Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2011:BU2127

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
06-10-2011
Datum publicatie
28-10-2011
Zaaknummer
AWB 11/422
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing herzieningsverzoek

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 11/422 6 juli 2011

50002 Herziening Sector 2

Uitspraak inzake het verzoek om herziening van:

Maatschap A en B, te C, verzoekster,

gemachtigden: mr. W.P.N. Remie en mr. Th.J.H.M. Linssen, advocaten te Tilburg,

1. Het procesverloop

Bij uitspraak van 20 april 2011 heeft het College het beroep van verzoekster tegen een besluit van het Productschap Zuivel (hierna: het Productschap) van 27 augustus 2010 ongegrond verklaard. Bij genoemd besluit heeft het Productschap het bezwaar van verzoekster tegen de vaststelling van superheffing voor de heffingsperiode 2009/2010 niet-ontvankelijk verklaard.

Bij brief van 30 mei 2011 heeft verzoekster herziening gevraagd van de uitspraak van het College van 20 april 2011.

Bij brief van 22 juni 2011 heeft het Productschap gereageerd op het verzoek om herziening.

Op 4 juli 2011 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigden van verzoekster zijn verschenen samen met D. Namens het Productschap zijn verschenen mr. A.C.R. Geelen en L.J. Koers, werkzaam bij het Productschap.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan het College op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij het College eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

2.2 Verzoekster heeft aan haar verzoek om herziening, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. In de uitspraak van 20 april 2011 wordt geconcludeerd dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard wegens termijnoverschrijding. Het Productschap heeft volgens de uitspraak op niet ongeloofwaardige wijze de ontvangst van de fax van verzoekster op 12 augustus 2010 ontkend, omdat op het faxoverzicht van Productschap van 12 augustus 2010 niet het faxnummer van verzoekster voorkomt, terwijl op het faxoverzicht van 14 augustus 2010 wel een fax wordt vermeld die betrekking heeft op het bezwaar van verzoekster. Inmiddels heeft verzoekster achterhaald van wie het enige andere faxnummer op het faxoverzicht van 14 augustus 2010 is. Deze melkveehouder heeft, net als verzoekster, met een faxbericht op 12 augustus 2010 bezwaar gemaakt. Deze melkveehouder heeft dat schriftelijk verklaard. De ontvangstbevestiging van 7 oktober 2010 van het Productschap bevestigt dat het bezwaarschrift van die melkveehouder op 12 augustus 2010 is ontvangen. Ook dit faxbericht heeft de fax van het Productschap geregistreerd als ontvangen op 14 augustus 2010. Deze ontvangstregistratie van de faxberichten is derhalve onbetrouwbaar. Was dit het College bekend geweest, dan zou dit tot een andere uitspraak hebben geleid.

2.3 Verzoekster leest naar het oordeel van het College de (ontvangst-)brief van het Productschap van 7 oktober 2010 verkeerd. In die brief wordt weliswaar verwezen naar een faxbericht van 12 augustus 2010, maar in de context van de brief moet dit worden gelezen als een verwijzing naar de datering van het bij fax ingediende bezwaar en niet als een melding van de datum van ontvangst door het Productschap. Het onderwerp van de brief is ook niet de bevestiging van de ontvangst van het bezwaar, maar een verzoek om inlichtingen in het kader van de behandeling van het bezwaar.

2.4 De enkele verklaring achteraf van de andere melkveehouder dat hij het bezwaar op 12 augustus 2010 heeft gefaxt, is niet toereikend om aan te nemen dat dit bezwaar ook daadwerkelijk op die datum is gefaxt. Daarmee ontbreken vaststaande feiten en omstandigheden die grond kunnen vormen voor een herziening van de uitspraak van 20 april 2011.

2.5 Gelet op het voorgaande dient het verzoek om herziening te worden afgewezen. Aan het treffen van een voorlopige voorziening, zoals door verzoekster gevraagd, komt het College niet toe.

3. De beslissing

Het College wijst het verzoek om herziening van de uitspraak van 20 april 2011 af.

Aldus gewezen door mr. R.C. Stam, in tegenwoordigheid van mr. I.C. Hof als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2011.

w.g. R.C. Stam w.g. I.C. Hof