Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2011:BU3155

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
24-08-2011
Datum publicatie
02-11-2011
Zaaknummer
AWB 10/667
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

randvoorwaardenkorting

verplichting om elk pasgeboren dier aan te melen

t.a.v. één kalf niet nageleefd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 10/667 24 augustus 2011

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak in de zaak van:

V.O.F. Melkveebedrijf A, te B, appellante,

gemachtigde: H.L.M. van Sleeuwen, wonende te Boekel,

tegen

de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, verweerder,

gemachtigde: mr. F.S. Feenstra, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. Het procesverloop

Appellante heeft bij brief van 6 juli 2010, bij het College binnengekomen op 7 juli 2010, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 28 mei 2010.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen het besluit van verweerder van 10 maart 2010, waarbij de randvoorwaardenkorting op de aan appellante voor het jaar 2009 te verlenen rechtstreekse betalingen op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (hierna: Regeling) op 3% is vastgesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 10 augustus 2011 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellante en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunt nader hebben toegelicht.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, luidde voor zover hier van belang als volgt:

" Randvoorwaarden

Artikel 4

Belangrijkste eisen

1. Een landbouwer die rechtstreekse betalingen ontvangt, neemt de in bijlage II genoemde uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen en de in artikel 6 bedoelde eisen inzake goede landbouw- en milieuconditie in acht.

(…)

Bijlage II

Uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen als bedoeld in de artikelen 4 en 5 (…)

Volksgezondheid en diergezondheid

Identificatie en registratie van dieren (…)

7. Verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juli 2000 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor runderen en inzake etikettering van rundvlees en rundvleesproducten (…) Artikelen 4 en 7. "

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juli 2000 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor runderen en inzake etikettering van rundvlees en rundvleesproducten, voor zover hier van belang, houdt elke houder van dieren een register bij, en stelt hij de bevoegde autoriteit binnen een door de lidstaat vastgestelde termijn, die zich uitstrekt over drie tot zeven dagen, in kennis van elke geboorte of sterfte van een dier op het bedrijf, samen met de data waarop een en ander heeft plaatsgevonden..

Op grond van artikel 3, aanhef en onder a, van de Regeling neemt een landbouwer die een aanvraag heeft ingediend voor één van de in artikel 2 genoemde steunregelingen de in de artikelen 4 en 5 van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde beheerseisen, opgenomen in bijlage 1, in acht. In deze bijlage wordt onder punt 7.4 onder meer artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1760/2000 genoemd.

Verordening (EG) nr. 796/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem waarin is voorzien bij de Verordeningen (EG) nr. 1782/2003 en (EG) nr. 73/2009 van de Raad, en inzake de randvoorwaarden waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 479/2008 van de Raad, luidde voor zover hier van belang:

" Artikel 66 - Toepassing van kortingen in geval van nalatigheid

1. Onverminderd artikel 71 geldt dat, indien een geconstateerde niet-naleving het gevolg is van nalatigheid van de landbouwer, een korting wordt toegepast op het totale bedrag aan rechtstreekse betalingen (...) dat aan de betrokken landbouwer is of moet worden toegekend op grond van de steunaanvragen die hij in de loop van het kalenderjaar waarin de niet-naleving is geconstateerd, heeft ingediend of nog zal indienen. Die korting bedraagt in de regel 3% van dat totale bedrag.

Het betaalorgaan kan evenwel op basis van de beoordeling die de bevoegde controleautoriteit overeenkomstig artikel 48, lid 1, onder c), in het controleverslag heeft gegeven, besluiten om dat percentage te verlagen tot 1% of te verhogen tot 5% van het bovenbedoelde totale bedrag dan wel, in de in artikel 48, lid 1, onder c), tweede alinea, bedoelde gevallen, om in het geheel geen kortingen op te leggen. (...) "

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten voor het College komen vast te staan.

- Appellante heeft voor 2009 rechtstreekse betalingen aangevraagd.

- Op 3 september 2009 heeft een ambtenaar van de Algemene Inspectiedienst (hierna: AID) een controle verricht op het bedrijf van appellante. In het daarvan gemaakte controleverslag staat vermeld dat er één rund aanwezig was op het bedrijf dat wel was geregistreerd in het bedrijfsregister maar dat niet op de stallijst stond.

- Bij besluit van 10 maart 2010 heeft verweerder appellante naar aanleiding van de bevindingen van de AID een randvoorwaardenkorting van 3% opgelegd wegens niet-naleving van een randvoorwaarde.

- Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt.

2.3 Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en heeft hiertoe, samengevat, het volgende overwogen. Tijdens de fysieke controle die plaatsvond op het bedrijf van appellant is door de AID de niet-naleving geconstateerd van de randvoorwaarde in artikel 7, eerste lid, tweede gedachtestreepje, van Verordening (EG) nr. 1760/2000, doordat de geboorte van een rund niet is gemeld aan het I&R-systeem Rund. Appellante is te allen tijde zelf verantwoordelijk voor het juist aanmelden van mutaties aan het I&R-systeem Rund. Dat de niet-naleving door haar medewerkers tijdens de vakantie van haar vennoten heeft plaatsgevonden, blijft dan ook voor haar rekening en risico. Dat appellante de fout meteen heeft hersteld na de controle, neemt niet weg dat de niet-naleving in eerste instantie wel is geconstateerd. Gelet op de genoemde wet- en regelgeving diende verweerder een randvoorwaardenkorting toe te passen. Deze korting is niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel.

2.4 Appellante heeft, samengevat, aangevoerd dat de geboorte van het betreffende rund plaatsvond tijdens de vakantie van haar vennoten. De medewerkers die het bedrijf waarnamen hebben de geboorte onjuist gemeld aan het I&R-systeem Rund, maar dit is appellante pas tijdens de controle door de AID gebleken. In het bedrijfsregister stond de geboorte van het dier wel goed geregistreerd. Appellante heeft na de controle de fout direct hersteld door de geboorte alsnog te melden aan dit I&R-systeem. De toegepaste korting van in totaal €1224,41 staat in geen verhouding tot de geconstateerde niet-naleving, gelet ook op het feit dat geen sprake is van een herhaalde niet-naleving. De omstandigheden van dit geval hadden aanleiding moeten geven tot het matigen van de korting.

2.5 Het College moet beoordelen of verweerder terecht en op juiste gronden aan appellante een randvoorwaardenkorting van 3% heeft opgelegd. Daartoe wordt het volgende overwogen.

2.6 Op grond van de in rubriek 2.1 genoemde communautaire en nationale bepalingen is de volledige betaling van de door de landbouwer aangevraagde rechtstreekse landbouwsteun afhankelijk gesteld van de naleving van regels op het gebied van (onder meer) de volksgezondheid en de gezondheid van dieren. Bij niet-naleving van die regels wordt het steunbedrag gekort of ingetrokken. Tot de uit deze regelgeving voortvloeiende verplichtingen behoort de verplichting om elk pasgeboren kalf tijdig aan te melden bij het I&R gegevensbestand. Zoals door appellante zelf ook is toegegeven is verzuimd om een op 18 juli 2007 geboren rund aan te melden. Niet in geschil is dan ook dat appellante niet heeft voldaan aan de desbetreffende verplichting die als randvoorwaarde voor Europese inkomenssteun is gesteld. De omstandigheid dat appellante meteen na de geconstateerde onvolkomenheid alles in het werk heeft gesteld om de registratie aan te passen, maakt dit niet anders. Dit betekent dat verweerder gehouden was om een randvoorwaardenkorting toe te passen op de aan appellante te verlenen inkomenssteun.

2.7 Ter zitting is namens verweerder naar voren gebracht dat in dit specifieke geval ten onrechte een randvoorwaardenkorting van 3% is opgelegd. Gelet op het geringe aantal niet-aangemelde runderen (te weten slechts één) in relatie tot de omvang van het bedrijf (262 runderen) is verweerder mede onder verwijzing naar de relevante bepalingen van de (Bijlage van de) Beleidsregels normenkader randvoorwaarden GLB bij nader inzien tot de conclusie gekomen dat een randvoorwaardenkorting van slechts 1 procent aangewezen was.

Het College stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de randvoorwaardenkorting in dit geval niet meer dan 1% behoorde te zijn. Appellante blijft van mening dat een korting helemaal achterwege had moeten blijven, maar het College volgt appellante hierin niet. Hetgeen appellante daartoe heeft aangevoerd biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder ingevolge de van toepassing zijnde regelgeving in het geheel geen korting had mogen opleggen.

2.8 Dit leidt tot de conclusie dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Met het oog op de finale afwikkeling van het geschil zal het College zelf in de zaak voorzien door de randvoorwaardenkorting vast te stellen op 1% van de aan appellante voor het jaar 2009 te verlenen rechtstreekse betalingen op grond van de Regeling. Dit leidt tot een korting van €408,14 in plaats van €1.224,41.

2.9 Het College ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep heeft gemaakt. Het gaat daarbij om de reiskosten voor het bijwonen van de zitting. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op €41,-.

3. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- stelt de randvoorwaardenkorting op de aan appellante voor het jaar 2009 te verlenen rechtstreekse betalingen vast op 1%

en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van €41,- (zegge: éénenveertig euro).

- bepaalt dat verweerder het door appellante betaalde griffierecht ad €298,- (zegge tweehonderdachtennegentig euro)

vergoedt.

Aldus gewezen door mr. R.C. Stam, mr. S.C. Stuldreher en mr. C.J. Waterbolk, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Leliveld als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2011.

w.g. R.C. Stam w.g. C.M. Leliveld