Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2011:BU3161

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
29-06-2011
Datum publicatie
02-11-2011
Zaaknummer
AWB 09/176
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

kennelijke fout

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 09/176 29 juni 2011

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: mr. E. Wijnne-Oosterhoff, advocaat te Zwolle,

tegen

de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, verweerder,

gemachtigde: mr. M.M. de Vries, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 28 januari 2009 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op het bezwaar van appellant dat was gericht tegen het besluit van 28 mei 2008 waarbij verweerder appellants bedrijfstoeslag voor het jaar 2007 heeft vastgesteld.

Bij besluit van 17 februari 2009 heeft verweerder alsnog beslist op het bezwaar van appellant.

Appellant heeft vervolgens de gronden van zijn beroep aangevuld.

Bij besluit van 9 juni 2009 heeft verweerder het besluit van 17 februari 2009 herzien.

In reactie hierop heeft appellant zijn beroep gehandhaafd en van nadere gronden voorzien.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 11 maart 2011 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigde hun standpunten hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Verordening (EG) nr. 796/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers luidde voor zover en ten tijde hier van belang:

" Artikel 15 - Wijzigingen van de verzamelaanvragen

1. Na de uiterste datum voor de indiening van de verzamelaanvraag mogen individuele percelen landbouwgrond die eventueel gepaard gaan met de overeenkomstige toeslagrechten en die nog niet in de verzamelaanvraag

zijn aangegeven voor welke van de oppervlaktegebonden steunregelingen ook, aan de verzamelaanvraag worden toegevoegd mits de in de betrokken steunregelingen gestelde eisen in acht worden genomen.

(…)

2. (…), worden overeenkomstig lid 1 van het onderhavige artikel aangebrachte wijzigingen schriftelijk aan de bevoegde autoriteit meegedeeld uiterlijk op 31 mei van het betrokken kalenderjaar, (…)

3. Indien de bevoegde autoriteit de landbouwer reeds in kennis heeft gesteld van onregelmatigheden in de verzamelaanvraag (…), zijn wijzigingen als bedoeld in lid 1 niet toegestaan voor de percelen landbouwgrond waarop de onregelmatigheden betrekking hebben.

(…)

Artikel 19 - Verbetering van kennelijke fouten

Onverminderd de artikelen 11 tot en met 18, kan een steunaanvraag te allen tijde na de indiening ervan worden gecorrigeerd in geval van een kennelijke fout die door de bevoegde autoriteit wordt erkend. "

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant heeft op 9 mei 2007 met de digitale Gecombineerde opgave 2007 bij verweerder bedrijfstoeslag aangevraagd voor het jaar 2007. Appellant beschikte in dat jaar over 31,20 toeslagrechten.

- Op het Overzicht gewaspercelen, behorend bij de Gecombineerde opgave, heeft appellant geen van de negen door hem ingevulde percelen aangekruist voor uitbetaling van toeslagrechten.

- Verweerder heeft appellant daarom in de gelegenheid gesteld zijn aanvraag te wijzigen door alsnog percelen op te geven voor uitbetaling van toeslagrechten.

- Op 24 juli 2007 heeft appellant verweerder een Overzicht gewaspercelen toegestuurd waarop hij de percelen 1 tot en met 8 alsnog heeft aangekruist voor de uitbetaling van zijn toeslagrechten. Perceel 9 is hierbij niet aangekruist door appellant.

- Bij besluit van 28 mei 2008 heeft verweerder appellants bedrijfstoeslag voor het jaar 2007 vastgesteld.

- Bij brief van 19 juni 2008 heeft appellant tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

3. Het besluit van 9 juni 2009

Bij dit besluit heeft verweerder het besluit van 17 februari 2009 herzien en het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Verweerder is van mening dat perceel 9 terecht niet is meegerekend in de vaststelling van de bedrijfstoeslag 2007. Verweerder overweegt daartoe, samengevat, dat uit de verzamelaanvraag niet blijkt dat appellant het perceel met volgnummer 9 in aanmerking wil laten komen voor uitbetaling van toeslagrechten. Wijzigingen in de aanvraag waren mogelijk tot uiterlijk 31 mei 2007, dan wel met toepassing van een korting tot en met 11 juni 2007. Wijzigingen die na 11 juni zijn ontvangen worden niet aanvaard, tenzij sprake is van een kennelijke fout als bedoeld in artikel 19 van Verordening (EG) nr. 796/2004.

Appellant heeft pas in zijn bezwaarschrift van 19 juni 2008, derhalve na de uiterste termijn voor wijziging van zijn aanvraag, verzocht om ook perceel 9 in aanmerking te brengen voor de uitbetaling van bedrijfstoeslag. Er is bovendien geen sprake van een kennelijke fout, aangezien de aanvraag na de correctie hiervan objectief gezien niet meer onlogisch of tegenstrijdig was. De percelen 1 tot en met 8 zijn wel opgegeven voor uitbetaling van bedrijfstoeslag en perceel 9 niet. Het behoort niet tot de taak van verweerder zich te verdiepen in de eventuele motieven van een landbouwer om al dan niet toeslagrechten te laten uitbetalen.

Uit het feit dat appellant in de Gecombineerde opgave heeft aangegeven dat er problemen zijn geweest met het aanvinken/bevestigen van perceel 9 blijkt slechts dat appellant dit perceel heeft willen opgeven op het overzicht gewaspercelen. Iedere landbouwer is verplicht de percelen die hij gebruikt op te geven. Dat betekent niet dat de landbouwer ook de bedoeling heeft deze percelen te benutten voor de bedrijfstoeslag.

Ook is niet komen vast te staan dat het ontbreken van een kruisje bij perceel 9 te maken heeft met de moeilijkheden die appellant heeft gehad met het invoeren van de grootte van dit perceel, of de hulp van het loket. Het indienen van de digitale opgave 2007, het contact met het loket en het invullen van de grootte van het perceel hebben immers plaatsgevonden op 9 mei 2007, toen nog geen enkel perceel voor uitbetaling was aangekruist. Pas ruim

twee maanden later heeft appellant de percelen alsnog aangekruist voor de uitbetaling van zijn toeslagrechten.

Uit verweerders gegevens blijkt voorts niet dat appellant, zoals hij stelt, in zijn gesprekken met een medewerker van het loket heeft aangegeven dat hij perceelnummer 9 in aanmerking wilde brengen voor de uitbetaling van zijn toeslagrechten.

Aan de brief van verweerder van 17 december 2007 kon appellant tot slot niet het vertrouwen ontlenen dat alle fouten in zijn aanvraag waren gecorrigeerd. Deze brief vermeldt slechts dat onjuistheden in appellants aanvraag waren geconstateerd, en dat deze zijn gecorrigeerd. Voor de aanpassing wordt verwezen naar het digitale dossier, waaruit blijkt dat de aanpassing enkel de grootte van perceel 9 betrof.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft, samengevat, aangevoerd dat hij van meet af aan heeft aangegeven dat hij zijn toeslagrechten wilde laten uitbetalen. Hij heeft daarbij zeer veel moeite gedaan om perceel 9 op te geven. Dit blijkt uit de Gecombineerde opgave waarin hij onder "5. Ruimte voor op- en aanmerkingen" erop heeft gewezen dat hij perceel 9 elektronisch niet voor uitbetaling kon opgeven, en uit het feit dat hij op 9 mei 2007 contact heeft opgenomen met het telefonisch loket van verweerder en heeft gevraagd hoe de toeslagrechten verzilverd moeten worden. Bovendien geldt dat wie uitbetaling wil, dit uiteraard voor alle percelen wil. Gelet hierop heeft appellant ook wat betreft perceel 9 recht op uitbetaling.

Verder is de brief van verweerder van 17 december 2007 hierbij van belang. Daar staat immers in vermeld dat de gebleken onjuistheden in de aanvraag van appellant zijn gecorrigeerd. Appellant mocht er dus op vertrouwen dat de aanvraag op grond van de gewijzigde gegevens zou worden behandeld. Door dat niet te doen heeft verweerder in strijd met het vertrouwensbeginsel gehandeld.

Objectief gezien is het volgens appellant onlogisch om op een formulier de opmerking te plaatsen dat het opgeven van een bepaald perceel niet lukt, terwijl hij voor dat perceel geen uitbetaling van zijn toeslagrechten wenst. Verweerder wist bovendien, gelet op het telefoongesprek dat plaatsvond op 9 mei 2007, van appellants problemen bij het opgeven van perceel 9 en heeft daarom ten onrechte geoordeeld dat het ontbreken van een kruisje in het overzicht gewaspercelen achter dit perceel niet berust op een kennelijke fout.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College overweegt in de eerste plaats dat het beroep, gelet op artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), geacht wordt mede te zijn gericht tegen verweerders besluit van 17 februari 2009, en gelet op de artikelen 6:18 en 6:19 Awb tegen het besluit van 9 juni 2009.

5.2 Nu inmiddels een reëel besluit is genomen op het bezwaar van appellant heeft appellant naar het oordeel van het College geen belang meer bij de beoordeling van zijn beroep voor zover dit is gericht tegen het niet tijdig nemen van dit besluit. Het beroep dient in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard.

5.3 Ten aanzien van het beroep tegen het besluit van 17 februari 2009 overweegt het College dat verweerder ter zitting heeft erkend dat ten onrechte is nagelaten om appellant te horen in de bezwaarprocedure en voorts dat de motivering van dat besluit gebrekkig was. Om deze gebreken te herstellen heeft verweerder een nieuw besluit genomen op 9 juni 2009. Gelet hierop heeft appellant evenmin belang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep voor zover dit is gericht tegen het besluit van 17 februari 2009 en dient dit beroep eveneens niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Wel ziet het College in het voorgaande aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten van de procedure met toepassing van artikel 8:75 Awb. Op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 322,-- (1 punt tegen een waarde van € 322,-- voor het indienen van het beroepschrift).

5.4.1 Voor zover het beroep is gericht tegen het besluit van 9 juni 2009 overweegt het College als volgt. Voor wijziging van appellants aanvraag om uitbetaling van de bedrijfstoeslag 2007 door het alsnog in aanmerking brengen van perceel 9 voor uitbetaling van zijn toeslagrechten is alleen plaats, indien sprake is van een kennelijke fout in de zin van artikel 19 van Verordening (EG) nr. 796/2004.

5.4.2 De Europese Commissie heeft een Werkdocument uitgebracht met betrekking tot de vraag wanneer een kennelijke fout als zodanig erkend moet worden. Dit document, met het kenmerk AGR 49533/2002, wordt door verweerder gehanteerd bij de beoordeling van verzoeken om na de uiterste indieningstermijn nog wijzigingen in een aanvraag te mogen aanbrengen. In vaste jurisprudentie heeft het College deze benadering aanvaardbaar geoordeeld.

Het College heeft het Werkdocument in eerdere jurisprudentie zo uitgelegd en samengevat, dat van een kennelijke fout over het algemeen alleen kan worden gesproken indien verweerder bij een summier onderzoek bij ontvangst van de aanvraag had kunnen vaststellen dat de aanvraag waarschijnlijk geen goede weergave was van hetgeen de aanvrager beoogde aan te vragen.

5.4.3 Ter beantwoording ligt dan de vraag voor of de aanvraag van appellant, die over 31,20 toeslagrechten beschikt en die over ruim voldoende grond beschikt om deze toeslagrechten uit te laten betalen, geacht kan worden een kennelijke fout in te houden, als hij slechts voor 24,89 van deze toeslagrechten om uitbetaling vraagt. Appellant heeft 8 van de 9 percelen uit het Overzicht gewaspercelen voor de uitbetaling van de toeslagrechten aangekruist. Hierdoor heeft appellant circa 80% van de totaalwaarde van zijn toeslagrechten laten uitbetalen. Naar het oordeel van het College is het verschil tussen hetgeen appellant aanvraagt en hetgeen hij maximaal kan aanvragen daarmee op zichzelf beschouwd niet zo groot, dat het bij een summier onderzoek door verweerder direct in het oog moet vallen. Dat betekent dat niet kan worden staande gehouden dat met een summier onderzoek na ontvangst van de aanvraag kon worden vastgesteld dat de aanvraag blijkbaar geen goede weergave was van hetgeen de aanvrager beoogde, zodat reeds om die reden geen sprake is van een kennelijk fout.

Het College neemt hierbij tevens in aanmerking dat perceel 9 in oppervlakte niet veel afwijkt van de overige 8 wel opgegeven percelen, dat er evenmin andere omstandigheden zijn gebleken op grond waarvan een kennelijke fout zou moeten worden aangenomen en dat appellant reeds gelegenheid heeft gehad om zijn aanvraag te herstellen en daarbij heeft verzuimd om perceel 9 alsnog op te geven.

5.4.4 Appellants betoog dat hij in de Gecombineerde opgave heeft aangegeven dat er problemen zijn geweest met het aanvinken/bevestigen van perceel 9 en hierover telefonisch contact heeft gehad met een medewerker van verweerder doet aan het voorgaande niet af. Hieruit kan naar het oordeel van het College slechts worden geconcludeerd dat appellant het betreffende perceel heeft willen opgeven op het overzicht gewaspercelen. Daarmee is niet gezegd dat hij dit tevens in aanmerking wilde brengen voor de uitbetaling van zijn toeslagrechten.

5.4.5 Het College is tot slot van oordeel dat het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel reeds niet slaagt, omdat - anders dan appellant stelt - uit de door appellant overgelegde brief van verweerder van 17 december 2007 niet kan worden afgeleid dat verweerder perceel 9 zou betrekken in de berekening van appellants bedrijfstoeslag.

5.5 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard voor zover dit is gericht tegen het besluit van 9 juni 2009.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep voor zover dit is gericht tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van appellant van 19 juni

2008 en tegen het besluit van 17 februari 2009 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep voor zover dit is gericht tegen het besluit van 9 juni 2009 ongegrond;

- bepaalt dat verweerder aan appellant het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,-- (zegge:

honderdvijfenveertig euro) vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 322,-- (zegge: driehonderdtweeëntwintig

euro).

Aldus gewezen door mr. C.J. Waterbolk, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Leliveld als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2011.

w.g. C.J. Waterbolk w.g. C.M. Leliveld