Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2011:BU6729

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
25-11-2011
Datum publicatie
05-12-2011
Zaaknummer
AWB 10/91
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Verordening PT Vakheffing Bloemkwekerijproducten

Verzoek om besluit tav verschuldigde heffing 1999 t/m 2006

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 10/91 25 november 2011

4240 Heffing

Bloemkwekerijheffing

Uitspraak in de zaak van:

Fa. A, en 101 anderen, appellanten,

gemachtigde: mr. G.P. van Malkenhorst, werkzaam bij Bakkerberaad te Utrecht,

tegen

het Productschap Tuinbouw, verweerder,

gemachtigden: mr. M.L. Batting en mr. R.J.M. van den Tweel, beiden advocaat te Den Haag.

1. De procedure

Appellanten hebben bij brief van 25 januari 2010, bij het College binnengekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 16 december 2009.

Bij dit besluit heeft verweerder bezwaren van appellanten tegen de weigering van verweerder om een definitieve aanslag op te leggen over de jaren 1999 t/m 2006, ongegrond verklaard.

Bij brief van 25 februari 2010 hebben appellanten de beroepsgronden aangevuld.

Bij brief van 31 mei 2010 heeft verweerder stukken toegezonden. Bij brief van 7 juni 2010 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 16 augustus 2011 hebben appellanten de beroepsgronden nader aangevuld.

Bij brief van 31 augustus 2011 heeft verweerder hierop gereageerd en nadere stukken overgelegd.

Op 14 september 2011 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij gemachtigden van partijen zijn verschenen. Namens verweerder is tevens mr. Th. Keizer verschenen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Artikel 6:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) luidde, voor zover hier van belang, tot 1 oktober 2009, als volgt:

?1. Indien het bezwaar of beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, is het niet aan een termijn gebonden.

(…)

3. Het bezwaar of beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard indien het bezwaar- of beroepschrift onredelijk laat is ingediend.?

De Verordening PT vakheffing bloemkwekerijproducten (hierna: Verordening) 2000 bevat onder meer de volgende bepalingen:

?Artikel 2

1. De kweker, onderscheidenlijk de importeur, is over de door hem verhandelde, voor zover door hem gekweekte, onderscheidenlijk door hem geïmporteerde bloemkwekerijproducten of geïmporteerd uitgangsmateriaal, een heffing verschuldigd.

(…)

3. De heffing (…) wordt opgelegd bij wege van een aanslag (…).?

? Artikel 7

1. De oplegging van de krachtens deze verordening verschuldigde heffing vindt plaats na afloop van het jaar waarover de heffing verschuldigd is en geschiedt door toezending of uitreiking aan de heffingsplichtige van een heffingsnota.

(…)?

?Artikel 11

Een kweker, onderscheidenlijk een importeur van bloemkwekerijproducten wordt geacht, indien hij door hem gekweekte, onderscheidenlijk geïmporteerde bloemkwekerijproducten of teeltmateriaal door tussenkomst van een veiling verhandelt, aan zijn verplichtingen als bedoeld in artikel 2 ten aanzien van de op vorenbedoelde wijze verhandelde producten te hebben voldaan, indien hij de desbetreffende veiling heeft gemachtigd namens hem aan het productschap de door hem verschuldigde heffing te voldoen en deze heffing door het productschap is ontvangen.?

De Verordeningen 1997, 2001 tot en met 2005 en de Verordening 2006, zoals gewijzigd door de Wijziging Verordening PT vakheffing bloemkwekerijproducten 2006, bevatten soortgelijke bepalingen. Voornoemde verordeningen worden hierna ook gezamenlijk aangehaald als: Verordeningen.

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellanten zijn verkopers van bloemkwekerijproducten. De veiling heeft over transacties van appellanten via de veiling heffing ingehouden.

- Bij brief van 16 september 2009 hebben appellanten verzocht om een besluit ten aanzien van de vaststelling van het definitief verschuldigde bedrag aan heffingen over de jaren 1999 tot en met 2006.

- Bij brief van 13 oktober 2009 heeft verweerder dit verzoek afgewezen.

- Bij brief van 15 oktober 2009 hebben appellanten hiertegen bezwaar gemaakt.

Op 5 november 2009 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en het nadere standpunt van verweerder

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellanten ongegrond verklaard, kortgezegd omdat verweerder geen aanleiding ziet om de opgelegde heffing te herzien en voorts omdat verweerder niet verplicht is om aan appellanten een eindnota op te leggen.

In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder zich nader op het standpunt gesteld dat appellanten de door hen verschuldigde heffing hebben afgedragen via de veiling. In die gevallen kon op vereenvoudigde wijze aangifte worden gedaan. In de Verordeningen over deze jaren is steeds een bepaling opgenomen waaruit volgt dat de heffingsplichtige aan zijn heffingsplicht heeft voldaan indien hij handelt via de veiling, de desbetreffende veiling de heffing heeft ingehouden, en de heffing is ontvangen door het productschap. In de jaren 1999 tot en met 2006 is het, mede gelet op deze bepaling, vaste praktijk geweest geen eindnota meer te versturen indien een bedrijfsgenoot volledig via de veiling handelde. Verweerder meende dat in die gevallen het toesturen van een nulnota zonder toegevoegde waarde was, omdat op de veilingnota’s al uitdrukkelijk stond vermeld hoeveel was afgedragen. Appellanten waren van die praktijk op de hoogte en wisten dat zij via de veiling op basis van een bestuursrechtelijke grondslag afdroegen.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat een aantal ondernemingen eindnota’s heeft ontvangen en dus geen belang heeft bij het beroep. Ondernemingen die zowel via de veiling als buiten de veiling om handelden hebben een eindnota ontvangen, waarin zowel het gedeelte aan heffing dat zij via de veiling hebben afgedragen als het gedeelte van de heffing via handel buiten de veiling om is opgenomen. Daarnaast zijn er appellanten die in sommige jaren wel en in andere jaren geen eindnota’s ontvingen. In de jaren waarin zij ook buiten de veiling om handelden, hebben zij eindnota’s van het productschap ontvangen.

Bij de brief van 31 augustus 2011 heeft verweerder een overzicht gevoegd waarop over de in geding zijnde periode is aangegeven welke appellanten wanneer een eindnota van verweerder hebben ontvangen en wanneer niet.

Met betrekking tot de appellanten die geen eindnota hebben ontvangen betoogt verweerder als volgt. Deze verzoeken zijn onredelijk laat ingediend. Het verzoek van appellanten moet gelijk worden gesteld aan een bezwaar tegen het niet tijdig beslissen als bedoeld in 6:12 Awb. Ingevolge het derde lid van dit artikel dient een dergelijk bezwaar niet-ontvankelijk te worden verklaard indien het onredelijk laat is ingediend. Appellanten hadden tijdig moeten verzoeken om eindnota’s. Appellanten meenden dat zij aan het eind van het jaar nog een eindnota zouden moeten krijgen. Het had op de weg van appellanten gelegen tijdig na te gaan of zij tegen de veilingnota’s op moesten komen of dat zij bezwaar konden maken tegen een eindnota. Appellanten hebben ten aanzien van de eerst opgelegde heffing zo’n tien jaar gewacht en ten aanzien van de laatst opgelegde heffing zo’n drie jaar.

De nota’s zijn verzonden via de veiling. Daarmee wisten appellanten dat zij heffing aan verweerder afdroegen; dit stond aangegeven op de veilingnota's. Verweerder kan niet worden verplicht thans nog een definitieve eindnota op te leggen, waarmee de mogelijkheid van bezwaar en beroep tegen opgelegde heffingen zou herleven. Dat zou ingaan tegen het beginsel van formele rechtskracht. Het verzoek is derhalve terecht afgewezen.

Daarnaast stelt verweerder zich op het standpunt dat in ieder geval niet aan het verzoek behoeft te worden voldaan voor zover de heffingen langer dan vijf jaar geleden zijn opgelegd. Het gaat dan om heffingen die zijn opgelegd voor 16 september 2004. De vorderingen ten aanzien van heffingen die daarvoor zijn opgelegd zijn verjaard. Appellanten waren bekend met het feit dat zij heffingen afdroegen en hadden dit binnen vijf jaar moeten terugvorderen.

4. Het standpunt van appellanten

Appellanten hebben, samengevat en voor zover thans nog van belang, het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van de in het verweerschrift ingenomen stelling dat het verzoek om een aanslag onredelijk laat zou zijn gedaan, betogen appellanten dat verweerder voorbijgaat aan het feit dat een aanslag niet op verzoek van een heffingplichtige wordt gedaan, maar dat het een verplichting is waaraan verweerder zelfstandig, op grond van de heffingsverordening, gevolg moet geven. Aangezien er geen wettelijke termijn is voor het opleggen van een definitieve heffingsnota, mochten appellanten gedurende (vermoedelijk) een termijn van vijf jaar een heffingsnota verwachten. In deze periode rustte geen verplichting op appellanten om zelf om een definitieve aanslag te vragen. Nu verweerder geen heffingsnota heeft gestuurd dient het voorschot terugbetaald te worden. Indien verweerder afziet van een heffingsnota kunnen appellanten om terugvordering van het betaalde voorschot vragen. Omdat de op voorschot betaalde bedragen op zijn vroegst op het moment van de verjaring als onverschuldigd betaald kunnen worden beschouwd, hebben appellanten daarna een termijn van vijf jaar om terugvordering te eisen. Appellanten hebben binnen deze periode verzocht om aanslagen.

Overigens is verweerder in individuele gevallen ook al eerder gewezen op zijn verplichting, bijvoorbeeld bij brief van 9 mei 2008. Appellanten wijzen tevens op de uitspraak van het College van 11 mei 2011 (AWB 09/675, LJN: BQ6053) inzake een verzoek om heffingsnota's in de bollensector.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College overweegt dat het door verweerder op 31 augustus 2011 overgelegde overzicht tussen partijen niet in geschil is. De gemachtigde van appellanten heeft ter zitting verklaard dat kan worden uitgegaan van de juistheid van dit overzicht.

Uit dit overzicht en de daarop door verweerder in de brief van 31 augustus 2011 gegeven toelichting blijkt dat een deel van de appellanten voor alle of een deel van de in geding zijnde jaren reeds een eindnota heeft gehad. In deze gevallen is zowel via de veiling als buiten de veiling om gehandeld. Voor een aantal appellanten geldt dat zij niet op het overzicht zijn opgenomen. Zij hebben geen eindnota's ontvangen omdat zij (in de in geding zijnde jaren) niet hefffingsplichtig waren ten aanzien van de bloemkwekerijheffing.

Verweerder heeft het verzoek om een eindnota in al deze gevallen terecht afgewezen.

5.2 Het geschil is derhalve beperkt tot de appellanten die (en de jaren waarin zij) geen eindnota hebben ontvangen omdat zij uitsluitend via de veiling hebben gehandeld. Het College overweegt dat deze appellanten in zoverre in beginsel recht hebben op een eindnota, nu de heffing ingevolge de Verordeningen wordt opgelegd bij wege van een aanslag en geschiedt na afloop van het heffingsjaar door toezending of uitreiking van een heffingsnota aan de heffingsplichtige.

Nu appellanten de eindnota niet kregen, hadden zij - indien zij wel een eindnota wilden ontvangen - na afloop van het heffingsjaar binnen een redelijke termijn hierom moeten verzoeken dan wel bezwaar moeten maken tegen het uitblijven van een besluit. Op grond van artikel 6:12, derde lid, Awb wordt zo'n bezwaar niet-ontvankelijk verklaard indien het onredelijk laat is ingediend.

Het College is van oordeel dat in het onderhavige geval het verzoek van 16 september 2009 onredelijk laat is ingediend voor de jaren in geding. Hierbij is van belang dat appellanten aangifte hebben gedaan van de verhandelde bloemkwekerijproducten. Op het aangifteformulier hebben zij aangegeven dat zij uitsluitend via de veiling handelden. Appellanten waren derhalve op de hoogte van de afdracht van de heffing. Daarnaast waren zij bekend met, dan wel dienden zij op de hoogte te zijn van de systematiek van de Verordeningen, waarbij de heffing wordt opgelegd na afloop van het jaar waarop de heffing betrekking heeft. Tevens is daarin bepaald dat de heffingsplichtige aan zijn verplichtingen ten aanzien van de via de veiling verhandelde producten heeft voldaan indien hij de heffing via de veiling aan verweerder heeft afgedragen. Gelet op de jarenlange praktijk van verweerder om in deze gevallen geen eindnota’s te sturen konden appellanten weten dat een eindnota niet zou volgen. Het College volgt appellanten dan ook niet in hun stelling dat zij zoveel jaren mochten wachten met hun verzoek om een eindnota.

5.3 Het nadere standpunt van verweerder in het verweerschrift en ter zitting wijkt af van de motivering die verweerder ten grondslag heeft gelegd aan het bestreden besluit. Deze inconsistentie leidt het College tot het oordeel dat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, Awb niet berust op een deugdelijke motivering. Dit betekent dat het beroep gegrond dient te worden verklaard. Het College ziet aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten, nu verweerder de motivering van het besluit in het verweerschrift en ter zitting heeft aangepast.

5.4 Het College acht termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Dit zijn de kosten van de door hun gemachtigde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, die met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn vastgesteld op € 874,- (één punt voor het indienen van de (aanvullende) beroepschriften en één punt voor de zitting, tegen een waarde van € 437,- per punt, met vermenigvuldigingsfactor 1).

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb;

- laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand;

- veroordeelt verweerder in de door appellanten gezamenlijk gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 874,- (zegge:

achthonderdvierenzeventig euro);

- bepaalt dat verweerder het door appellanten betaalde griffierecht van € 297,- (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro)

vergoedt.

Aldus gewezen door mr. R.F.B. van Zutphen, mr. C.J. Waterbolk en mr. M.M. Smorenburg, in tegenwoordigheid van mr. J.A. de Koning als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 november 2011.

w.g. R.F.B. van Zutphen w.g. J.A. de Koning