanten niet ter beoordeling door verweerder voorlagen, ziet het College aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten.

2.6 Het College acht termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Verweerder dient de kosten van de door gemachtigde van appellanten beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht, te vergoeden. Deze zijn vastgesteld op € 644,- (één punt voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor de zitting die heeft plaatsgevonden, tegen een waarde van € 322,- per punt, betreffende een zaak van gemiddeld gewicht, met vermenigvuldigingsfactor 1).

3. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 644,-- (zegge: zeshonderdvierenveertig

euro);

- bepaalt dat verweerder het door appellanten voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ad € 288,-- (zegge:

tweehonderdachtentachtig euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. M. Munsterman, mr. M. van Duuren en mr. C.J. Waterbolk, in tegenwoordigheid van mr. J.A. de Koning als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 november 2011.

w.g. M. Munsterman w.g. J.A. de Koning