Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2011:BU6741

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
24-11-2011
Datum publicatie
05-12-2011
Zaaknummer
AWB 11/459
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Vergoeding van proceskosten; geen aanleiding af te wijken van forfaitaire bedragen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(vijfde enkelvoudige kamer)

AWB 11/459 24 november 2011

11219 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Regeling dierenvervoer 2007

Uitspraak in de zaak van:

A B.V., te B, appellante,

gemachtigde: mr. B. Nijman, advocaat te Wageningen,

tegen

de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, verweerder,

gemachtigde: mr. G.A. Gankema, werkzaam bij verweerder.

1. Het procesverloop

Bij brief van 3 april 2008 heeft verweerder aan appellante medegedeeld dat de door appellante te exporteren dieren vanaf 2 april 2008 aan de klep gekeurd zullen worden.

Bij uitspraak van 28 augustus 2008 (AWB 08/520, www.rechtspraak.nl, LJN: BF0849) heeft de voorzieningenrechter van het College het verzoek van appellante om een voorlopige voorziening afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang en daarbij onder meer overwogen dat naar voorlopig oordeel de brief van 3 april 2008 een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

Bij besluit van 7 oktober 2008 heeft verweerder het tegen de beslissing van 3 april 2008 gerichte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en overwogen dat, ondanks het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, de overgang van stalkeuring naar klepkeuring een feitelijke handeling betreft die niet als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, Awb kan worden aangemerkt.

Bij uitspraak van 22 maart 2011 (AWB 08/756, www.rechtspraak.nl, LJN: BP9337) heeft het College het tegen dit besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, daarbij onder meer overwogen dat de beslissing van 3 april 2008 een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, Awb en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Bij besluit van 27 april 2011 (hierna: bestreden besluit) heeft verweerder aan die uitspraak uitvoering gegeven, het besluit van 3 april 2008 herroepen, het bezwaar, voor zover gericht tegen dit besluit, gegrond verklaard en de te vergoeden proceskosten bepaald op een bedrag van in totaal € 874,-.

Bij brief van 7 juni 2011, bij het College binnengekomen op 8 juni 2011, heeft appellante beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Bij brief van 12 juli 2011 heeft appellante de gronden van het beroep nader aangevuld.

Bij brief van 11 augustus 2011 heeft verweerder op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben toestemming verleend om met toepassing van artikel 8:57 Awb het onderzoek in de zaak te sluiten.

Bij griffiersbrief van 24 oktober 2011 heeft het College bericht dat het onderzoek in de zaak met toepassing van artikel 8:57, derde lid, Awb is gesloten en dat binnen zes weken na dagtekening van deze brief een uitspraak zal worden toegezonden.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Appellante komt in beroep uitsluitend op tegen de in het bestreden besluit opgenomen hoogte van de vergoeding van de proceskosten. Zij stelt zich op het standpunt dat in haar geval aanleiding bestaat om, vanwege bijzondere omstandigheden, af te wijken van de in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Besluit) opgenomen forfaitaire systeem. Daartoe voert appellante aan dat verweerder in het besluit van 27 april 2011 geen aanleiding heeft gezien het besluit van 3 april 2008 te handhaven, desondanks tot 27 april 2011 de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen dat besluit heeft gehandhaafd, terwijl verweerder wist dan wel behoorde te weten – in ieder geval na de uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 augustus 2008 – dat de brief van 3 april 2008 een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, Awb waartegen bezwaar openstond. Volgens appellante heeft verweerder hierdoor misbruik van recht gemaakt, waardoor appellante veel kosten heeft moeten maken. Die kosten heeft appellante begroot op € 22.020,- aan advocaatkosten en € 2.336,- aan griffiegelden. Door gegrondverklaring van het bezwaar en het beroep is € 1.518,- aan advocaatkosten en € 288,- aan griffiegelden vergoed. Vanwege het zeer onzorgvuldig handelen door verweerder dienen ook de overige kosten te worden vergoed, aldus appellante.

2.3 Het College dient de vraag te beantwoorden of in dit geval aanleiding bestaat om vanwege bijzondere omstandigheden af te wijken van de in het Besluit (en de bijlage bij het Besluit) opgenomen forfaitaire bedragen. Daartoe overweegt het College als volgt.

In de in de Awb en het Besluit neergelegde systematiek van vergoeding van kosten van rechtsbijstand geldt als uitgangspunt dat de hoogte van deze vergoeding wordt bepaald op grond van het in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, Besluit juncto de bijlage bij dat Besluit opgenomen forfaitaire systeem. Ingevolge het derde lid van artikel 2 Besluit kan in bijzondere omstandigheden van dit systeem van forfaitaire bedragen worden afgeweken. Blijkens de nota van toelichting bij het Besluit (Stb. 1993, 763) is deze mogelijkheid tot afwijking bedoeld voor uitzonderlijke gevallen waarin strikte toepassing van de regeling onrechtvaardig uitpakt, bijvoorbeeld een geval waarin de burger door gebrekkige informatieverstrekking door de overheid op uitzonderlijk hoge kosten voor het verzamelen van het benodigde feitenmateriaal is gejaagd.

Naar het oordeel van het College is in het geval van appellante geen sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan aanleiding bestaat af te wijken van het systeem van forfaitaire bedragen. Het feit dat verweerder het primaire besluit van 3 april 2008 heeft herroepen, is grond voor een proceskostenveroordeling overeenkomstig de in het Besluit neergelegde systematiek, maar op zichzelf niet aan te merken als een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 2, derde lid, Besluit. Dat verweerder het besluit van 3 april 2008 en de niet-ontvankelijkverklaring van het tegen dat besluit gerichte bezwaar heeft gehandhaafd, hoewel hij zich van de onjuistheid daarvan bewust was dan wel behoorde te zijn, is niet aannemelijk gemaakt. Daarvoor is niet voldoende dat de voorzieningenrechter reeds had overwogen dat de brief van 3 april 2008 een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, Awb, nu daarmee slechts een voorlopig oordeel is gegeven. Eveneens is daarvoor onvoldoende de omstandigheid dat verweerder aanleiding heeft gezien gebruik te maken van de bevoegdheid het besluit van 3 april 2008, nadat het besluitkarakter daarvan is vast komen te staan, (alsnog) te herroepen. Voorts is door appellante ook niet aannemelijk gemaakt dat de handelwijze en besluitvorming van verweerder haar dwongen tot het inroepen van rechtshulp waar een uitzonderlijke tijdsbesteding mee was gemoeid en dat zij derhalve door toedoen van verweerder op uitzonderlijk hoge kosten is gejaagd.

Naar het oordeel van het College heeft verweerder, aangezien appellante voor het overige de hoogte van de vergoeding van de proceskosten niet heeft bestreden, deze kosten dan ook terecht bepaald op een bedrag van in totaal € 874,-.

2.4 Het voorgaande brengt het College tot de slotsom dat het beroep van appellante niet slaagt, zodat het ongegrond moet worden verkaard.

2.5 Voor een veroordeling in de proceskosten of een vergoeding van het betaalde griffierecht bestaat geen aanleiding.

3. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M.M. Smorenburg, in tegenwoordigheid van mr. P.H. Broier als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 november 2011.

w.g. M.M. Smorenburg w.g. P.H. Broier