Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2011:BU6287

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
23-11-2011
Datum publicatie
30-11-2011
Zaaknummer
AWB 11/778
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

GLB. Zoogkoeienpremie. (Herhaald) verzoek om herziening

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2012/40

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 11/778 23 november 2011

50002

Uitspraak op het verzoek om herziening van:

A, te B, verzoeker, van de uitspraak van het College van 13 juli 2011, met kenmerk AWB 09/1262 en 09/1263, in het geschil tussen verzoeker en

de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (de staatssecretaris).

1. Het procesverloop

Bij brief van 28 september 2011 heeft verzoeker het College verzocht om de uitspraak van 13 juli 2011 (uitspraak 2) herzien.

Bij deze uitspraak heeft het College - voor zover hier van belang - het verzoek om herziening van de uitspraak van het College van 31 oktober 2008 met kenmerk AWB 04/1080 (uitspraak 1) afgewezen.

Bij uitspraak 1 heeft het College het beroep van verzoeker tegen een besluit van de staatssecretaris van 26 oktober 2004 ongegrond verklaard.

Op 17 november 2011 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij verzoeker is verschenen. De staatssecretaris heeft zich met bericht niet laten vertegenwoordigen.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Voor een overzicht van het geschil verwijst het College naar de hierboven genoemde uitspraken. Het College leest het verzoek om herziening van uitspraak 2 verder zo, dat het beoogt een herziening van uitspraak 1 te bewerkstelligen.

2.2 In zijn verzoek om herziening keert verzoeker zich tegen de manier waarop het College beredeneert waarom het ervan uitgaat dat verzoeker de aankondigingsbrief van de staatssecretaris uiterlijk op 13 april 2002 heeft ontvangen. Verzoekers betoog komt erop neer dat niet onomstotelijk is vastgesteld dat de aankondigingsbrief op 11 april 2002 ter post is bezorgd noch dat hij de brief uiterlijk 13 april 2002 heeft ontvangen.

2.3 Het College is van oordeel dat verzoeker hiermee geen nieuw feit in de zin van artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) naar voren heeft gebracht. Dat de datum van de orderbevestiging niet noodzakelijkerwijs overeenkomt met de datum van aanbieding ter verzending is geen nieuw feit, maar slechts een argument tegen de conclusie van het College dat die orderbevestiging in dit geval wel een vermoeden omtrent de datum van aanbieding oplevert. Dat er naast deze orderbevestiging - anders dan het College heeft overwogen - niet ook nog facturen of andere orderbevestigingen zijn, is ook een argument en geen nieuw feit. Ten slotte is het gegeven dat niet 100% van de aangeboden post op tijd wordt bezorgd een feit van algemene bekendheid - zoals verzoeker zelf ook aangeeft - en dus ook niet nieuw.

Voor de goede orde wordt nog opgemerkt dat het College in uitspraak 2 niet heeft geoordeeld dat onomstotelijk vaststaat dat verzoeker de brief op 13 april 2002 heeft ontvangen, maar slechts dat verzoeker het vermoeden van ontvangst niet heeft kunnen ontzenuwen, zodat het College van 13 april 2002 als uiterste ontvangstdatum uitgaat.

2.4 Het voorgaande betekent dat artikel 8:88, eerste lid, Awb geen ruimte laat om het verzoek om herziening toe te wijzen. Het verzoek zal dus worden afgewezen.

2.5 Verzoeker heeft voorts aangegeven dat, als herziening niet tot de mogelijkheden behoort, hij dan herstel van uitspraak 2 wenst. Het College overweegt dat van een kennelijke misslag in deze uitspraak geen sprake is. Er bestaat dus geen aanleiding om tot herstel over te gaan.

2.6 Voor vergoeding van de door verzoeker gemaakte proceskosten ziet het College geen aanleiding.

3. De beslissing

Het College wijst het verzoek om herziening af.

Aldus gewezen door mr. R.C. Stam, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van Veen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 november 2011.

w.g. R.C. Stam w.g. M.J. van Veen