Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2011:BU5649

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
27-10-2011
Datum publicatie
24-11-2011
Zaaknummer
AWB 10/926
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

UBN niet bepalend voor besmetverklaring twee lokaties

Q-koorts

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 10/926 27 oktober 2011

11230 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Besluit verdachte dieren

Uitspraak in de zaak van:

X, te Y, appellant,

gemachtigde: mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis,

tegen

de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, voorheen de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. R. Duisterhof, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 31 augustus 2010, bij het College binnengekomen op diezelfde datum, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 23 juli 2010.

Bij dit besluit heeft verweerder de bezwaren van appellant, gericht tegen de besluiten van 27 november 2009 en 16 december 2009, ongegrond verklaard. Bij besluit van 27 november 2009 heeft verweerder het bedrijf van appellant met toepassing van artikel 22, eerste lid, aanhef en onder d, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: Gwd) met ingang van 12 november 2009 met Q-koorts besmet verklaard. Bij besluit van 16 december 2009 heeft verweerder alle geiten op het bedrijf van appellant met toepassing van artikel 2, aanhef en onder b en c, van het Besluit verdachte dieren, met ingang van 16 december 2009 als verdacht van Q-koorts aangemerkt. Bij dit besluit heeft verweerder onder meer, met toepassing van artikel 22, eerste lid, aanhef en onder f, Gwd de maatregel van doding van alle verdachte drachtige geiten en mannelijke geiten op het bedrijf van appellant opgelegd.

Bij brief van 6 oktober 2010 heeft appellant de gronden van het beroepschrift aangevuld.

Bij brief van 6 december 2010 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 1 september 2011 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant, bijgestaan door zijn gemachtigde, is verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Voor verweerder is voorts verschenen dr. C.J.M. Bruschke, bij verweerder werkzaam als eerste veterinair deskundige.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 In de Gwd is - voor zover van belang - het volgende bepaald:

" Artikel 15

(…)

2. Een besmettelijke dierziekte kan worden aangewezen, indien:

a. de ziekte zich snel kan uitbreiden, ernstige schade kan berokkenen aan de betrokken diersoort en niet of niet volledig kan worden voorkomen of bestreden met normale bedrijfsmiddelen;

(…)

c. de ziekte naar het oordeel van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een ernstig gevaar voor de volksgezondheid oplevert.

Artikel 21

1. Onze Minister besluit zo spoedig mogelijk tot het nemen van de door hem nodig geachte maatregelen tot bestrijding van een besmettelijke dierziekte.

Artikel 22

1. De in artikel 21 bedoelde maatregelen kunnen zijn:

(…)

d. het door het plaatsen van kentekenen besmet of van besmetting verdacht verklaren van gebouwen en terreinen;

(…)

f. het doden van zieke en verdachte dieren."

In het Besluit verdachte dieren is - voor zover van belang - het volgende bepaald:

"Artikel 2

Onze Minister besluit dieren als verdacht aan te merken, indien:

(…)

b. de dieren zich met zieke of verdachte dieren in dezelfde verblijfplaats bevinden of binnen de in artikel 3 genoemde termijn hebben bevonden dan wel binnen deze termijn daarmee in aanraking zijn geweest, of

c. Onze Minister redenen heeft om aan te nemen dat de dieren in de gelegenheid zijn geweest om te worden besmet, en de diersoort voor de betreffende besmettelijke dierziekte vatbaar is."

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder ac, van de Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s is Q-koorts als besmettelijke dierziekte als bedoeld in artikel 15 van de Gwd aangewezen.

2.2 De geitenhouderij van appellant is gevestigd op twee locaties, locatie A en locatie B, te Y. Op locatie A worden geiten voor de melkproductie gehouden, op locatie B worden jonge geiten opgefokt totdat zij voor de melkproductie kunnen worden ingezet. De twee locaties liggen op ongeveer anderhalve kilometer van elkaar. Beide locaties zijn geregistreerd onder hetzelfde UBN (unieke bedrijfsnummer). De besluiten van verweerder betreffen beide locaties. Appellant bestrijdt met name dat verweerder aanleiding kon vinden (ook) locatie B besmet te verklaren en de daar aanwezige opfokgeiten verdacht te verklaren en te laten doden. Volgens appellant is er geen samenhang tussen beide locaties.

2.3 Naar het oordeel van het College heeft verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat hij, zoals bepaald in artikel 2, aanhef en onder c, Besluit verdachte dieren, redenen heeft aan te nemen dat de dieren van appellant die zich bevonden op locatie B in de gelegenheid zijn geweest te worden besmet met de bacterie die Q-koorts veroorzaakt.

Hiertoe overweegt het College het volgende.

Vast staat dat monsters afkomstig uit de tankmelk van locatie A vanaf najaar 2009 positief zijn getest op de aanwezigheid van de bacterie die Q-koorts veroorzaakt. Voorts is tussen partijen niet in geschil dat ongeveer een derde deel van de dieren die ten tijde van belang verbleven op locatie B, zijn geboren op locatie A. Aangezien de Q-koortsveroorzakende bacterie zeer persistent is en jarenlang aanwezig kan zijn, kan niet worden bepaald op welk moment besmetting heeft plaatsgevonden en heeft verweerder zich, ondanks de omstandigheid dat deze dieren in het lammerseizoen

2008-2009 zijn geboren, met in achtneming van het, met het oog op het belang van de volksgezondheid, gehanteerde voorzorgsprincipe, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de dieren in de gelegenheid zijn geweest te worden besmet. De stelling dat de geiten direct na de geboorte bij de moeder zijn weggehaald en als nuchtere lammeren naar locatie B zijn gebracht, laat onverlet dat de bacterie overdraagbaar is van dier op dier via faeces en urine, en dat bij de partus miljoenen bacteriën en bij abortus miljarden bacteriën vrijkomen. Naar het oordeel van het College is het zeker niet uitgesloten dat op locatie A geboren lammeren bij de geboorte besmet zijn geraakt.

2.3.1 De stelling van appellant dat de dieren op locatie B zijn gevaccineerd kan evenmin aan het oordeel af doen. Gebleken is immers dat het vaccin is toegediend nadat de Q-koortsveroorzakende bacterie in de tankmelk op locatie A was aangetroffen. Uit het advies van het Centraal Veterinair Instituut (hierna: CVI) van 13 december 2009 blijkt dat toepassing van het vaccin bij besmette dieren, de uitscheiding van de Q-koortsveroorzakende bacterie niet voorkomt of reduceert, alsmede dat vaccinatie het meest effectief is in niet-besmette kuddes, met name bij niet drachtige dieren.

Dat verweerder bij kinderboerderijen volgens appellant een ander beleid heeft gehanteerd, doet aan het vorenstaande niet aan af. Bovendien is volgens verweerder, blijkens zijn brieven aan de Tweede Kamer van 6 januari 2010 en 26 januari 2010 (TK 2009-2010 28 286 nr. 353 en nr. 373), uit advies van deskundigen gebleken dat geen epidemiologische aanwijzingen zijn waaruit blijkt dat kinderboerderijen en andere kleine bedrijven een hoog risico vormen voor de volksgezondheid. Uit onderzoeksgegevens blijkt dat op kinderboerderijen in Nederland slechts zeer zelden de Q-koortsveroorzakende bacterie wordt aangetoond.

De stelling van appellant dat het aan verweerder te wijten is dat het vaccin niet eerder voorhanden was, heeft appellant niet onderbouwd, nog daargelaten welke betekenis daaraan in dit kader zou kunnen worden toegekend.

2.3.2 Ook de omstandigheid dat verweerder geen nader onderzoek heeft gedaan op locatie B kan niet tot een ander oordeel leiden. Op locatie B was geen tankmelk aanwezig, zodat verweerder geen PCR-test kon laten uitvoeren. Een bloedtest of swab biedt, zoals verweerder aannemelijk heeft gemaakt, onvoldoende houvast voor de vaststelling van de status van de dieren. Met bloedmonsters kan enkel het al dan niet aanwezig zijn van antistoffen worden aangetoond, maar kan niet worden vastgesteld of de bacterie in het bloed aanwezig is. Het niet aanwezig zijn van antistoffen betekent echter niet dat het betreffende dier niet besmet is. Een bloedmonster geeft derhalve geen uitsluitsel over het al dan niet besmet zijn.

Voor de stelling dat verweerder het onderzoek van vaginaal swabs bij de dieren op locatie B, bewust ten nadele van appellant, achterwege heeft gelaten, bestaat geen grondslag. Voorts heeft appellant niet aannemelijk gemaakt welke andere onderzoeksmogelijkheden verweerder tot zijn beschikking had om duidelijkheid te krijgen over de aanwezigheid van de Q-koortsveroorzakende bacterie op locatie B.

2.3.3 Voorts hebben de dieren, afkomstig van locatie A, zich op locatie B vermengd met de overige dieren op locatie B (die zijn aangevoerd van andere bedrijven). Gelet op het feit dat de Q-koortsveroorzakende bacterie overdraagbaar is van dier op dier via faeces en urine, heeft verweerder ten aanzien van de groep dieren op locatie B, kunnen aannemen dat zij in de gelegenheid zijn geweest besmet te worden.

2.3.4 Naar het oordeel van het College is derhalve de feitelijke situatie, met in achtneming van de op dat moment geldende veterinaire inzichten, doorslaggevend geweest voor het standpunt van verweerder dat hij redenen heeft aan te nemen dat de dieren op locatie B waren besmet. De stelling van appellant dat alleen om administratieve redenen, omdat beide locaties onder hetzelfde UBN zijn geregistreerd, de dieren op locatie B verdacht zijn verklaard met Q-koorts, acht het College dan ook onjuist. Evenmin ziet het College aanleiding voor de conclusie dat verweerder in strijd met zorgvuldigheids- en gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur heeft besloten tot verdachtverklaring en doding van de dieren van appellant.

2.3.5 Het College is dan ook van oordeel dat verweerder de dieren van appellant terecht als verdacht met Q-koorts heeft aangemerkt. Voorts heeft verweerder, met het oog op zijn bevoegdheid tot het nemen van de door hem nodig geachte maatregelen tot bestrijding van deze besmettelijke dierziekte, in redelijkheid de maatregelen tot doding van de verdachte dieren en besmetverklaring van het bedrijf van appellant op kunnen leggen.

2.4 De stellingen van appellant dat verweerder ten onrechte niet de gehele schade aan appellant heeft vergoed en verweerder ten onrechte geen vergoeding voor de te laten testen bokken heeft toegekend, kunnen niet slagen. Onder verwijzing naar zijn vaste jurisprudentie, zoals onder andere neergelegd in zijn uitspraak van 7 januari 2003 (LJN AF2740), overweegt het College dat de artikelen 85 tot en met 91 Gwd voorzien in afzonderlijke besluiten inzake het verstrekken van tegemoetkomingen in de schade die wordt geleden door maatregelen als bedoeld in artikel 22 Gwd. De wetgever heeft ervoor gekozen deze tegemoetkomingsregeling toe te passen naast het nemen van besluiten over maatregelen als voorzien in artikel 22 Gwd. Deze splitsing impliceert, mede gelet op artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dat bij de beoordeling van het thans bestreden besluit, waarbij het verstrekken van een tegemoetkoming niet aan de orde is, deze stellingen van appellant niet aan de orde kunnen komen. Het College beoordeelt deze stellingen dan ook niet.

2.5 Gelet op het vorengaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

2.6 Voor een proceskostenveroordeling ziet het College geen aanleiding.

3. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. E.R. Eggeraat, mr. M. van Duuren en mr. G.P. Kleijn, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Beishuizen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2011.

w.g. E.R. Eggeraat w.g. P.M. Beishuizen