Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2011:BU4524

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
14-10-2011
Datum publicatie
16-11-2011
Zaaknummer
AWB 10/795
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Bedrijfstoeslag. Dubbelclaim percelen. Onregelmatigheid die op grond van toepasselijke Europese regels tot korting leidt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 10/795 14 oktober 2011

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak in de zaak van:

A, wonende te B, appellante, gemachtigde: C, te D,

tegen

de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, verweerder,

gemachtigde: mr. S.M. Oude Lage Venterink, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Met de indiening van de Gecombineerde opgave 2009 op 15 mei 2009 heeft appellante onder meer verzocht om uitbetaling van haar toeslagrechten op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006.

Bij besluit van 18 maart 2010 heeft verweerder een voorschotbetaling bedrijfstoeslag 2009 vastgesteld. De toegekende netto bedrijfstoeslag is €0,00. In de toelichting is vermeld dat appellante geen bedrijfstoeslag ontvangt omdat de afgekeurde oppervlakte groter is dan 50% van de goedgekeurde oppervlakte. Daarnaast wordt appellante voor 2010, 2011 en 2012 voor €576,52 uitgesloten van bedrijfstoeslag en/of subsidies.

Bij het thans bestreden besluit van 17 juni 2010 heeft verweerder beslist op het hiertegen namens appellante gemaakte bezwaar.

Tegen dit besluit is namens appellante tijdig beroep ingesteld bij het College.

Verweerder heeft de gedingstukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Op 2 september 2011 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij partijen hun standpunt hebben toegelicht bij monde van hun gemachtigde.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 In dit geding staat de vraag centraal of verweerder terecht en op goede gronden aan appellante geen voorschotbetaling bedrijfstoeslag voor 2009 heeft toegekend en of zij terecht is uitgesloten voor een bedrag van €576,52 voor de jaren 2010 tot en met 2012.

2.2 Verweerder heeft het bestreden besluit doen steunen op de volgende overwegingen.

Appellante is op 5 juni 2009 telefonisch door de Dienst Regelingen op de hoogte gesteld van het feit dat voor de percelen met de volgnummers 2 en 3 een dubbele aanvraag is ingediend. Vervolgens heeft appellante verklaard dat deze percelen niet langer bij haar in beheer waren, en uit de aanvraag mochten worden verwijderd. Nu appellante in kennis is gesteld van deze onregelmatigheid was het intrekken of wijzigen van de aanvraag niet meer mogelijk. Van een telefoongesprek op 29 april 2009 waarin appellante al zou hebben gezegd dat deze percelen niet meer bij haar in gebruik zijn, is verweerder niets bekend. Aangezien de opgegeven oppervlakte (veel) groter is dan de geconstateerde oppervlakte en het verschil meer dan 20% bedraagt, is terecht geen bedrijfstoeslag toegekend. Omdat het verschil ook meer dan 50% is, wordt appellante bovendien nogmaals van steun uitgesloten voor een bedrag gelijk aan het bedrag dat overeenstemt met het verschil tussen de aangegeven en geconstateerde oppervlakte. Dit bedrag wordt verrekend met de steunbetalingen waarop appellante aanspraak kan maken op grond van de aanvragen die appellante indient in de drie kalenderjaren volgende op het jaar waarin het verschil is vastgesteld.

Nu artikel 51, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 796/2004 dwingend voorschrijft hoe verweerder in deze gevallen moet handelen, kan appellante zich niet op het evenredigheidsbeginsel beroepen.

2.3 Namens appellante is in beroep aangevoerd dat de percelen 2 en 3 aan een derde zijn verhuurd. De dubbele opgave van een tweetal percelen van nog geen anderhalve hectare heeft ten onrechte heeft geleid tot een boete van €2000,-. De medewerker van de Dienst Regelingen heeft in het telefoongesprek van 5 juni 2009 de indruk gewekt dat er naast de gebruikelijke korting voor het te laat indienen van een gewijzigde aanvraag, geen sancties zouden volgen. Volgens appellante kan er geen beoordeling of bestraffing plaatsvinden in de periode die nog beschikbaar is voor het aanpassen van de aanvraag.

2.4 Bij de beoordeling van het geschil gelden voor het College de volgende wettelijke voorschriften als uitgangspunt.

Verordening (EG) Nr. 796/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem waarin is voorzien bij de Verordeningen (EG) nr. 1782/2003 en (EG) nr. 73/2009 van de Raad, en inzake de randvoorwaarden waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 479/2008 van de Raad, luidde voor zover en ten tijde van belang als volgt:

"Artikel 22

Intrekking van steunaanvragen

1. Een steunaanvraag kan te allen tijde geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken. (…)

Indien de bevoegde autoriteit de landbouwer echter reeds in kennis heeft gesteld van onregelmatigheden in de steunaanvraag of indien zij hem heeft geïnformeerd over haar voornemen een controle ter plaatse te verrichten en indien die controle ter plaatse vervolgens onregelmatigheden aan het licht brengt, is intrekking van de gedeelten van de steunaanvraag waarop die onregelmatigheden betrekking hebben, niet toegestaan.

2. (…)

Artikel 51

Kortingen en uitsluitingen bij een te hoge aangifte

1. Indien voor een gewasgroep de oppervlakte die is aangegeven met het oog op welke oppervlaktegebonden steunregelingen dan ook (…), groter is dan de overeenkomstig artikel 50, leden 3 en 5, van de onderhavige verordening geconstateerde oppervlakte, wordt de steun berekend op basis van de geconstateerde oppervlakte, verminderd met tweemaal het vastgestelde verschil indien dat verschil meer dan 3 % van de geconstateerde oppervlakte of meer dan twee hectare, maar niet meer dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte bedraagt.

Bedraagt het verschil meer dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte, dan wordt voor de betrokken gewasgroep geen aan de oppervlakte gekoppelde steun toegekend.

Bedraagt het verschil meer dan 50 %, dan wordt de landbouwer nogmaals van steun uitgesloten voor een bedrag gelijk aan het bedrag dat overeenstemt met het verschil tussen de aangegeven oppervlakte en de overeenkomstig artikel 50, leden 3 en 5, van de onderhavige verordening geconstateerde oppervlakte. Dat bedrag wordt verrekend overeenkomstig artikel 5ter van Verordening (EG) nr. 885/2006 van de Commissie. Indien het bedrag niet volledig overeenkomstig dat artikel kan worden verrekend gedurende de drie kalenderjaren volgende op het kalenderjaar waarin het verschil wordt vastgesteld, komt het nog uitstaande saldo te vervallen.

2 bis (…)"

2.5 Het College stelt vast dat verweerder bij een administratieve controle als bedoeld in artikel 24 van Verordening (EG) nr. 796/2004 heeft ontdekt dat de in geding zijnde percelen 2 en 3 van appellante niet alleen door appellante maar ook door een derde zijn opgegeven voor uitbetaling van bedrijfstoeslag. Over de uitkomst van deze administratieve controle heeft verweerder op 5 juni 2009 telefonisch contact gehad met de gemachtigde van appellante. Dit gesprek is onmiskenbaar gevoerd met het oogmerk appellante er op te wijzen dat een mogelijke onregelmatigheid (het dubbel declareren van bedrijfstoeslag) in de aanvraag is vastgesteld. Tijdens het gesprek heeft appellantes gemachtigde verklaard dat appellante beide percelen ter beschikking had gesteld aan een kennis. Deze perceelsgedeelten waren niet meer bij haar in gebruik en deze hectaren heeft appellante dus ten onrechte opgegeven voor benutting van haar toeslagrechten.

Hieruit volgt dat appellante tijdens het telefoongesprek in kennis is gesteld van onregelmatigheden in de Gecombineerde opgave.

2.6 Artikel 22, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 796/2004 geeft de aanvrager de mogelijkheid de aanvraag gedeeltelijk in te trekken. Dit is echter anders als de bevoegde autoriteit de landbouwer op de hoogte heeft gesteld van onregelmatigheden in de aanvraag. In dit geval was intrekking van de gedeelten van de steunaanvraag waarop de onregelmatigheden betrekking hebben niet meer mogelijk, ook al was de periode na 15 mei 2009, waarin de opgave nog herzien kan worden, nog niet verstreken. De stelling van appellante dat de aanvraag gedurende die periode niet beoordeeld en geweigerd kan worden treft dan ook geen doel.

2.7 Het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel kan niet kan slagen. Appellante is er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat tijdens het gesprek op 5 juni 2009 enige toezegging is gedaan over een voornemen van verweerder om geen toepassing te geven aan de artikelen 22 en 51 van Verordening (EG) nr. 796/2004. De mededeling dat de oppervlakte van de percelen zal worden aangepast houdt niet meer in dan dat verweerder een geconstateerde oppervlakte zal hanteren die afwijkt van de door appellant opgegeven oppervlakte.

Bovendien heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie in constante jurisprudentie aangegeven dat een beroep op het vertrouwensbeginsel niet kan leiden tot aanspraken op financiële voordelen in strijd met geldende Europese regelgeving. Dat de zogenoemde contra-legemwerking van dit beginsel naar Europees recht niet aanvaard is, is onder meer terug te vinden in de uitspraken in zaak 5/82, Jur. 1982, p. 4601 (Maizena) en 316/86, Jur. 1988, p. 2213 (Krücken) van het Hof.

2.6 Het betoog van appellante dat zij door het niet ontvangen van de bedrijfstoeslag onevenredig zwaar wordt getroffen - door het College opgevat als een beroep op het evenredigheidsbeginsel, zoals opgenomen in artikel 3:4 van de Awb - treft geen doel.

De belangenafweging die in dit verband dient plaats te vinden wordt ingevolge het eerste lid van dit artikel beperkt voor zover dit voortvloeit uit een wettelijk voorschrift. Zoals hiervoor is overwogen was verweerder op grond van de toepasselijke Europese regels genoodzaakt om appellante uit te sluiten van landbouwsteun.

2.7 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. C.J. Waterbolk, in tegenwoordigheid van mr. E. van Kerkhoven als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2011.

w.g. C.J. Waterbolk w.g. E. van Kerkhoven